INGEZONDEN
Hooggeachte Redactie,
Mag ik u beleefd verzoeken om eenige plaatsruimte voor het navolgende ? Bij voorbaat hartelijk dank.
„Het is H.H. Predikanten waarschijnlijk bekend, dat ondergeteekende de Evangelisatie op Gereformeerden grondslag te Oudenhoorn sedert 15 Mei van dit jaar als voorganger dient. Deze arbeid omvat naast de gewone herderlijke taak de prediking des Woords des Zondags om de 14 dagen. Het is ons nu reeds herhaaldelijk gebleken dat Predikanten, die onze lijst hadden geteekend voor die Zondagen dat ik niet onze Evangelisatie voorga, in de meening verkeerden dat door mij alle diensten werden waargenomen, wat tot gevolg heeft gehad dat wij reeds ettelijke malen voor die vrije Zondagen werden teleurgesteld. Het zij mij vergund daarop nog eens goeden nadruk te leggen en neem deze gelegenheid gaarne te baat om H.H. Predikanten vriendelijk op te wekken onzen toch zeer belangrijken kring — wij hebben des Zondags plm. 450 hoorders in ons lokaal — met hunne zeer gewaardeerde diensten terzijde te staan".
Hoogachtend,
Uw dw. dnr.,
A. J. DEKKER.
Hillegersberg.
Kerkeraad of Kiescollege ?
Mijnheer de Redacteur,
In het nummer van vorige week wijst u op de activiteit van de Vrijzinnig-Hervormden alhier, onder aanvoering van ds. Bloemhof, wat me naar de pen doet grijpen. U haalt dit aan als voorbeeld voor de orthodoxen in moderne gemeenten. Voor de orthodoxen in het algemeen, dus Ethischen, Confessioneelen en Gereformeerde Bonders. Het is waar, M. de R., als we onder den druk zitten van de Vrijzinnigen, is er slechts sprake van orthodoxen en vechten we voor één doel, schouder aan schouder. Het is beter alls we in dagen van voorspoed dien band gevoelen en dan niet elkaar verdringen, zooals het dikwijls gaat.
Het is inderdaad telkenmale duidelijk en klaar uiteengezet in „De Waarheidsvriend" : De Vrijzinnigen hooren in onze Kerk niet thuis.
Wat moet het ons als orthodoxen aaneensluiten, zouden we zoo zeggen, in een plaats als Hillegersberg, waar de Vrijzinnigen hand over hand toenemen. Laten we hopen, dat onze plaats tot de uitzonderingen behoort, doch er is hier van een saamhoorigheidsgevoel onder de rechtzinnigen geen sprake. Jammer, nu door verschillende vooraanstaande persoonlijkheden van de drie rechtzinnige richtingen zoo éénparig wordt gestreden voor Kerkherstel (Nederlandsch Hervormd Verbond tot Kerkherstel) dat in plaatsen als Hillegersberg zulk een spraakverwarring heerscht. We zuchten hier werkelijk onder de Confessioneele zweep. Niet alleen, dat de Conrfessioneele Kerkeraad geen Bondspredikant in de tweede predikantsplaats wenschte te beroepen ; ook nu bij de Kerkeraadsuitbreiding wenschte men zelfs niet één lid er bij, behoorend tot den Gereformeerden Bond.
Door het bestuur van de afdeeling is alles geprobeerd om tot overeenstemming te komen met den Kerkeraad, om straks tegenover de Vrijzinnigen als één man te kunnen stemmen vóór Kerkeraad. Het aankloppen is echter vergeefsch geweest. Men, toont niet de minste toenadering en stoot ons bij voortduring maar weer af.
Wat rest ons nu anders om straks te gaan werken en stemmen voor Kiescollege ?
Het eigenaardige en gelukkig zeldzame zal hiear straks te zien zijn, dat tegen het Confessioneele blok optrekken èn Gereformeerde Bonders èn Ethischen èn Vrijzinnigen.
Het zou zoo anders kunnen en moeten in onze sterk groeiende plaats, waar de Vrijzinnigen een bolwerk gaan vormen. :
De Kerkeraad zal zijn houding te laat betreuren. !
U, Mijnheer de Redacteur, dank ik voor de verleende plaatsruimte.
Met hoogachting en broedergroet,
P. J. VAN DEN AKKER,
Voorz. afd. Hillegersberg.
Mijnheer de Redacteur,
Naar aanleiding van de vergadering, deze week te houden (nu reeds gehouden) van het Hervormd Verbond, zij het ons vergund eens te wijzen op feiten, die de oplossing van het kerkelijk vraagstuk in den weg staan en het steeds meer gecompliceerd maken.
Wat hier onderstaand geboden wordt, is een bouquet van minder welriekende bloemen ; het doel is evenwel niet uw kerkelijke reukorganen te prikkelen, integendeel, als ge uw neus hebt opgehaald, zult ge het er allen over eens zijn, hoe vruchtbaar een vergadering kan werken, waar ambtsbroeders van diverse pluimage met elkaar in aanraking komen. Zij er dan maar vee! gebed en drang des Geestes, , om elkaar te leeren verstaan en te leeren waardeeren. Niets is minder funest voor ons kerkelijk leven dan dat er onder de ambtsdragers, onzer Kerk een geest wordt waargenomen, waarbij men elkaar niet ,,au sérieux" neemt, waarbij men er op uit is, van elkaar en elkaars beginsel een karikatuurteekening te geven, die de meening moet suggereeren, dat „terwille van de smeer, de kat likt de candeleer !" Heusch, dat is ook een kwaad, dat gezien wordt onder de zon, en wij willen niet beweren, dat er niet van dezulken zijn ; een ieder onderzoeke zichzelf op dit punt.
Er kunnen dagen komen in ons leven, dat wij de toestanden in onze Kerk zien als één groot comediespel van den vorst der duisternis, dat wij het gevoel hebben alsof niemand meer medelijden heeft met haar gruis, dat 'haar wallen zijn doorgebroken en dat zij van de heidenen wordt vertreden.
Maar als het geloofsoog dan weer eens gericht wordt op den Koning der Kerk, die Zijn machtwoord sprak : „Ziet, Ik ben met ulieden, alle de dagen, tot aan de voleinding der wereld", dan gelooven wij toch weer dat de Heere ook Zijn Raad volvoert in en door de 'Hervormde Kerk, dat ook zij nog een roeping heeft te vervullen, dan geven wij de erve der vaderen nog niet prijs.
In de periodiek „Onder eigen Vaandel" (5de jaargang, no. 3, Juli 1930) 'bespreekt ds.Te Winkel, van Den Haag, een oplossing van het kerkelijk vraagstuk, zooals ds. Beversluis wil.
Ds. Beversluis noemt zelf zijn verhandeling : „een oplossing, die geen oplossing is". Ja, zoo is het, iedereen weet het en niemand weet het.
Heel juist typeert ds. Te Winkel deze oplossing als een verkeersvraagstuk.
Letterlijk schrijft hij : »Voor den een het middenpad en voor den ander de stoep en een derde mag dam aan de andere zijde op de stoep dwars in tegenovergestelde richting gaan. Tegen elkaar in. Met de mogelijkheid om onderweg een enkele mede te nemen, die van andere richting komt. En de besturen zijn dan niets anders dan verkeersagenten.
De Kerk wordt straat. Niets meer. En ieder kan daarop loopen in eigen richting. Alle Kerkidee is hier met voeten getreden. De Kerk is opgelost in een aantal groepen, die heel gemakkelijk zich op afscheiding kunnen voorbereiden.
Wij zijn het met bovenaangehaald citaat roerend eens ; alleen zouden we willen vragen : Moet het woordje „wordt" niet vervangen worden door „is" ? Wat bijvoorbeeld te zeggen van toestanden, zooals men die vindt in de kerkelijke gemeente te Hilversum ? Sinds 1891 wordt daar Zondag aan Zondag 's morgens kerk gehouden in de „Evangelisatie", waar Ethische predikanten optreden. Aanvankelijk gericht tegen de prediking van de plaatselijke predikanten, die of Gereformeerd óf Confessioneel waren, is daarin nu «enige wijziging gekomen. Nu van de vier plaatselijke predikanten er ook één behoort tot de Ethische richting, worden, zoo nu en dan de vier plaatselijke predikanten uitgenoodigd een stichtelijk woord in de Evangelisatie te spreken. Tot nog toe heeft de Gereformeerde Bondspredikant ds. Van Lokhorst aan deze uitnoodiging geen geihoor gegeven ; de beide Confessioneele predikanten, ds. Van Uchelen en ds. Hoekzema, wèl.
Maar wordt zoo de zaak in de Kerk niet op den kop gezet!? De menschen, die de Evangelisatie bezoeken, weigeren onder het wettig kerkelijk verband te leven en weigeren onder de ambtelijke bediening van het Woord te komen, en drie van de vier ambtsdragers gaan in eigen gemeente vóór in een niet ambtelijke samenkomst, want het toestuur van de Evangelisatie is geen deel van den Kerkeraad. Gaat men dezen weg op, dan wordt de Kerk geen straat, maar is alreede straat geworden en de Kerk wordt opgelost in een aantal groepen, die heel gemakkelijk zich op afscheiding kunnen voorbereiden.
Men had meer kerkelijk besef verwacht bij Confessioneele predikanten, die als het er op aankomt nog steviger in hun ambtelijke schoenen staan dan menige Bondsprédikant.
In „De Waarheidsvriend" van 3 October 1930 leest men onder de rubriek „Uit de Afdeelingen", dat in Haarlem zich zoo velen vestigen in de Chr. Gereformeerde Kerk. Ook dat is een wondeplek, die veel slachtoffers maakt onder onze eigen menschen. Wij hopen, dat vele Gereformeerde predikanten de palstaanders te Haarlem zullen bijstaan om de verschuiving tegen te gaan. Ook hier wordt weer een tekort geconstateerd aan kerkelijk besef.
Maar er kan ook een „overloopende maat" van kerkelijk besef zijn. In dezelfde „Waarheidsvriend" van 3 October adviseert A. G. Bruining, van Ter Apel, om de kerkdiensten te blijven 'bezoeken bij een modernen predikant. Hoe dat kan voor iemand, die belijdt, dat alleen de naam van onzen Heere Jezus Christus onder den hemel is gegeven tot zaligheid, is ons een raadsel! Gods Woord zegt ons duidelijk dat wie een ander Evangelie brengt, zij vervloekt. En zonder onder het oordeel van het Huis Gods weg te loopen, kan men zich toch nog wel vrijmaken van den vloek. Als een Evangelisatie in een moderne gemeente staat onder een Bestuur met gezond kerkelijke opvattingen, kan zij juist .de afscheiding tegengaan. Voorbeelden, die hier vóór pleiten, zijn meer aan te wijzen dan er tegen.
In de 's-Gravenhaagsche Kerkbode van 23 Augustus 1930 schrijft ds. L. J. van Leeuwen over „De onthulling van het Jan de Bakkerraam". De volgende woorden vloeien uit zijn literaire pen : „Ds. de Bie was in z'n kracht. Historiekenner als weinigen. (Waarom heeft men zich nooit tot de hoogte van onpartijdigheid kunnen opwerken om dien man een professoraat aan te bieden !)" Ja, dat komt meer voor in ons lieve vaderland, 't gaat hier om de woorden, tusschen de haakjes geplaatst. En ook wij zeggen : dat is altijd jammer geweest. Een variatie op een gedicht van de Genestet luidt: „Partijdigheid schuilt overal, mijn vrinden I" Bilderdijk. Da Costa, Groen v. Prinsterer, hebben het ondervonden van de verdraagzame liberalen. Kromsigt, Severijn e.a. van de verdraagzame Vrijzinnigen en Ethischen. Was het met prof. Haitjema ook niet op 't kantje af? Maar a propos, kon ds. Van Leeuwen zich zelf wel tot de hoogte van die hooggeroemde onpartijdigheid opwerken, om in Hilversum en Haarlem een Gereformeerde Bondspredikant mee te helpen beroepen ? Of zijn dat allemaal zulke onwetenschappelijke menschen ? ! Woord en daad, ja, daar ligt wel eens een moeilijk te begane weg tusschen.
Nog niet zoo lang geleden voegde een Confessioneel predikant ons toe : „Jullie, Gereformeerde Bonders ! jullie hooren niet in onze Kerk . Wij hebben geantwoord : „Wat bedoelde Hoedemaker dan met : „Heel de Kerk en heel het volk?
„Jullie in geen geval
„Dank u. Ziet u, een dergelijke mentaliteit moet worden weggewerkt en wij hopen, dat het Hervormd Verbond tot Kerkherstel een poging zal zijn, om te bereiken dat Juda Efraïm niet meer benauwt, en Efraïm Juda niet meer benijdt.
EEN LEEK.
Hooggeachte Redacteur van „De Waarheidsvriend".
Naar aanleiding van den Open Brief van den heer Overbeeke verzoekt ondergeteekende nogmaals eenige ruimte in uw blad. Mij wordt gevraagd om verduidelijking van een en ander, en als u mij daartoe de gelegenheid geeft, dan wil ik daar gaarne aan voldoen. Bij voorbaat breng ik u daarvoor mijn dank.
Geachte Heer Overbeeke !
't Was mij zeer aangenaam te vernemen dat het onderwerp wat ik aanroerde van belangrijken aard wordt geacht. Want was ook ik daar van niet overtuigd, dan had ik gezwegen. Mijn betoog was in de eerste plaats gericht tot degenen, die een Evangelisatievereeniging willen oprichten, omdat ik weet, dat voorkomen beter en gemakkelijker is dan-genezen. Het is bekend, hoe moeilijk het is iets dat scheef en krom gegroeid is, wederom recht te krijgen. Doch men zegt ook : 't is beter ten halve gekeerd als ten heele gedwaald.
Nu spijt het mij, dat ik om de ruimte en des tijds wille beknopt moet zijn. Ik zal dus alleen op de hoofdzaak ingaan, temeer waar ik van meening ben als dat in orde is, al 't andere vanzelf een weg vindt. Hoe zit de zaak eigenlijk ? In geheel ons goede vaderland wonen rijke en arme menschen. Ook op geestelijk gebied is dat zoo in onze Ned. Hervormde Kerk. Nu doet het geval zich voor bij u en bij ons, en op meerdere plaatsen, dat de armen in de meerderheid zijn en zeggen : wij wenschen een predikant, die ons een Christus predikt naar onzen smaak, al is die dan ook niet naar de Schriften. Zij zoeken en vinden één, die daartoe genegen is. Wat is nu onze roeping tegen onze verarmde familie ? Want het is onze familie en ook zeer na verwant, (wij zijn immers in één en hetzelfde huis geboren, gedoopt en hebben daarin misschien belijdenis des geloofs afgelegd). Nu wordt gezegd : voor mij is het onmogelijk daar naar toe te gaan.
Ja, mijnheer Overbeeke, daar kunt u niet wat halen, daar moet u wat brengen, als u wat hebt. Maar is geven dan geen heerlijk werk ? Wat leert Gods Woord ons dat wij moeten doen met de talenten die ons gegeven zijn ? Ik veronderstel, u zult dit wel weten. Ja, zegt u misschien, maar die familie is zóó arm en daar bij zóó onwillig en brutaal. Maar mijnheer Overbeeke, wie zijn wij, en waar heeft ons de Heere gevonden en vindt Hij ons nog vaak ? Wat hebben wij ontvangen, dat wij niet van Hem hebben ontvangen ? Zij wij niet uit genade zalig geworden ? En nu is dit op geestelijk gebied zoo mooi : wij geven ons niet arm, — waar velen zich zoó bezorgd overmaken - —, doch als wij werkelijk rijk zijn, worden wij door ons geven nog rijker.-
Ik vraag nogmaals : wat is onze roeping tegenover onze verarmde familie ? Wij hebben te protesteeren en te getuigen. Wij hebben te protesteeren b.v. tegen den Kerkeraad, als die een predikant beroept die geen Christus der Schriften brengt. Wij hebben te protesteeren tegen den predikant, dat hij zijn roeping niet nakomt, als hij als Ned. Hervormd predikant ons den Christus der Schriften niet predikt. Wij hebben hem op zijn plicht te wijzen als htj Ned. Hervormd predikant wil zijn. Heeft hij geen zware taak op zich genomen als Ned. Hervormd predikant ? Is onze Ned. Hervormde Kerk geen belijdende Kerk, waarin de Christus der Schriften in het middelpunt staat, waar de leden, en inzonderheid ook de leeraars zich zedelijk aan te houden hebben ? Brengt onze hooggeachte redacteur ons dit niet gedurig onder de oogen ? „Ja" — zal er gezegd worden — „maar dat werk is zoo moeilijk en eischt zooveel wijsheid en geduld, en wie is tot deze dingen bekwaam ? Ondergeteekende het allerminst, doch als de liefde van Christus ons dringt zullen wij het niet kunnen laten. Laat ons gedenken, hoeveel geduld de Heere met ons heeft gehad en nóg heeft. En durven wij zeggen, op grond van Gods Woord, dat wij vrij van hen zijn, als wij hen links laten liggen ? Is het geen heerlijk werk, onze arme familie, die meent rijk en verrijkt te zijn en geens enigs gebrek te hebben, te wijzen op naar armoede en haar naaktheid, en haar onder 't oog te brengen dat geen eigen gemaakte Christus ons zal kunnen helpen, maar dat alléén een Christus der schriften ons kan dekken met den mantel der gerechtigheid is er geen blijdschap in de hemelen als één zondaar zich bekeert ? en wie ontkennen durft geen roeping te hebben voor zijn arme dwalende familie, maar in hoogmoed zegt : als zij wat hebben willen, moeten zij maar bij ons komen, is daarmede op grond van Gods Woord nog niet klaar. Hij zal met al deze dingen voor God moeten verschijnen. Dan zal het niet kunnen zijn, zooals eens een modern predikant tot mij sprak : „ik denk wel eens, zouden die orthodoxen eigenlijk wel meenen wat zij zeggen, dat wij met onze moderne prediking verloren zullen gaan. Als zij dat werkelijk geloofden, zouden zij onze menschen dan niet veel meer waarschuwen ? "
Als u uit mijn schrijven opmaakt dat ik tegen het oprichten van een Evangelisatievereeniging ben, dan is dit niet juist. Integendeel ben ik er van overtuigd dat een Evangelisatievereeniging veel goed werk kan doen. Maar dan moet zij evangeliseeren in de eerste plaats onder de armen, en moet het geval zich niet voordoen wat zich thans voordoet, dat een Evangelist al jaren in een moderne gemeente gewerkt heeft, maar nog nooit zijn voet bij een moderne over den drempel heeft gehad. Dan moet het geval zich niet voordoen, en dat doet zich voor, dat een Evangelist een overeenkomst sluit met den modernen predikant om geen bezoeken aï te leggen bij elkanders kerkgangers.
Geen kerkje in de Kerk stichten. Dan moet er niet gedankt worden als een Evangelisatievereeniging b.v. 50 jaar bestaan heeft, maar dan moest er volgens mijn bescheiden meening eerder geschreid worden. Maar wat hoort men thans ? " „'t Kan mij niet schelen of mijn naam op de kiezerslijst staat, want wij hebben 't hier immers goed". Is dit dan practisch niet juist, wat die predikant van de Afgescheiden Kerk tegen u opmerkte ? Een Evangelist kan ook wel veel nuttig werk doen als hij roeping gevoelt en geschikt is om huisbezoek te doen, te catechiseeren en ook, door Gods Woord te brengen, b.v. 's namiddags of 's avonds en ook wel in de week. Wat heil ik er in zie om toch deel te nemen aan de verkiezingen, als wij vooruit weten dat wij in de minderheid zijn ? Omdat ik in God geloof, die kan wat wij niet kunnen. In één woord : ik geloof in God, die wonderen gedaan heeft en nóg dagelijks doet, Wiens arm niet verkort is, die in het verleden de minderheid vaak de overwinning heeft gegeven en ook in staat is dat thans nog te doen. Maar dan moeten wij geen vleesch tot onzen arm stellen, maar moet onze hulpe en verwachting van den Heere alléén zijn. Dat het thans de tijd niet is, mogen wij niet zeggen. Lees daarover Haggaï maar eens of de Heere zich nog wel wil bemoeien met hen, die een armoedige opvoeding hebben genoten ? Gods Woord is daarover niet onduidelijk en ondergeteekende is daarvan een levend bewijs. Maar wèl stel ik mij de vraag : wordt er wel genoeg gebeden voor onze arme, afgedwaalde familie ? In de kerken, waar ze de verkondiging des Woords naar de Schriften hebben èn in de verschillende Evangelisaties ? Mij is bekend, dat een Evangelist eens gevraagd is : „Och, mijnheer, wilt u ook eens bidden, ja, geregeld bidden voor herstel van onze Ned. Hervormde Kerk ? " Ziet u, dat gevaar is juist zoo groot voor allen die des Zondags de arme moderne prediking niet hooren. Het is zoo juist, wat een Amsterdamsch predikant eens opmerkte : „Och ja, wij hebben het goed, en dan wordt de nood van de anderen zoo weinig gevoeld". En als er nu door de Evangelisatiemenschen gedankt wordt dat zij het zoo goed hebben ; zij hebben immers het ouderlijk huis verlaten en hebben een nieuw gebouw opgetrokken, waar zij zoo ongeveer doen en laten kunnen wat zij willen, omdat ze niet in Kerkverband zijn, ja mijnheer Overbeeke, dan denk ik wel eens: is het een wonder, dat er geen verandering komt ? Als wij met elkander ons eens nederwierpen voor den troon der genade, zou dan de Heere ons niet verhooren ? Lees daarvoor Zijn Woord, o.m. in Lukas 18 vs. 1—8. Maar daartoe komt een mensch niet eerder, of hij moet in nood zijn en gevoelen dat hij er zich wèl verder onder kan werken, maar dat de zaak hopeloos is als hij zich er zélf uit moet redden. Het staat er zoo juist in dat laatste gedeelte : „Zal de Zoon des menschen, als Hij komt, ook geloof vinden op de aarde ? "
Zie, mijnheer Overbeeke, daar komt het per slot van rekening op aan, en dat juist ontbreekt ons. Schenke de Heere ons dat geloof, dan is er ook toekomst voor onze Ned. Hervormde Evangelisatie. De Heere heeft onze Kerk nog niet verlaten, verlaten wij haar dan ook niet, in welken vorm dan ook. Was de vraag niet juist, die ik een afgescheiden broeder stelde, toen hij er over sprak, dat het toch jammer was dat b.v. in de plaats onzer inwoning drie kerken stonden, n.l. de Groote Kerk, de Afgescheiden Kerk en de Evangelisatie, die toch eigenlijk één moesten zijn omdat er volgens zijn meening dan veel meer kracht van zou uitgaan : „Maar vriend, wiens schuld is dat eigenlijk ? " Door zich af te scheiden, maken wij de zaak niet beter, want het is toch logisch, dat wij dan onzen invloed niet meer kunnen laten gelden.
Mijnheer Overbeeke, ik ben nog niet uitgepraat, maar ik moet eindigen. Dit zult u met mij eens zijn, dat niet ; Kaïn's geest, maar de Geest van Christus over ons moet heerschen.
Met broederlijke groeten, teeken ik hoogachtend,
A.G. BUINING.
Ter-Apel, Oct. 1930.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's