KERKELIJKE RONDSCHOUW
Ned. Herv. Verbond tot Kerkherstel.
Zooals men weet is opgericht een Nederlandsch Hervormd Verbond tot Kerkherstel, mee als gevolg van de verwerping van het Ontwerp Reorganisatie door de Synode in Jan. 1930. De Synode wilde de zaak niet in de Kerk hebben gebracht, 't Moest maar zonder de Kerk afgehandeld worden en ter prullenmand verwezen („zoo zijn onze manieren") maar daarmee is gelukkig de zaak niet uit.
Uit verschillende groepen als Ethischen, Confessioneelen, Kohlbruggianen, Geref. .Bonders, gingen er stemmen op : Kunnen we samen niet iets doen voor de Ned. Hervormde Kerk, dat zij als Kerk weer den Christus belijdt en als Kerk weer gaat leven onder een goede orde, waarbij niet het Koninkrijk zichzelf verteert, door de meest tegenstrijdige leeringen en kerkelijke practijken toe te laten en te sanctioneeren.
En toen is opgericht het Nederlandsch Hervormd Verbond tot Kerkherstel.
Het is in zooverre een verbond, dat onderscheidene groepen ieder voor zich blijven in eigen kring, vereeniging, bond enz., maar samensprekingen willen zoeken met elkaar en willen aansturen op samenwerking, in zake hetgeen gedaan kan worden om onze Hervormde Kerk weer te maken tot een Christus-belijdende Kerk in Nederland, met een Kerkorde, waarbij de Kerk niet behandeld (en vermoord) wordt als een Vereeniging tot beoefening van den godsdienst enz., maar waarbij de Kerk, naar haar wezen, als Kerk van Christus kan leven.
Wij verblijden ons hartelijk over de oprichting van dat Verbond. En terwijl wij rustig als Geref. Bonders in eigen Bond zijn en blijven, om daar door te werken naar eigen plan, reiken we gaarne de hand aan anderen, die naast ons en met ons, over dezelfde dingen bezig zijn en het goede willen zoeken voor Christus' Kerk in dezen lande.
Wij willen hier dan ook gaarne melding maken van de eerste openbare vergadering, welke door het Nederlandsch Hervormd Verbond tot Kerkherstel gehouden zal worden op Donderdag 15 October te Utrecht in het Jaarbeursgebouw.
Daar moeten we allen heen ! Niet alleen de predikanten, maar ook de ouderlingen, ook de diakenen en kerkvoogden, ook de gemeenteleden.
Het is zoo gemakkelijk elkander den rug toe te keeren, maar het is fataal voor Kerk en Volk. Laat ons veel liever elkander zoeken waar 't maar eenigszins mogelijk is, om saam Gods Woord te lezen, saam te bidden en te werken, zoekende het goede voor Kerk en vaderland.
De vergadering begint 's morgens 11 uur met een rede van prof. dr. Th. L. Haitjema, den dapperen strijder voor het herstel der Nederl. Hervormde Kerk, van wien door Gods goedheid, vriend en vijand getuigen moet, dat hij een man is, die voor deze dingen leeft en aan deze dingen zich geeft, om overal en altijd op hoogstaande wijze deze dingen te bepleiten en te verdedigen.
Wij gaan ter vergadering om prof. Haitjema te beluisteren en we zijn er van overtuigd iets goeds te zullen hooren.
Dan is de vergadering verder gewijd aan huishoudelijke zaken — wat óók noodig is, maar niet te lang moet duren, 't Leven schept zich zelf dikwijls de vormen wel !
In de middagvergadering hopen te spreken dr. G. Oorthuys van Amsterdam, ds. N. van der Snoek van Veenendaal en ds. Th. C. Vriezen, leeraar in geloofsleer enz. te Den Haag.
De Heere geve ons een rijk gezegend samenzijn !
Nieuw Kerkelijk Leven.
We ontvingen het eerste nummer van Nieuw Kerkelijk Leven, Maandblad uitgegeven door het Ned. Herv. Verbond tot Kerkherstel, onder redactie van H. C. J. V. Deelen, R. B. Evenhuis, Th. C. Vriezen en F. N. de Vries.
Aan het inleidingsartikel ontleenen wij : "Daar groeit ongetwijfeld in veler harten het besef, dat het met onze oude Hervormde Kerk zóó niet langer gaat, wat haar uitwendigen openbaringsvorm betreft, die trouwens met haar innerlijk leven nauw vervlochten is.
De fout ligt hierin, dat men krampachtig heeft willen bestendigen wat als administratieve regeling veelszins schitterend, doch als kerkorganisatie geheel inadaequaat, d.w.z. in het geheel niet voor de Kerk passend, moet worden geacht. Immers, zij miskent het wezen en de wezenlijke behoeften der Kerk ; en in plaats van haar in staat te stellen zich als zoodanig te openbaren, naar den wil van God, in gehoorzaamheid aan Christus, als haar eenig Hoofd en zoo de haar opgelegde taak te vervullen, staat de bestaande regeling op allerlei manier zeer hinderlijk in den weg. In verband hiermede is dan ook meer en meer gebleken, dat voor een nieuwen tijd met nieuwe, positieve inzichten omtrent het wezen en de bedoeling der Kerk van. Christus, de oude regeling een juk is.
Dit maandblad is het orgaan van het Nederlandsch Hervormd Verbond, dat streeft in de eerste plaats naar Kerkherstel ; naar een reorganisatie van onze Ned. Hervormde Kerk volgens de grondlijnen van het in Januari j.J. door de Haagsche Synode verworpen Reorganisatierapport 1929. Voorts wil het Hervormd Verbond trachten weg te nemen alle wantrouwen, dat thans nog maar al te veel voorkomt onder en van elkander verwijderd houdt zoovelen, die denzelfden Middelaar Gods en der menschen als het middelpunt van geloof en leven erkennen. Daar is zooveel wantrouwen, dat op misverstand berust ; wij willen echter trachten die schaduwen met vereende krachten te verdrijven. Dat er verschillende schakeeringen zijn onder de Christusbelijders, mag ons nooit verhinderen om er naar te streven het Kerkideaal met vereende krachten ook in de aloude Kerk der Vaderen te verwezenlijken".
De Christen en de dienstplicht.
De Christen mag in den oorlog nooit iets anders zien dan één van de vreeselijkste rampen, die de menschheid kunnen overkomen ; een oordeel Gods, waarmede Hij de zondige wereld bezoekt. Wanneer men denkt aan de ontzettende gevolgen van den oorlog : verlies van menschenlevens, verwoesting van levensgeluk, lichamelijke verminkingen, stoffelijke schade, maar vooral zedelijke schade — dan kan men in den oorlog niets anders zien dan iets allervreeselijkst, dat men van God moet afbidden en met alle mogelijke geoorloofde middelen moet tegenhouden. Zooveel in ons aller vermogen is moet gedaan worden om oor logen te voorkomen en gebeden moet worden, dat de regeerders der volkeren zóó bezield mogen worden, dat zij den oorlog mijden tot het uiterste.
Verheerlijking van den oorlog is op christelijk standpunt ten eenenmale onmogelijk. Het moet ook niet in die richting gedreven vworden. Wie zich op ongeloovig evolutiestandpunt stelt, kan in den oorlog iets goeds zien ; voor hem is de oorlog eene noodzakelijke openbaring van den drang naar selectie, waardoor de volkeren, die zwak zijn, verdwijnen en de krachtige alleen overblijven. En zoo moet er komen een geslacht, ook een volkerencomplex, van de besten uit de besten, van de sterksten uit de sterken. Het recht moet vertrapt, opdat de brute kracht heerschen kan en de kleinere volken moeten van den aardbodem verdwijnen ; voor hen is eenvoudig geen plaats !
De Christen staat geheel anders tegenover den oorlog. Het is een oordeel Gods, een bezoeking, een vreeselijk ding. De laatste oorlog, 1914—1918, met den gruwelijken nasleep, heeft het ons bij vernieuwing geleerd, op de schrikkelijkste manier. En geen Christen mag doen alsof het hem niet aangaat ! Daarom moet ook de vredesbeweging alom worden gesteund, nationaal en internationaal.
Maar nu ontstaat er verschil van meening zoodra wij gaan overwegen welke de beste weg is om er voor bewaard te worden. Dan zijn er die zeggen : onmiddellijke afschaffing van leger en vloot ; onmiddellijke algeheele nationale ontwapening. Geen soldaat - en geen matroos, geen cent en geen man !
Als de vloot, als het leger weg is, als er geen soldaten en geen matrozen zijn, dan komt er ook geen oorlog — zegt men.
, , Deze kinderlijke opvatting heb ik" — zegt prof. Eerdmans in zijn lezenswaardige brochure : „Christendom en Ontwapening" — „ten onzent.verdedigd gezien door menschen, die allang geen kinderen meer waren, doch die er blijkbaar zelf zoo gelukkig mee waren , , als een kind". „Of het zuivere onnoozelheid was, waag ik te betwijfelen" — zoo vervolgt de moderne theoloog Eerdmans, daarbij z'n pijlen richtend tegen menschen als prof. Heering, eveneens modern theoloog, die z'n boek schreef : „De Zondeval van het Christendom", waarin een indirecte aansporing tot dienstweigering als eisch van het Christelijk geweten, voorkomt; zelfs met aansturing op massale dienstweigering bij oorlogsgevaar, (bladz. 330).
Prof. Heering zegt, dat de zondeval van het Christendom heeft plaats gehad in de dagen van Constantijn den Groote, toen 't Christendom staatsgodsdienst werd. Toen heeft het den oorlog geduld, maar in het Nieuwe Testament is het een godsdienst van vrede, die alle geweld buiten sluit en niets van den oorlog weten wil.
Wat is het toch jammer, dat men altijd zoo gaat doordraven, waardoor men op een geheel ander punt uitkomt dan waar men zijn moet.
Want dat gesproken en geschreven wordt over den oorlog als een vreeselijk ding, als een oordeel Gods, tegen welke verschrikkelijke zaak de vorsten en de volkeren — vooral de leidslieden des volks — alles moeten doen wat ze maar eenigszins kunnen, om den oorlog te voorkomen en te verhinderen, dat is uitnemend.
Maar om nu tot dienstweigering aan te sporen, om te zeggen dat er geen leger en vloot moet zijn, is fataal. En om te zeggen, dat het Christendom van den beginne af aan geleerd heeft, dat we geen zwaard mogen dragen, dat we ons land en volk niet hebben te beschermen, dat er geen militairen mogen zijn, dat er geen oorlog mag wezen, ziet, dat is bezijden de waarheid.
Waar heeft Johannes de Dooper den militairen stand veroordeeld en waar heeft Jezus geleerd dat de soldaten hun beroep moesten verlaten en hun zwaard wegwerpen ?
Tot persoonlijke ontwapening hebben noch Johannes de Dooper, noch de Heiland, noch Petrus (bij Cornelius), noch Paulus, noch iemand anders ooit vermaand.
En als er van de Overheid sprake is, dan is er van de Overheid sprake als dragende het zwaard, om te beschermen de goeden en te wederstaan en te straffen de kwaaddoeners, binnen en buiten de grenzen. De Overheid moet er zijn om land en volk te besturen, te regeeren, te bevestigen en de onderdanen zijn geroepen de Overheid te helpen en bij te staan. Ook de krijgsdienst is daartoe noodig.
Maar niet om den oorlog te zoeken.
Veeleer om den oorlog te voorkomen.
In den eersten brief van Clemens aan de Corinthen, hoofdstuk 3 vers 7, lezen we : „Laat ons letten op hen, die voor hunne vorsten krijgsdienst verrichten, hoe ordelijk, hoe gewillig, hoe gehoorzaam zij de orders uitvoeren". En dan worden aan de Christenen de soldaten ten voorbeeld gesteld in het gehoorzaam zijn van de Overheid en in het doen van den dienst voor volk en vaderland.
Trouw te zijn, óók in den krijgsdienst, is een roeping Gods en Christenplicht.
Vreest God, eert den Koning !
Waarbij wij den Heere bidden, ons voor den oorlog te bewaren en den Overheden toeroepen : waakt met ons en ijvert voor den vrede!
Dat moeten de Christenen nationaal èn internationaal zoeken te bevorderen in den ordelijken weg, opdat we bewaard mogen worden door Gods genade voor die vreeselijke bezoeking van den oorlog.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's