De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

6 minuten leestijd

Wetsovertreding.
Het vrijzinnig-democratische Kamerlid, mevrouw Van Italie—Van Embden, deed een paar dagen geleden de volgende schriftelijke vragen aan den Minister van Defensie :
1°. Is het juist, dat onlangs bij de crematie van een ridder in de Militaire Willemsorde militaire eerbetuigingen zijn geweigerd ? Zoo ja, wil de Minister dan mededeelen, om welke reden die weigering plaats had ?
2°. Indien deze weigering geschiedde, omdat een crematie streed met de gevoelens van den Minister, is Zijn Excellentie dan niet van oordeel, dat deze laatste wensch van een overledene, die zich daarenboven blijkens het hem toegekende eerbewijs op meer dan gewone wijze heeft onderscheiden, van meer gewicht behoorde te zijn dan de gevoelens van den Minister ?
Wij hebben ons over het stellen van deze vragen door het vrijzinnig-democratische Kamerlid verbaasd, omdat daarin naar den bekenden weg wordt gevraagd.
Want het Kamerlid zal toch zeer goed begrepen hebben, dat de militaire eerbewijzen, waarop de ridder van de militaire Willemsorde aanspraak kon maken, hier buiten het geding staan.
Immers de hoofdzaak, waarom het hier gaat, is dat de medewerking van den Minister werd "gevraagd voor een bij de wet verboden handeling, n.l. voor de verbranding van het lijk van den oud-militair.
Het weigeren van de militaire eerbewijzen aan den overleden ridder hing o.i. samen met de crematie, welke door de begrafeniswet is verboden.
Wanneer we ons goed herinneren, heeft destijds dr. Scheurer, het Antirevolutionaire Kamerlid, het der regeering ten kwade geduid, dat zij zich bij een crematie liet vertegenwoordigen. Hij deed dit op grond van het feit, dat te Westerveld een daad werd verricht, welke strijdig was met de wet. Terecht merkte toen de afgevaardigde op, dat de regeering ddor van hare belangstelling bij een lijkverbranding te doen blijken, weinig eerbied voor de wet toonde. Het toenmalige Kabinet heeft dan ook zijn leedwezen betuigd en verklaard voortaan zich van het zenden van een vertegenwoordiger te zullen onthouden.
Geheel in dien geest handelde thans de Minister van Defensie, zoodat instede dat die bewindsman voor zijne weigering blaam zou verdienen, hem een woord van lof toekomt.
Het gaat toch niet aan, dat een Minister, die mede geroepen is de wet uit te voeren, zich zou schuldig maken aan een handeling, welke bij de wet verboden is en wetsverkrachting in de hand zou werken.
Zoo iets zou terecht ernstige afkeuring verdienen.
Wij verwachten dan ook, dat Minister Deckers de vragen van mevrouw Van Itallie—Van Embden in bovenstaanden geest zal beantwoorden.
Toch heeft het stellen der vragen door het vrijzinnig-democratische Kamerlid — al zal zij daarmede iets anders hebben voor gehad —, ook nog een nuttigen kant, doordat opnieuw de aandacht is gevestigd geworden op het ongerijmde van den tegenwoordigen toestand.
De wet eischt, dat de lijken zullen worden begraven, terwijl de voorstanders van lijkverbranding ongestoord voortgaan met op heidensche wijze de lijken te verbranden.
Wij hopen, met het oog op den eerbied voor de wet, dat eindelijk eens aan het overtreden van de wet met medeweten van den wetgever paal en perk zal worden gesteld.
Dan zal ongetwijfeld veel ergernis worden weggenomen.;

Het Amsterdamsche adres.
Het valt zeer toe te juichten, dat terwijl de neutrale middenstandsorganisaties alle krachten inspannen om de Eerste Kamer te overtuigen van de noodzakelijkheid van de verwerping van de wet op de winkelsluiting, bijzonderlijk omdat daarin de Zondagsarbeid wordt 'beperkt, ook de christelijke middenstand niet stil zit, vooral om het belang der Zondagsrust, een tegenovergesteld gevoelen aan het hooge Staatscollege kenbaar te maken.
Gelukkig begint de actie voor aanneming van het nog bij de Eerste Kamer aanhangige ontwerp Winkelsluitingswet — zoo schrijft „de Christelijke Middenstander" — nu ook in onze kringen grootere proporties aan te nemen, waaraan nog is toe te voegen, dat verschillende groepen, die eerst dreigden met de oppositie mede te gaan, zich ook nu vóór de wet uitspreken en zich bij hen aansluiten die om aanneming van de wet roepen.
Terecht heeft de Vereeniging van den Christelijken Handeldrijvenden en Industrieelen Middenstand in Nederland begrepen, dat hoe verdienstelijk het ook kan zijn om in eigen kring voor de aanneming van de wet te vergaderen en actie te voeren, het bij die betuigingen van sympathie toch niet kan blijven en dat er daarom een daad moet geschieden.
Deze daad ligt in het zenden van een adres aan de Eerste Kamer van de afdeeling „Amsterdam" van de Vereeniging, waarbij allen afdeelingen gevraagd wordt om aan het adres adhaesie te betuigen.
In het adres lezen wij o.m. :
Gelukkig wordt in ons Christelijk Nederland de Zondag nog erkend. Met nadruk wenschen wij te verklaren, hoezeer wij dankbaar zijn, dat het beginsel der Zondagsrust 't ontwerp-wet beheerscht. Al zal niet door ieder, als door ons, de Zondagsrust om de Zondagsheiliging worden begeerd, dan mogen wij toch dankbaar constateeren, hoe de Zondagsrust uit allerlei overwegingen in toenemende mate wordt nagestreefd en bereikt.
Het verblijdt ons, dat de Christenen in den kamp voor Zondagsrust niet alleen staan, maar dat ook talloos velen, die de Christelijke levens-en wereldbeschouwing, althans in het maatschappelijk leven, niet voorstaan, den zegen van één dag rust weten te waardeeren.
Vergeleken met een vijftig jaren geleden, biedt ons vaderland op Zondag een beeld, .dat van vooruitgang spreekt. Niet voor het minst zijn het juist de groote steden, waarbij deze verbetering het sterkst spreekt.
Aan Uw geacht College geven wij in overweging te bedenken, hoeveel overleg, gepraat en strijd noodig zijn geweest om de Zondagsrust zoozeer te bevorderen.
De nu voorgestelde wet consolideert, wat verkregen werd.
Verwerping van deze wet, 't niet aanvaarden van het beginsel der Zondagssluiting als normalen regel, brengt al den moeizaam verrichten arbeid in gevaar.
Daarom wenden wij ons met grooten ernst tot Uw College, omdat er voor ons ernst tot Uw College, omdat er voor ons zulke kostelijke belangen op het spel staan.
Wij hopen, dat geen enkele afdeeling van de Vereeniging van den Christelijken Handeldrijvenden en industriëelen Middenstand in Nederland in haar adhaesie-betuiging aan het Amsterdamsche adres aan de Eerste Kamer zal achterblijven en dat alle pogingen zullen worden aangewend om het hooge Staatscollege te overtuigen, dat duizenden en duizenden middenstanders naar het oogenblik hunkeren, dat ook voor hen verlossing van den Zondagsarbeid komt, opdat naast de Zondagsrust ook de Zondagsheiliging voor velen mogelijk wordt.
Zal de Eerste Kamer de wet aannemen ? Wij hopen het van harte.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's