STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Geen weerloosheid.
Van allen kant wordt op dit oogenblik door de tegenstanders van het vlootplan van den Minister van Defensie samengespannen om de publieke opinie zóó te beïnvloeden en te bewerken, dat er door middel van het bekende petitionnement een machtig geluid tot de Staten-Generaal uitgaat om het wetsontwerp, waarbij de eerste termijn voor den aanbouw van het groot-materiaal voor de vloot wordt aangevraagd, te verwerpen.
Communisten, Anarchisten, Socialisten, de mannen van „Kerk en Vrede", en eindelijk ook de Christelijke Democraten, scharen zich voor hunne actie schouder aan schouder om de regeering datgene te weigeren, wat deze voor de veiligheid van het Rijk, voor de handhaving van de neutraliteit en voor het behoud van de zelfstandigheid van het land noodig acht.
Opmerkelijk is het in het optreden van al deze politieke partijen, dus ook in de actie van hen, die zeggen de rechtzinnige beginselen te zijn toegedaan en die verklaren, voor hunne belijdenis te staan op den bodem van Gods Woord, dat het bij al deze groepen eigenlijk niet gaat tegen het vlootplan als zoodanig, maar tegen de weermacht, welke de rechten en vrijheden van ons volk zal hebben te verdedigen.
Het vlootplan is de stormram om de weermacht van haar plaats te verdringen en ten slotte op te ruimen.
Men is ontwapenaar en gebruikt het vlootplan als agitatiemiddel om zijn beginsel van weerloosheid te doen triumfeeren.
Het gaat niet allereerst om het vlootplan, want stel, de Tweede Kamer zou het wetsontwerp van Minister Deckers verwerpen, dan veranderde dit in den toestand niets, immers dan ging de vlootbouw toch op de gewone wijze voort, alleen zou de aanbouw van schepen jaarlijks iets meer kosten, dan bij het vlootplan wordt gevraagd.
Jaar op jaar is toch op de defensie-begrooting ten behoeve van nieuwbouw ruim 10 millioen gulden aangevraagd en ook toegestaan geworden, zonder dat dit ooit tot eenige demonstratie heeft aanleiding gegeven.
De opzet van de actie van de gezamenlijke groepen der anti-militairisten gaat dus in den grond der zaak niet tegen de voorstellen der regeering, maar heeft de bedoeling om het vraagstuk der eenzijdige, nationale ontwapening, door daarvoor een grooter deel van het volk te interèsseeren, een stap nader tot zijn oplossing te brengen.
Dit zien wij ook duidelijk uitgesproken in het adres, dat dezer dagen door het hoofdbestuur van de Christelijk-Democratische Unie aan den Ministerraad werd toe gezonden.
Daarin heet het:
Onze Christelijk-Democratische Unie staat op het standpunt, dat het geweten van den mensch, voor wien het volgen van Christus en het handelen naar zijn woord en geest welbewust doel en streven van het leven is geworden, hem verbiedt den oorlog en het militairisme — in welken vorm ook — te aanvaarden als middel tot handhavmg van recht en onafhankelijkheid."
Na hetgeen op zoo uitnemende wijze de vorige week onder de rubriek „Kerkelijke Rondschouw" over „De Christen-en de dienstplicht" geschreven werd, hoeven we thans op het betoog van het hoofdbestuur van de Christelijk-Democratische Unie, n.l. dat het volgen van Christus en het handelen naar Zijn Woord en Geest verbiedt een weermacht te bezitten (weermacht is bij de anti-militairisten synoniem met militairisme) als middel tot handhaving van recht en onafhankelijkheid, niet nader meer in te gaan.
Wij lieten den passus uit het adres alleen hierboven afdrukken om als bewijs te dienen van wat wij opmerkten, dat het bij de bestrijders van het vlootplan niet om het vlootplan zelve gaat, maar om zieltjes te winnen voor het beginsel der weerloosheid.
Is uit dien hoofde de passus uit het adres belangrijk, omdat daaruit de mentaliteit (geestesgesteldheid) der Christelijk-Democraten spreekt, er is nog een zinsnede in het adres, welke de moeite waard is om er iets over te zeggen.
Wij bedoelen de zinsnede, die luidt :
»Daar tot ons de geweldige eisch komt: „Een iegelijk die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid", kunnen wij onmogelijk de verantwoordelijkheid dragen voor ongerechtigheden, die de moderne oorlog — ook al zou deze inderdaad een verdedigingsoorlog zijn — onvermijdelijk met zich brengt«.
Ook nu laten wij den principiëelen kant van het vraagstuk der weerloosheid, als voldoende bekend, rusten. Wij willen alleen iets zeggen over dat „dragen van de verantwoordelijkheid", waarvan het adres gewaagt.
Het is bij een ieder, die de eenzijdige nationale ontwapening verdedigt, schering en inslag, dat Nederland zich behoort te ontwapenen teneinde buiten den oorlog te blijven. Men wil de verantwoordelijkheid niet dragen voor de ongerechtigheden, die de moderne oorlog met zijn gifgassen en springstoffen onvermijdelijk met zich brengt
Doch als het dan een feit is, dat bij ontwapening de kans, om in den oorlog betrokken te worden, grooter is dan bij het behoud van een weermacht, staan juist de ontwapenaars er voor verantwoordelijk, wanneer de oorlog, ten gevolge van de weerloosheid, zich binnen onze grenzen ontketent.
Eenzijdige, nationale ontwapening brengt de veiligheid van het land in gevaar en maakt de kans grooter om bij een Europeesch conflict in den oorlog te worden betrokken.
Om dit te begrijpen, moet men zich rekenschap geven van de ligging van Nederland te midden van Duitschland, België, Frankrijk en Engeland.
Regel is 't, dat de oorlogvoerende machten steeds zoeken den oorlog buiten eigen territoir te houden vanwege de ellende, welke bijzonder voor de burgerbevolking aan den oorlog verbonden is en wegens de ontzettend groote schade, welke door den oorlog aan de eigendommen wordt toegebracht.
Tal van bewijzen uit de krijgsgeschiedenis zouden dit kunnen staven.
Staan nu onze grenzen open, dan wordt Nederland het operatie-terrein van de vijandelijke legers.
Dit is zoo duidelijk, dat zelfs mr. Troelstra op dit gevaar destijds de aandacht vestigde, toen hij zeide : »dat het onverdedigd zijn van Nederland, de oorlogvoerenden in de noodzakelijkheid brengt Nederland te bezetten en het als oorlogsterrein te gebruiken. En het was niemand minder dan professor Van Emden, thans het anti-militairistische Eerste Kamer-lid, die in 1923 zich als volgt uitliet: »Volmaakte weerloosheid is bijna een uitnoodiging : „kom binnen*.
Nu kan men tegenwoordig wel anders redeneeren, maar daarmede is de ligging van Nederland niet gewijzigd en het gevaar, dat dreigt, niet bezworen.
Een beroep op Denemarken, dat zich zal gaan ontwapenen, heeft hier geen zin, omdat Denemarken niet in, maar buiten het centrum ligt der Europeesche grootmachten.
Ons land zou zonder twijfel in 1914 bezet zijn geworden, wanneer 't toen geen weermacht had gehad, of die weermacht niet paraat ware geweest.
Was Nederland in 1914 ontwapend geweest, dan zou het in de ellende van den oorlog zijn gekomen. De. gifgassen en de springstoffen hadden dan dood en verderf onder ons volk gebracht; de eigendommen zouden zijn vernield geworden en de bodem zijn gedrenkt door het bloed van het Nederlandsche volk.
Eenzijdige, nationale ontwapening is daarom een onnut instrument om ons volk buiten den oorlog te houden.
.Zij, die zulk eene ontwapening voorstaan, dragen daarom de verantwoordelijkheid voor de ongerechtigheden, welke bij weerloosheid de moderne oorlog over ons volk brengen zal.»
Het is dus juist andersom als de Christelijk-Democratische Unie in haar adres beweert.
Wij wilden dit in deze dagen van actie voor de ontwapening nog eens duidelijk uiteenzetten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's