De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geestelijke opbouw

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestelijke opbouw

De Christelijke Ethiek

9 minuten leestijd

De Christ-geloovige, die lust heeft in de practijk der godzaligheid, om Gode te leven uit dankbaarheid, weet zich aan Gods Woord gebonden. De liefdedienst der vromen is volstrekt niet een vrij en ongebonden leven, in den zin, dat men eigen lust zuu mogen volgen. De lust des harten, in den weg van den verborgen omgang met God, zal juist altijd zijn, om Gods Woord te onderzoeken en schriftuurlijk te leven. „En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer ! mijn oog verlicht, de nevels op doe klaren ; dat mijne ziel de wondren zie en eer, die in Uw hart alom zich openbaren". (Ps. 119). Te blijven bij de Woorden Gods is de voorwaarde voor het mogen blijven in Christus (joh. 15). De mensch Gods looft het en dankt er z'n Heiland voor, wanneer hij van kindsaf in de Schriften is onderwezen. En de Sadduceërs, maar ook de Emmaüsgangers (zij 't in onderscheiden zin) worden door den Heiland bestraft, wanneer zij weigeren naar de Schriften te luisteren en zich daaraan, te houden met geheel hun hart en met hun verstand. Droefheid hebben Gods kinderen, wanneer zij buiten Gods Woord om leven en Gods Woord loslaten bij hun gaan en staan. „Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond, dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren ! Ai ! zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond, want hij volhardt naar Uw geboon te hooren" (Psalm 119 vers 88).
Wie daar de hand mee licht, dat we gebonden zijn als geestelijke menschen aan Gods Woord en Gods inzettingen, licht ook de hand met de vroomheid en met de practijk der godzaligheid. Voor de discipelen bidt de Heiland, dat de Vader hen beware bij Zijn Woord (Joh. 17). En Petrus vermaant, dat de heiligen zullen wandelen in gehoorzaamheid, naar het Woord, dat eeuwig blijft en niet vergaat en — zegt hij — onder u gepredikt is (1 Petrus 1). Wat wijsheid houdt de mensch over, wanneer hij Gods Wet en Waarheid verwerpt ? Hij begeeft zich dan tot allerlei zondige dwaaslieden en dwaze zondige practijken gelijk het leven der wereld elk oogenblik bewijst, en gelijk ook Gods kinderen bewijzen, wanneer zij „los van het Woord" leven. Of we „Ethisch" of „Gereformeerd" zijn, of we bij „Jeruël" hooren of „Luthersch" zijn of wat ook — maar als Christenen zijn we gebonden aan Gods Woord en past het ons, het juk van Christus op ons nemend, met-begeerte des harten te leven bij Gods Waarheid, in de Schriften geopenbaard. Alle „eigenwillige godsdienst" is van God veroordeeld en het leven der geloovigen zal moeten worden gericht naar Gods Getuigenis, dat eeuwig zeker is en eenvoudigen de ware wijsheid leert.
Nu hebben we al er op gewezen, dat we in onzen Bijtel de dingen maar niet zoo, zonder moeite, stuk voor stuk kunnen vinden. De dingen liggen maar niet „klaar" voor ons. We moeten Schrift met Schrift vergelijken en moeizaam de Schriften onderzoeken. Daarbij kan ons zekerlijk dienen wat in den loop der tijden door de Kerk van Christus uit de Schriften is voortgebracht en als oude en nieuwe schatten aan het geslacht der menschen is voorgezet. Onze kerkelijke belijdenisschriften kunnen ons daarbij goede diensten bewijzen. Onze Catechismus is een prachtboek, een waar Godsgeschenk, door den Heiligen Geest toebereid voor Christus' Kerk. Ook wat door godzalige menschen geleerd, geschreven, verklaard, verdedigd en verbreid is, kan ons tot groot nut en rijken zegen zijn voor ons geloof en voor ons 'even. Maar — geen menschelijk geschrift mag met Gods Woord gelijk gesteld, nog minder boven Gods Woord geprezen wor­ den. Alleen Gods Woord is waarachtig en eeuwig zeker, ook voor de eenvoudigsten een gids ten leven, een lamp voor den voet en een licht op het pad. Die uit God geboren zijn, de menschen Gods (2 Tim. 3) bekennen dat geduriglijk, dat het Woord aes Heeren onuitputtelijk rijk is en alleen veilig doet wandelen. De Heilige Schrift met heilig zelf-getuigenis herinnert er jongen en ouden, die hun Schepper en Maker liefhebben, telkens aan, dat ze Gods Waarheid zullen onderzoeken en beleven. Waarmede zal de jongeling zijn pad, te midden van de ijdelheden en verzoekingen, rein bewaren ? Immers alleen wanneer hij zich houdt aan Gods Woord ! En dat geldt waarlijk niet alleen voor jongelingen, in de crisis-jaren, maar voor allen, jongen en ouden, mannen en vrouwen, ouders en kinderen, rijken en armen, werkgevers en werknemers, koningen en onderdanen, in Kerk, gezin, school, maatschappij en Staat. Overal moeten we gedragen worden door het heilig begeeren God te mogen dienen naar Zijn Woord.
De objectieve waarheid der Godsopenbaring kunnen we niet missen. God is toch onze Schepper. Hij is het toch, die alles gemaakt heeft. Hij onderhoudt alles. Alles is Zijn wettig eigendom. Met al de scheppingsschatten en al de scheppingskrachten heeft de mensch God te dienen, zooals de Heere Zelf gediend wil worden. En Zijn wil en wet en waarheid heeft Hij ons geopenbaard, te midden van een zondige wereld, in Zijn Woord. Een Christen kan en mag en wil niet anders dan met alles voor Gods aangezicht ingaan en in alles God dienen.
Maar, nog eens, dan ligt alles maar niet „klaar" voor ons op de bladzijden der Heilige Schrift. Zooals het goud uit de diepten der aarde, de parel van den bodem der zee moet worden opgegraven en opgehaald, met inspanning van alle krachten en met veel wijsheid en volharding — zóó moeten (bij vergelijking gesproken) de waarheden Gods uit Zijn Woord worden opgegraven, met lust en ijver, biddend en heilbegeerig, volhardend en getrouw de Schriften onderzoekend.
En dan grijpen we maar niet willekeurig naar een tekst uit Genesis of Leviticus ; naar een woord uit Deuteronomium of uit de godsspraken van Jesaja of Habakuk. Dan doen we maar niet, alsof Exodus en de Handelingen der Apostelen, of het boek Ruth en de brief aan de Romeinen allemaal evengelijk zijn, wat tijd en waarde en beteekenis voor ons betreft. Want als de Geest ons doet opmerken, wat God ons te zeggen heeft, dan wordt de vinger gelegd bij het eene, zoowel als bij het andere en hooren dan de Geest zeggen : „God voortijds vele malen en op velerlei wijzen tot de Vaderen gesproken hebbend door de Profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon" (Hebr. 1 : 1). En dan aanbidden we den Heere in Zijn veelvuldige wijsheid en we bewonderen de veelvuldige openbaring des Heeren en we merken op de wondere gangen van Gods Koninkrijk, bij Adam en Eva, bij Henoch en Noach, bij Abraham, Izaak en Jacob, bij Mozes en Samuel, David en Hiskia — bij Israël voor en tijdens en na de ballingschap — in de dagen van Johannes den Dooper en tijdens de omwandeling van den Heiland op aarde — in de dagen van Paulus en van de eerste Christengemeenten in Jeruzalem, Klein-Azië, Griekenland, Rome — en het is alles één openbaring van een en denzelfden God, in de openbaring van één Koninkrijk, langs den weg van Wet en Evangelie — maar vele malen en op velerlei wijze is de openbaring gekomen eertijds, om nu op 't hoogst onder ons gevonden te worden in deze laatste bedeeling, die aan de openbaring van het eeuwig Koninkrijk in heerlijkheid voorafgaat.
Dezelfde God had iets anders te zeggen aan Noach — aan de patriarchen — aan Samuel — aan Israël onder de Oude Bedeeling, dan nu aan Zijn Kerk onder alle volkeren verspreid, hebbende het volle getuigenis der Waarheid. Van het eenvoudigste, van het meest primitieve klimt het op tot het hoogste en heerlijkste.
Geen gezichten, droomen, visioenen, verschijningen van Engelen enz. nu meer. Niet, omdat God veranderd is of de Engelen veranderd zijn, maar nu is de Heilige Geest uitgestort en het Woord is onder ons brandend als een licht op den kandelaar, om te beschijnen alles wat in het huis is.
Nu geen volk van Israël meer tusschen en afgescheiden van de andere volkeren, waarbij getuigd moet wórden, dat God aan Israël Zijn woorden bekend rnaakt, zooals Hij het aan geen volk deed. Want nu is de Kerk des Heeren universeel en uitgeplant onder alle volkeren. En nu krijgen we geen nieuwen of derden openbaringsvorm meer ; met de Oude Bedeeling en met de Nieuwe Bedeeling is de bijzondere openbaring Gods nu afgesloten in Zijn Woord en het wacht nu op het einde, , met den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, wanneer God zal zijn alles in al de Zijnen, die de verschijning van Jezus Christus hebben liefgehad ! Die groote wedergeboorte is nu aanstaande en wordt door den Heiligen Geest toebereid, Gode tot eere en gansch Sion tot zaligheid.
Het klakkeloos en gedachteloos overnemen van wat het boek Leviticus enz. bracht aan Israël, in burgerlijke en ceremoniëelt wetten enz., kan niet geprezen worden door een Christen, die waarlijk de Schriften onderzoekt en in de ontdekking aan de wonderen van Gods Woord en Waarheid, deel mag hebben. Die weet van dingen die zijn voorbij gegaan en roemt in dingen die nieuw geworden zijn. En het Nieuwe Verbond is beter dan het Oude 1 Johannes de Dooper of Samuel, Paulus of David — daar is naar Gods wonder bestel groot onderscheid tusschen.
Dat is geen gemakkelijk werk om waarlijk te onderscheiden de voortgaande en opklimmende openbaring van Gods Waarheid in de Schriften. Daar mag wel om verlichte oogen worden gebeden en om een nieuw, heilbegeerig hart. Dan zal het Oude Verbond niet worden veracht, maar het Nieuwe Verbond worden gekend als heerlijker en beter. Om als kinderen des Verbonds dan te wandelen in den weg der godzaligheid naar de Schriften. Het behoort tot de rijkdommen van de Godsopenbaring aan Zijn Kerk der Oude-en Nieuwe Bedeeling, dat het een opgaand licht is, opklimmend tot de heerlijkste hoogte nu Hij tot ons gesproken heeft door den Zoon. Voor de Wet was het Evangelie — want het komt voort uit Gods eeuwigen vrederaad — en de Wet wordt weer gebruikt om het Evangelie voor te bereiden tot de volle openbaring in Christus.
Om in dat licht het licht te mogen zien, doet veilig wandelen.
Dan komen de kringen van onze menschelijke samenleving ook onder het rechte licht te staan, zooals God het nu, in dezen tegenwoordigen tijd, wil.
Dan krijgen we de rechte beschouwing, bij Nieuw-Testamentisch licht, op het gezin, op de Kerk, op de school, op de maatschappij, op den Staat.
Dan worden de sociale belangen gevoeld en gekend en in het bedrijf en beroep, in het gezellig verkeer en in het spel, wordt begeerd de christelijke beginselen hoog te houden, naar Gods Woord. Dan spreken we over Vaderland en Vorstenhuis, over oorlog en vrede, over straf en gerechtigheid, naar Gods Woord. En onze Christelijke levens-en wereldbeschouwing wordt uitgedragen en toegepast op alle terreinen des levens, in alle levensfuncties, begeerende door Christus te mogen leven en to^ zegen te mogen zijn voor onzen naaste.

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Geestelijke opbouw

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's