STAAT EN MAATSCHAPPY
De Troonrede.
Dinsdag heeft H.M. de Koningin de onderstaande Troonrede in de vereenigde vergadering van de beide Kamers der Staten-Generaal uitgesproken :
Te midden van U, Leden der Staten-Generaal, kan Ik den toestand des Lands, al stemt veel tot erkentelijkheid, niet onverdeeld gunstig heeten.
De economische crisis, die zich over de geheele wereld doet gevoelen, heeft ook zoowel in het Rijk in Europa als in de overzeesche gewesten tot ernstige gevolgen voor het bedrijfsleven geleid. Hier te lande maken in het bijzonder verschillende takken van onzen land-en tuinbouw moeilijke tijden door. Groote krachtsinspanning en wijs beleid zullen met Gods hulp moeten voeren naar betere tijden.
Onder de voorzieningen, welke zullen moeten worden getroffen om de moeilijkheden te overwinnen, treedt de hervorming van de economische voorlichting op den voorgrond. Daar echter de crisis de geheele menschheid drukt, is zelfs van de best voorbereide en ten uitvoer gelegde maatregelen weinig vrucht te verwachten, indien zij niet door oprechte internationale samenwerking in hun kracht worden versterkt. Ook met het oog hierop blijft Mijn voortdurende aandacht gericht op het bevorderen van betere internationale verhoudingen. De zeer vriendschappelijke aard van de betrekkingen, die wij met de andere Mogendheden onderhouden, vormt voor dit streven den onmisbaren grondslag.
Een donkere schaduw wordt door dt ingetreden crisis geworpen over den toestand van 's Rijks financiën. Niet alleen zal het gunstig verloop van de opbrengst der middelen, zooals dit in de laatste jaren werd gezien, een einde nemen, maar ook van een normale stijging der middelen zal eerlang geen sprake meer kunnen zijn. Anderzijds zullen de natuurlijke oorzaken, welke tot een normale stijging der uitgaven leiden, haar werking onverzwakt blijven behouden. Naast voortgezette versobering van 's Rijks dienst, door reorganisatie, zal daarom buitengewone beperking in het nemen van maatregelen, welke offers van 's Rijks schatkist vergen, in de naaste toekomst
In Nederlandsch-Indië openbaren de gevolgen van de crisis zich reeds in een sterke daling van de opbrengst der landsmiddelen. De uiterste zorg zal vereischt zijn om het evenwicht in de Indische begrooting te bewaren zonder de grondslagen van welvaart en volksontwikkeling aan te tasten. Verschillende ontwerpen van wet zullen bij U aanhangig worden gemaakt.
Naast andere ontwerpen van justitieelen aard zal U een voorstel van wet betreffende de rechtsverhoudingen ten aanzien van handelsagenten en handelsreizigers worden aangeboden.
Een voorstel tot wijziging van het reeds eerder ingediend ontwerp van een cursuswet zal U spoedig bereiken.
Een ontwerp van wet tot herziening van de Lager Onderwijswet 1920 zal, naar Ik vertrouw, nog in dit zittingsjaar bij U worden ingediend.
Een wetsontwerp betreffende de rechtspositie der militairen kan spoedig worden tegemoet gezien.
Blijvende aandacht wordt geschonken aan de spoedige totstandkoming van verbeteringen in de wegen te land en te water en thans in het bijzonder aan den bouw van vaste bruggen over onze groote rivieren.
Een wetsontwerp inzake de bedrijfsraden nadert zijn voltooiing. Tegelijk daarmede zal worden ingediend een in ontwerp gereed zijnd voorstel betreffende de publiekrechtelijke regeling van de collectieve arbeidsovereenkomsten. Voorts zijn ontwerpen voor een nieuwe Veiligheidswet en voor een wijziging van de Stuwadoorswet voorbereid.
De ontwikkeling van de staatkundige verhoudingen in Nederiandsch-Indië vordert bij voortduring aandacht.
De invoering van de bestuurshervorming heeft over geheel Java en Madoera haar beslag gekregen. De geleidelijke doorvoering van die hervorming in de buitengewesten is in voorbereiding.
Het overleg omtrent wetgevende maatregelen om principieele beperking te brengen in het stelsel van arbeidsovereenkomsten onder strafbedreiging is zoover gevorderd, dat een desbetreffende ontwerpordonnantie eerlang in Indië in openbare behandeling zal kunnen komen.
De economische toestand van Suriname, welke ook den terugslag ondervindt van de daling der marktprijzen van de voornaamste landbouwvoortbrengselen van het gewest, blijft gedrukt. Die van Curacao geeft reden tot voldoening.
Met den wensch, dat God Zijn zegen aan Uwen arbeid moge schenken, verklaar Ik de gewone zitting der Staten-Generaal geopend.
De inhoud van de Troonrede was ditmaal weinig opwekkend.
Behalve de sombere tonen, die uit het Staatsstuk klonken betreffende de moeilijke tijden, welke in het bijzonder verschillende takken van land-en tuinbouw doormaken, met als gevolg daarvan den ongunstigen toestand, waarin de Rijksfinanciën verkeeren, was de rede overigens vrijwel kleurloos. Uitzondering op deze kleurloosheid maakte de mededeeling, dat naar alle waarschijnlijkheid nog in het zittingsjaar 1930 —1931 een voorstel tot herziening van de Lager Onderwijswet 1920 zal worden ingediend. In den eenvoudigen vorm, waarin deze mededeeling werd gedaan, valt over het karakter der herziening niets te zeggen. Zal het mogelijk worden om bij behoud van de gelijkstelling een zuiniger beleid op het terrein van de schoot te voeren, dan zal daarmede, in verband met wat in de Troonrede over de landsfinanciën werd gezegd, veel gewonnen zijn.
Dat de Troonrede een pessimistischen klank zou doen hooren, was te verwachten. Immers reeds sinds maanden gaat het economische leven van ons volk onder groote zorgen gebukt. Die toestand zal niet verbeteren, zoolang niet de internationale verhoudingen zich beteren. De Troonrede sloeg den juisten toon aan, toen zij het uitsprak, dat van de best voorbereide en ten uitvoer gelegde maatregelen weinig vruchten te verwachten, indien zij niet door oprechte internationale samenwerking in hun kracht worden versterkt."
Het zoeken naar die internationale samenwerking houdt op dit oogenblik onder leiding van den heer Colijn de volken te Geneve bezig.
Wij besluiten dit korte overzicht met de bede, dat God niet alleen Zijn zegen over den arbeid van de Staten-Generaal zal geven, maar ook dat Hij de pogingen, die zullen worden aangewend, om de crisis, die de geheele menschheid drukt, te doen beëindigen, met Zijn gunst zal willen bekronen.
De grootste vijand.
De voorstanders van het openbaar onderwijs kunnen nog altijd maar geen vrede hebben met de plaats, welke de openbare school tegenwoordig in het midden van ons volksleven inneemt.
Nog niet lang geleden hebben wij den lezers van ons blad de cijfers voorgelegd, waaruit toen bleek, dat in den loop van de laatste kwarteeuw het aantal leerlingen, dat de bijzondere school bezocht, dat der openbare school is gaan overvleugelen, terwijl dit proces zich nog immer in dezelfde richting voortzet.
Nu ligt intusschen de oorzaak van dezen gang van zaken niet uitsluitend in de omstandigheid, dat zeer vele ouders van schoolgaande jeugd, krachtens hunne levensopvatting bijzonder onderwijs voor hunne kinderen begeerden, maar ook in het feit, dat duizenden in den lande, die eigenlijk geen bezwaar maken tegen neutraal onderwijs, toch aan de openbare school den rug toekeerden.
Vooral toen de Bond van Nederlandsche onderwijzers, de grootste organisatie van het onderwijzend personeel bij de openbare school, zich bij de sociaal-democratische partij aansloot en meer en meer zich in de revolutionaire baan ging bewegen, kreeg men van de openbare school genoeg.
Het is dan ook een feit, dat niet te loochenen valt, dat de palstaanders van het openbaar onderwijs zelf groote schade aan dit onderwijs hebben toegebracht en de openbare school in discrediet brengen.
Want, wat te zeggen van het optreden van de „afdeeling 's-Gravenhage" van den rooden Bond van onderwijzers bij gelegenheid van den vijftigsten verjaardag van de Koningin, toen het plan bij de gemeentelijke schoolautoriteiten in de Residentie rijpte, om naast de kinderen van de bijzondere school ook de kinderen van de openbare "school aan de zanghulde ter eere van de Landsvrouwe te doen deelnemen?
Dit mocht niet.
Zulk een voornemen mocht niet worden uitgevoerd, omdat — zoo schreef de Schoolbode — „het een klap is in het gezicht van zeer vele leerkrachten bij dit onderwijs. Men laat de kinderen zingen : „Neerlands Vorstin leeft in 't Nederlandsch hart", zonder er zich iets van aan te trekken, dat een zeer, zeer groot deel van het volk haar toch waarlijk niet in het hart draagt".
Hier zijn voorstanders van de openbare school aan het woord, die de ergste vijanden blijken te zijn van het openbaar onderwijs, mannen die de laatste fundamenten, waarop dit onderwijs nog rust, laten kraken om ze ten slotte te vernietigen.
De kinderen van de openbare school mogen geen liefde voor het vaderland en voor het vorstenhuis bezitten. Het laatste vonkje van die liefde moet zelfs in de kinderharten worden gedoofd.
De houding der schoolautoriteiten in 's-Gravenhage dient — zegt de Schoolbode — scherp te worden afgekeurd.
Het zingen van het lied : „Vrouwe van Nederland" is niet neutraal. De school moet vrij gehouden worden van alle godsdienstige en politieke dogma's.
Het moeten medewerken van de openbare onderwijzers tot een zanghulde aan de Koningin is een klap in het gezicht van den rooden Bond. Doch als het hoofdorgaan van den Bond : De Bode alle bondsleden oproept voor een krachtige medewerking aan de demonstraties op Zondag 14 September te Amsterdam en Rotterdam tegen het vlootplan van Minister Deckers, dan wordt die oproep met gejuich begroet en blijft geen onderwijzer thuis.
Volgens de Lager-Onderwijswet moet het schoolonderwijs dienstbaar worden gemaakt aan de opleiding der kinderen tot alle christelijke en maatschappelijke deugden.
Maar de onderwijzers weigeren de Christelijke deugd van vaderlandsliefde en liefde tot het vorstenhuis den kinderen aan te leeren.
Zij offeren de school op aan hun republikeinsche gevoelens.
En daarmede brengen deze voorstanders van de openbare school aan die school den genadeslag toe.
Geen grooter vijand van de openbare school dan de Bond van Nederlandsche onderwijzers.
Hun wensch niet verkregen.
Tegen de coalitie zijn in de laatste jaren heel wat bezwaren ingebracht.
Vooral waren het de Staatkundig Gereformeerden en de mannen van de Hervormd (Gereformeerde) Staatspartij, die zich als tegenstanders van een kabinet, voortgekomen uit de drie groepen der rechterzijde, deden kennen.
Hun ideaal was een extra-parlementair Kabinet.
Doch nu zulk een Kabinet de leiding van 's lands zaken in handen heeft, blijven ook de klachten niet uit.
In het nummer van De Banier van 13 September gaat het tegen de goedkoope treinen, die Zondag 1.1. ten gerieve van de socialistische demonstratie te Amsterdam en Rotterdam liepen.
Terecht klaagt het blad er over, dat de Overheid verre is afgeweken van de ordinantiën des Heeren, omdat zij toelaat en in de hand werkt, dat Gods dag door duizenden wordt ontheiligd.
Naar ook wij vernamen, moet het Zondag, vooral op de stations der groote steden, bar zijn toegegaan.
De Minister van Waterstaat, die in November 1929 verklaarde, dat het loopen van goedkoope treinen op Zondag door de Regeering niet mag worden uitgelokt, liet Zondag het loopen van treinen tegen verminderd tarief ongestoord zijn gang gaan.
Wat ditmaal geschiedde was meer dan erg.
Ook met het extra-parlementair Kabinet krijgen de Staatkundig Gereformeerden niet, wat zij wenschen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's