De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Terugkeeren tot den Vader.

12 minuten leestijd

Ik zeide wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenschte land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen? maar Ik zeide : Gij zult tot Mij roepen mijn Vader en gij zult u van achter Mij niet afkeeren. Jeremia 3 vers 19.

De vraag van onzen tekst : hoe zal Ik u onder de kinderen zetten ? wordt door God Zelf gedaan aan de twee huizen Israels, dus aan de kinderen van 't uitwendig verbond.
Dat is een vraag die in veler menschenhart in 't geheel niet opkomt, want velen bekommeren zich niet om de eeuwigheid. Ze leven voort in totale onverschilligheid.
Komt die vraag toch voor de menschen te liggen dan worden verschillende antwoorden gegeven.
Zijn er niet velen die meenen dat de kinderen van 't uitwendig verbond kinderen Gods zijn en dus niet meer onder de kinderen behoeven gezet te worden ? Dat God deze vraag aan Israël doet moest hun leeren dat de zaak niet zoo eenvoudig ligt.
Er zijn er ook die denken dat Christenkinderen, christelijk opgevoed en christelijk wandelend, kinderen Gods worden en straks ongetwijfeld deel hebben aan de sierlijke erfenis en komen in 't gewenschte land.
Zij hebben nog niet verstaan dat de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt. Het was voor den heilige en rechtvaardige God een groote moeilijkheid om de kinderen Israels onder Zijn kinderen te zetten, want al de eigenschappen en deugden Gods verzetten zich daartegen.
In de kinderen Israels was niets wat Hem behagen kon, want 't gedichtsel hunner gedachten was gelijk van alle menschen alleenlijk boos van hunne jeugd afaan, zoodat de Heere Jezus tot Nicodemus, een kind des verbonds, zeide : „gijlieden moet wederom geboren worden."
De Almachtige kan gemakkelijker hemel en aarde in 't aanzijn roepen dan één kind van Adam tot kind Gods aannemen. De Heere is zoo rechtvaardig en .haat de zonde zoo volkomen, dat Hij de misdaden der vaderen bezoekt aan de kinderen tot in 't derde en vierde lid.
Hij is een verterend vuur voor alles wat met Zijne reinheid niet overeenstemt. Hoe zal Hij de diep gevallen huizen Israels, die riem vertoornd en verlaten hadden, zetten onder de kinderen ?
Immers kinderen dragen des vaders welbehagen en een vader houdt veel meer van eigen kinderen dan van Vreemde. Hoe zal God hen, die Hij noemt bastaarden en vreemdelingen, zetten onder de kinderen ? Wat moet gedaan om de wederaanneming tot kinderen mogelijk te maken. Hoe zal voldaan worden aan 't onbuigbaar recht ? Ziet, de Heere kan Zijn wezen niet veranderen en als dus een zondaar niet tot verandering komt, zal 't onmogelijk zijn deel te krijgen aan de liefde Gods en aan 't gewenschte land, de hemelsche erfenis.
Aan 't recht Gods moet voldaan worden. Als de vraag nederligt voor de beide huizen Israels, dan komt er geen antwoord.
Als de vraag nederligt voor een zelfontdekt zondaar, hoe hij zich de wederaanneming tot kind Gods wil waardig maken, dan zal hij geen antwoord weten.
Door doop en opvoeding en christelijken wandel worden we geen nieuw schepsel. Door onze daden en deugden en gedachten brengen we geen verzoening aan.
Tranen en gebeden delgen niet één zonde. In deze vraag stelt de Heere 't ons dus in de eerste plaats voor oogen hoe moeilijk 't voor iHem was. Dat moeten we goed begrijpen, want wij zijn zoo geneigd 't als een lichte zaak te beschouwen. De groote levensvraag stellen we voor ons zelf op den achtergrond.
Zoolang wij geen kennis hebben aan onze geheele verdorvenheid, denken we dat 't wel terecht zal komen.
Maar och, als onze oogen geopend worden om ons zelf te zien in onze onreinheid en den Heere in Zijne heiligheid en rechtvaardigheid, dan verstaan we dat zalig worden bij menschen onmogelijk is. indien een zelfontdekte, die wanhoopt aan de mogelijkheid van eigen behoudenis, deze woorden leest, dat hij of zij er dan op moge letten dat dit een lidhtpunt is dat de Heere Zelf deze vraag doet. Hij is immers de Heere Die 't werk van Zijne handen niet laat varen. Als Hij die vraag doet, dan bewijst dat Zijne bemoeienis.
Ook luidt de vraag niet wat wij moeten doen, doch wat God moet doen : Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten.
Och of de berouwvolle 't oor te luisteren legge naar 't antwoord dat de Heere Zelf geeft, want zaligmaken met al wat daartoe behoort is 't werk Gods en niet des menschen. Bij menschen is 't onmogelijk.
Ziet lezer, is 't niet alsof de Heere aan 't peinzen is op een middel om een gevallen menschenkind aan te kunnen nemen ? O, als de Heere een zaak in handen neemt, dan zal Hij niet rusten eer 't alles volbracht is. Ofschoon er duizenden redenen zijn waarom 't niet kan geschieden, toch heeft God reeds in den raad des vredes in de eeuwigheid 't middel uitgedacht. Toen heeft de Zoon des welbehagens lang voor den val van Adam, Zich reeds aangeboden om het rantsoen te betalen voor schuldverlorenen.
In de volheid des tijds heeft Jezus alles volbracht en heeft de Zoon alles tot den laatsten penning toe betaald wat Zijn volk schuldig was. „God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hare zonden haar niet toerekenend."
Die heilsboodschap laat God aan zondaren preeken zooals Hij ons die nu voor oogen stelt, maar de duizenden gaan die prediking voorbij. Het evangelie is niet naar den mensch. Wij willen 't wel hooren, als wij met al onze gebreken, karakterfouten en geneigdheid om God en den naaste te haten maar mogen blijven die we zijn.
Al die dingen die ons buiten 't Koninkrijk Gods stellen en die bewijzen dat we er buiten staan, willen we vasthouden met alle kracht, zoodat de Heere Jezus over 't bondsvolk moest klagen : „gijlieden hebt niet gewild."
Jezus is de eenige toegang, de eenige deur der schapen, de weg, en om op den weg te komen zullen wij op den toeleidenden weg onszelf moeten verliezen. Dan moet 't eigen ik met zijn eigengerechtigheden en ongerechtigheden sterven.
In onzen tekst belooft de Heere echter dat 't bekeerde Israël tot Hem zal roepen : „Mijn Vader". O, dan moet dat Israël eerst komen tot bekeering.
Ze moeten bekennen (:13) „dat ze tegen den Heere hun God hebben overtreden." Dat is geschied volgens ons hoofdstuk, vers 21. „Er is een stem gehoord op de hooge bergen, een geween en smeekingen der kinderen Israels omdat ze hun weg verkeerd en den Heere hun God vergeten hebben. 't Blijkt ook uit vers 23, 24, 25.
Als met gebroken harten en verslagen van geest naderen ze tot God.
Als met 't doodvonnis in handen en de koorde om den hals gelijk Benhadads knechten.
Nooit vindt een zondaar genade en vergiffenis zonder bevindelijke kennis te krijgen aan zonde en ellende en als ze tot de ware zelfmishaging en verbreking des harten gebracht worden, dan kunnen de klachten niet achterwege blijven.
Dezulken worden door God om Christus wille in genade aangenomen en talrijke heilsbeloften uit Gods Woord verkondigen ons dat zeer duidelijk.
Nooddruftigen zal Hij verschoonen. Aan armen uit gena. Zijn hulpe ter verlossing toonen. Er zal voor den waarlijk berouwvolle, evenals voor Israël en Juda in Babel, een oogenblik komen dat de zuchten en klachten verstommen en de tranen gedroogd en de liefde des Vaders gevoeld wordt.
Dan zou Israël 't verstaan, dat er verzoening voor hunne zonden is gevonden in 't bloed des kruises en dat zij weer tot kinderen waren aangenomen.
Zoo gaat 't ook in de bekeering. Er komt een oogenblik dat de tranen des berouws gedroogd worden en dat de zekerheid der schuldvergiffenis daalt in 't verslagen hart ; dan wordt de wonde geheeld.
Wat er dan in het harte omgaat als de begenadigde in Christus een nieuw schepsel is geworden en vol vertrouwen den Vadernaam leert spreken, is niet te zeggen.
De teerste snaren der ziel zullen getrild hebben bij den verloren zoon, die zijn onwaardigheid kende en beleed en toch den Vadernaam noemde : „Vader, ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden."
Maar ook de teerste snaren in Gods liefdevol hart gaan trillen als een berouwvolle tot Hem nadert in den naam van den Zoon des welbehagens, buiten Wien geen kindschap Gods uit genade mogelijk is.
„Zoovelen Hem hebben aangenomen, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods genaamd te worden, n.l. die in Zijn Naam gelooven."
Als de H. Geest dat wonder der genade werkt, dat een zelfontdekte zondaar in Christus weer de zekerheid van 't kindschap ontving, dan behoeft ge er niet aan te twijfelen, of in zulk een mensch zal ook een kinderlijke gestalte gevonden worden en kinderlijk vertrouwen en kinderliefde.
Onze tekst vertelt dat 't den Heere er niet slechts om te doen was Israël en Juda in 'Babel te bekeeren, maar de Heere wilde hun ook geven het gewenschte land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen.
Tusschen de woonplaatsen Israels in Babel en 't gewenschte, 't beloofde land woonden vele heidensche volken, die door hun legers.''t Israël onmogelijk maakten Kanaän binnen te trekken.
Evenmin als Israël zichzelf verlossen kon uit Babel, evenmin kon 't den weg banen door de heirscharen der heidenen.
Er was echter één middel waardoor 't alles mogelijk werd en dat vermeldt onze tekst : Gij zult tot Mij roepen : Mijn Vader en gij zult u van achter Mij niet afkeeren. Dat was de ware bekeering tot God ; zij hadden God verlaten en de afgoden ge­ diend : Nu sloeg de Heere hun alle afgoden uit handen en bracht hen achter Zich.
Toen dat plaats vond in Babel na 70 jaren en de gekenden uit Israël den Heere weder als Vader in Christus leerden aanroepen, toen heeft de Almachtige hun vijanden tot vrienden gemaakt.
Koning Kores opende vrijwillig de poorten van Babel en gaf Israël vrijheid om terug te keeren. Hij gaf hun schatten gouds en zilver en brieven van vrijen doortocht door de landen der heidenen.
Dat is de macht van den Vadernaam voor degenen die Hem aanroepen.
O lezers ! laat ons dat wel verstaan, want wij allen zijn ballingen in Babel. Velen bekommeren zich daar niet om ; ze kennen niet een verlangen naar bekeering en zullen dus, niet uitgeleid uit Babel en niet doorgeleid door de heirscharen der heidenen, nooit 't gewenschte land, de sierlijke erfenis bereiken. Wij zijn niet bij machte de banden van satan te breken noch ons een doortocht te banen door al de vijanden die ons verblinderen zalig te worden. Dat alles is bij menschen onmogelijk.
Maar onze tekst leert hoe 't wel kan. Hij die de afkeerige kinderen van Israël en Juda in Babel kon bekeeren, was ook bij machte 't hart van koning Kores te neigen naar Zijn wil en ook kon Hij een doortocht maken door 't land der heidenen.
Onze God, Die machtig is om den diepst gezonkene en meest verharde te bekeeren, kan ook maken dat de bekeerde van achter Hem niet afkeert. Dan gaat de Heere voorop en de geloovige volgt. Gelijk de kudde den herder volgt, zoo volgen de schapen van den goeden Herder hun Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus Christus.
Dien eisch heeft de Heere Jezus gesteld : Wie achter Mij wil komen verloochene zichzelven en neme zijn kruis op en volge Mij. In dat niet afkeeren van achter den Heere blijft er geen ruimte over voor eigen wil en lust. Dat alles moet verloochend, want die te volgen brengt slechts verderf en schade en smart. Maar den Heere achteraan te kleven geeft licht en vrede. Die Mij volgt, spreekt de Heiland, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal 't licht des levens hebben.
Welk een voorrecht achter den Heere aan te gaan, ook al gaat de weg door de woestijn of door de heirlegers van vijanden of door de duisternis van den nacht. Dan voort te gaan in 't vertrouwen dat Hij den goeden weg wijst en beschermt tegen alle gevaren en voorziet in alle nooden, maakt dat onze weg effen is.
Doch misschien zijn er wel onder degenen die deze woorden-lezen, die bij zichzelven zeggen : Ik ben nog niet onder de kinderen gezet, want mijne afkeeringen zijn talloos vele.
Dat is best mogelijk dat ge er nog niet bij behoort. Er zijn er ook in den tegenwoordigen tijd velen die meenen in te gaan en niet zullen kunnen wegens hun ongeloof volgens Jezus' woord. De raad van den apostel zal ook nu nog wel noodig zijn : Onderzoekt uzelven nauw, ja zeer nauw of ge in 't geloof zijt, beproeft uzelven. Toch moeten we ook bedenken dat zij allen, die zelfkennis bezitten, veel moeten klagen over hun vele afkeeringen, zoodat de apostel dezulken tracht te bemoedigen met de woorden : Al zijn wij ontrouw. Hij blijft getrouw. Zoo spreekt de Heere ook in onzen tekst : „En gij zult van achter Mij niet afkeeren" en dan stelt genade de Zijnen er toe in staat om toch achter den Heere aan te gaan. Ons hart wil afwijken, maar de liefdekoorden des Heeren breken nooit en na elke afwijking zal 't kind des Heeren dus weer achter zijn Vader getrokken worden.
Lag 't aan ons, wij waren verloren, maar als 't een werk des Heeren is, dan geneest Hij hunne afkeeringen, want niets zal hen scheiden van de liefde Gods in Christus Jezus.
O, welk een voorrecht gezet te zijn onder de kinderen en den dierbren Vadernaam te dragen in 't hart en op de lippen, en gevoerd te worden door de heirscharen der vijanden achter den Heere aan en 't gewenschte land in 't oog te hebben. Door de geopende poorten van Zion straalt 't licht hun reeds tegen.
Laat de weg van Gods kinderen gaan door donkere diepten als uw Vader 't noodig oordeelt, zoolang uw hand rust in Zijn hand en uw voeten staan in Zijn spoor gaat ge veilig.
Voedt 't vertrouwen op Hem en laat 't niet rooven in tegenspoeden, maar doe wat de dichter u raadt:
Hoop steeds op Zijn genade En haat altoos 't kwade.
Hij die in tegenspoed Zijn gunstgenooten hoedt, Verleent hen onderstand En redt ze uit 's boozen hand.
Amen
O.

S

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's