MEDITATIE
De Morgenster.
„En Ik zal hem de morgenster geven". Openb. 2 vers 28.
Het staat ons nergens opgeteekend, gemeente, dat de zaligheid slechts geschonken zal worden aan hen, die de geloofsverzekerdheid bezitten. Neen, dat mogen wij niet uit Gods Woord afleiden, alsof zij alleen zouden zalig worden, die het vaste vertrouwen hebben. De verzekerdheid is de hoogste daad van het geloof. Maar er zijn ook lagere, mindere daden, die ook uit den Heiligen Geest zijn, b.v. : hongeren naar de gerechtigheid, dorsten naar de wateren des levens, een toevlucht nemen tot Christus. Hierover wordt door den Heere Zelf het „welgelukzalig" uitgesproken. „Gij die God zoekt, ulieder hart zal leven", zegt de psalmist. Hongeren en dorsten is nog niet hetzelfde als verzadiging ; een toevlucht nemen tot deh Heere, is niet hetzelfde als vast op Hem vertrouwen
Het oprechte geloof kan nog wel zeer zwak zijn, dat meer een zien op Christus is dan een zich met kracht aan Hem vastklemmen Dat zwakke geloof zal wel degelijk tot de zaligheid leiden. De groote Herder zal ook de lammerkens in Zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen. Al wat hiervan staat mag aangewend worden tot vertroosting der kleine zielen.
Dit wil echter niet zeggen dat de verzekerdheid des geloofs er niet op aan zou komen. Het gaat toch in de eerste plaats niet om onze zaligheid, maar wel om de eer van God. Daarom staat er ook : „Benaarstigt u, broeders, om uwe roeping en verkiezing vast te maken." In het verzekerde geloof wordt de Heere toch het meest geprezen, worden Zijne deugden 't krachtigst verheerlijkt ; daarin heeft ook het Evangelie der genade z'n meest zegenrijken loop Daarom moeten wij er wel degelijk naar staan Bovendien, als een ziel verzekerd mag zijn van haar deel aan Christus, geeft dit groote vrijmoedigheid in de verborgen gemeenschapsoefening met God, om met Hem als met een Vader om te gaan en alle nooden voor Hem uit te storten Als er een verzekerd geloof mag zijn, is er liefde tot God en Zijn dienst, zoodat men er ook vrijmoedig bij anderen voor uitkomt. Anders zou de wereld er in worden gestijfd alsof de dienst van God een mistroostige weg is ; een in het zwart gaan voor het aangezicht des Heeren
*) Uitgesproken 24 Augustus 1.1. in de Julianakerk te Veenendaal, door ds. N. van der Snoek. 'k Meen, gemeente, dat ook onze tekst die verzekerdheid op het oog heeft, als de verheerlijkte Heiland zegt : „Ik zal hem de morgenster geven". — Wij spreken
a. Over hem, dien deze gave te beurt valt;
b. Over den inhoud dier gave,
c. Over den vasten troost, die daardoor leeft.
't Gaat ook hier over hem, die overwint, of zooals wij 't reeds eerder verklaarden : „die overwinnende is". Als wij dit ook hier weer lezen, is 't wel duidelijk dat de geloovige geen rustig, kalm en vreedzaam leven heeft. Integendeel 1 Hoe meer de Heilige Geest werkt, des te meer wordt verstaan dat de weg smal is en de poort eng, die tot het leven leidt. Het geestelijke leven is een voortdurende strijd, een al maar bezig zijn in een weg, die tot overwinning voert, maar toch een weg van worsteling is Als hier staat : Ik zal hem de morgenster geven, dan is daar bedoeld : hem, die overwinnende is Wat er dan in de gemeente van Thyatira te overwinnen was ? Er was daar veel, dat te prijzen was : Liefde, geloof, lijdzaamheid. Maar daar was ook een donkere zijde. De donkere nacht der zonde woonde in dien door Gods licht gezegenden kring. Daar was een vrouw Izébel. Misschien was dit niet haar eigenlijke naam, maar werd zij zóó door den Heere genoemd, om haar ware gestalte aan te duiden. Zooals er in het O. T. een goddelooze vrouw was, de vrouw van koning Achab, die Izébel heette en 't volk tot afgodendienst verleidde, tot ontrouw tegenover zijn God Zoo was er ook in Thyatira een vrouw, die zichzelf nog wel een profetes noemde. Eene dus, die zich zeer vroom voordeed ; die 't liet voorkomen alsof zij een boodschap van God had, en met innige woorden en met schoon klinkende leuzen kwam. „Maar", zegt nu de Heere, Wiens oogen zijn als een vlamme vuurs, „zij is eene Izebel." Zij verleidde de schare, zoodat deze zich van de leer der genade afkeerde. Dat is een afhoereeren van God Daartoe brengt zij u, zoo waarschuwt de Heere, met haar vrome praat, zoodat gij van den weg van 't klare, zuivere Evangelie der - genade afwijkt.
't Is u bekend dat dit, vooral in het O. Testament, een afhoereeren genoemd wordt. De schandelijke huwelijks-ontrouw wordt dan als beeld genoemd Maar dan zegt de Heere verder, dat Hij Zijn oordeel doei komen over de gemeente : „Ik werp haar te bed", d.w.z. op het ziekbed. Haar en die met haar overspel bedrijven, die met haar verleidende taal en valsche leer meegaan Een geestelijke krankheid zal over haar komen ; ziekelijkheid en achteruitgang, afbreking, verkoeling en verdorring zullen in de gemeente komen, in die van God gezegende gemeente, in dien van God begenadigden kring Met den grootsten ernst waarschuwt nu de verheerlijkte Heiland tegen dat kwaad. Hij roept op tot bekeering ! Hij maant tot den strijd. En Hij voegt er de heerlijke belofte aan toe : Die overwint en die Mijne werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem de morgenster geven.
Wat het nu voor een leer geweest is, die deze z.g.n. profetes leerde, weten wij niet... Maar 't was een leer die naar de diepten des satans bracht, 't Zal eene opvatting, een leer geweest zijn, die den mensch in z'n eigen kracht opbouwde, die de genade van Christus overbodig maakte, die de werken der verlossing van den Heere Jezus Christus ijdel verklaarde. Het eigen-ik van den mensch zal er door gestreeld zijn En als nu de Heere Jezus zegt : „die overwint en die Mijne werken tot het einde toe bewaart", staat dit er recht tegenover Reeds vroeger spraken wij daarvan, 't Mag ook nu niet achterwege blijven, n.l. dit : In de allereerste plaats is te overwinnen het eigen-ik des menschen. Dit eigen-ik is de grootste vijand. Dat eigen-ik dat altijd hooger wil en telkens weer naar boven komt en zelf de heerschappij wil uitoefenen, waarin altijd weer het streven van den natuurlijken mensch openbaar wordt, n.l. dat hij als God zelf wil zijn ! O, dat hooge eigen-ik 't Wil altijd op den troon zitten, 't Wil altijd koning zijn. 't Wil steeds de leiding hebben, den weg bepalen, regeeren...... 't Zit vaak op den troon, bij een stipt deugdzaam leven, onder zeer veel godsdienstige woorden en uitwendige vroomheid Dit zal ook wel de kracht geweest zijn van Izebel's leer, daar in Thyatira. Zij liet in haar beschouwing het eigen-ik op den troon ; en liet de mensch daar staan in z'n ingebeelde grootheid Welnu, gemeente, daartegen bindt het Evangelie der genade den strijd aan, opdat het ons van al onze ingebeelde hoogheid neerwerpen zou. En daarin is 't alleen te doen om de grootheid Gods, de grootheid Zijner liefde, den glans Zijner majesteit, de vastheid van Zijn recht Maar dan is het ook duidelijk welk eene geestelijke werkzaamheid het is als er staat van hem, die overwinnende is. Dat is een werkzaamheid des geloofs, waarin het Evangelie het wint. Dat is eene werkzaamheid, waardoor de H. Geest de genade Gods laat triomfeeren in het van nature hoogmoedige hart des menschen Immers als het geestelijke Woord in ons z'n kracht uitoefent, gaat het eigen-ik wel van den troon af. 't Wordt er telkens afgestooten — 't moet er telkens afgestooten worden, wijl 't de drang des menschen blijft zichzelf te verhoogen Dat is de strijd ; de moeilijke worsteling. De strijd, - .dien ieder geloovige heeft door te maken. De worsteling tegen eigen hoogheidsgedachten, tegen de verheffingen des vleesches. En als hij in dien strijd in de kennis zijner schuld terechtkomt, is hij bezig te overwinnen, wijl dan de genade Gods groot voor hem en in hem wordt Dit is toch de wondere werking des Geestes. Zij ontdekt ons aan onszelf. Zij laat ons zien dat wij overwonnen zijn. Overwonnen en overmeesterd door de zonde. Hoe nauwer wij met het Woord en de geestelijke wet des Heeren gaan leven, des te rijper wordt die overtuiging, des te klaarder is het besef: „ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde ; ik ben als een slaaf geknecht; de ongerechtigheid heeft mij geheel overmeesterd, in mijn denken, in mijn willen en begeeren" Dat besef drukt neer en doet mij mijzelf kennen als een hulpelooze en een doodschuldige Zeker, 'k zeide 't u reeds, we willen ons aan dat besef wel weer telkens ontworstelen, om toch nog wel iets te wezen in eigen oog, al is het niet alles ; om onszelf wijs te maken dat wij toch nog wel iets kunnen goed maken, door een ingetogen wandel of strenge levensopvatting. Kunnen wij dan al niet onze geheele zondeschuld afdoen, dan toch nog wel een klein of groot gedeelte daarvan 't Eigen-ik rijst dan weer op.
Het beklimt weer eenige trappen, die naar den troon leiden. En de geestelijke wet is weer noodig. Zij moet in al hare gestrengheid ons voor oogen staan. Zij veroordeelt ons in alles, en verklaart ons schuldig, omdat wij geen van Gods geboden gehouden hebben, en tot alle boosheid geneigd zijn Zoo moeten wij ons overwonnen weten door de zonde. In dat besef begint de geestelijke victorie. De genade Gods in Christus Jezus behaalt de overwinning. Daar blijft toch voor een schuldige, die niets kan goed maken en altijd maar weer zijn schuld vermeerdert, niets anders over dan dat zijn schuld hem wordt kwijt gescholden. En juist daarvan spreekt het Evangelie der genade! Hoe meer wij in onszelf worden afgebroken, des te begeerlijker wordt die genade. En dan zijn wij overwinnende, als wij ons door die genade Gods geheel in beslag laten nemen.
Een overwonnene door de zonde wordt overwonnen door de liefde Gods. M.a.w. het Evangelie overwint in ons Nu is dit wel een moeilijke weg ; versta 't wel, niet omdat de Heere hem zoo moeilijk maakt, maar omdat de mensch daarin telkens zichzelf in den weg staat. De mensch zelf maakt den weg zoo moeilijk, den strijd zoo zwaar Wij schrijven elkander hierin ook niet een lang tijdsbestek voor. De moordenaar die aan het kruishout naast den Heiland hing, heeft er niet lang over gedaan. Toen hij den Koning in schuldbesef om genade bad, was hij bezig te overwinnen. En hij werd een die overwon, toen de vrijsprekende genade heel z'n hart in beslag nam Dit zeg ik u, opdat wij weten zouden dat het voor ons elk oogenblik mogelijk is een overwinnaar te zijn.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's