KERKELIJKE RONDSCHOUW
Een prachtige en, gezegende vergadering.
Ieder die er geweest is, op de eerste vergadering van het Nederlandsch Hervormd Verbond tot Kerkherstel (laten we den mooien naam toch altijd voluit schrijven en noemen !) zal moeten en zal willen getuigen : het was een pracht-vergadering en het was een gezegende vergadering !
De groote zaal van de Koopmansbeurs in het bekende Jaarbeursgebouw was tjokvol. De correspondent van „De Rotterdammer" heeft er goed aan gedaan, om dat eens extra te vermelden en er bij te vertellen, dat er geen stoelen genoeg konden worden aangedragen. Er moesten er nog staan en er gingen er ook in de gangpaden zitten en op 't podium. Dat is waarlijk iets dat van de grootste beteekenis is. Laten dan de hoog-wijze mannen in de duffe Synodezaal maar kakelen en bazelen, dat de zaak van de reorganisatie en de kwestie van het herstel der Ned. Hervormde Kerk niet leeft onder de menschen en in de gemeenten ; nu zijn ze gekomen uit Groningen en Friesland en Drenthe en alle provincies, uit de steden en van de dorpen, oudere en jongere predikanten, ouderlingen, diakenen, kerkvoogden, mannen en vrouwen, om ernstig, waardig, duidelijk te bewijzen, met woord en daad, dat het wél een zaak is die leeft in het midden der Kerk. En de honderden in de vergadering waren de vertegenwoordigers van de duizenden die overal wonen en met belangstelling deze dingen volgen.
Waar zóó de dingen staan, dat duizenden vragen, roepen, bidden om het herstel Nederlands Hervormde Kerk, opdat zij als belijdende Kerk, als Christus belijdende Kerk, zal uitkomen overal, in de prediking en in de Sacramentsbediening, daar kan het niet anders of dat moet ons aller harte diep ontroeren en het doet ons gelooven, dal een wolkje aan den ; hemel zich vertoont, dat de boodschapper is van milden regen en rijken zegen.
Heel de vergadering stond in het teeken — neen ! niet van „de Vrijzinnigen moeten er uit Gelukkig niet!
Niet negatief, maar positief was heel de geste, heel de beweging, zoowel het gebed als het lied en het woord, dat door velen gesproken is.
Niet tegen personen ging het.
Maar het ging om het belijdend karakter van de Kerk van Christus.
In de Hervormde Kerk staat het niet zoo, dat ieder wat „doet aan godsdienst", zooals deze wat doet aan muziek en een ander aan sport, enz. Dan is het een soort persoonlijke liefhebberij of liefhebberij van een kring of van een partij of van een groep.
Maar we „doen" niet „aan godsdienst" in de Kerk. Neen, in de Kerk van Christus moet het uitkomen dat ons iets van God gegeven is, dat God ons Zijn Christus heeft gegeven en dat we — zal 't goed zijn — gegrepen, overweldigd zijn door Gods Woord en door Gods Geest en dat we niets anders wenschen te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd.
Dan zal er velerlei schakeering zijn. Dat moeten we eerbiedigen. Maar in het ons van God gegevene, in Jezus Christus en dien gekruisigd, zullen we het wezen van de Kerk des Heeren, van de Gemeente van Jezus Christus, moeten zien en weten.
De gansoh bizondere plaats welke de Kerk als Kerk des Heeren te midden van heel het leven, , het wereldleven en het nationale leven en het persoonlijk leven inneemt, moeten we onderscheiden en in 't oog vatten en eerbiedigen en onaangetast laten. Zij is Kerk omdat ze Kerk is !
De Apostelen hebben het over die Kerk gehad, de Reformatoren hebben het over die Kerk gehad, het Réveil heeft 't minder over die Kerk gehad, maar de geestelijke opwaking , heeft ook naar de Kerk tenslotte weer gegrepen, omdat bet niet anders kon en niet anders mag. En zoo grijpt men wéér naar de Kerk, in het buitenland en in ons land. En dan moet de Kerk niet een Vereeniging van godsdienstige belangen zijn, maar de Kerk heeft wat God haar gegeven heeft en waarbij zij te leven heeft : de Waarheid Gods en de belijdenis van Jezus Christus.
We moeten niet allerlei liefhebberijen hebben, niet allerlei interessante dingen, niet allerlei proeven en waaghalzerijen om iets nieuws te scheppen en iets anders te maken — maar de Kerk moet Kerk zijn, hebbende de Woorden Gods, die haar zijn toebetrouwd, hebbende Jezus Christus en dien gekruisigd, wat in prediking en in Sacramentsbediening de schat en de rijkdom is der Kerk.
Voor allerlei waaghalzerijen en liefhebberijen en interessante proefnemingen en vindingen, mogen we nooit inruilen wat God ons gegeven heeft en wat de Kerk tot Kerk maakt.
En daarnaar gaat nu weer het verlangen uit onder ouderen en jongeren : de Kerk, ook de Ned. Hervormde Kerk, moet Kerk zijn en mag haar aard en haar wezen en haar taak en haar roeping niet verwaarloozen. Onder studenten en in de kringen van ouderen komt die begeerte weer op. Onder predikanten — vooral de jongeren — en in de gemeenten komt dat verlangen uit. En men wil het tot uiting brengen, dat allen, die de toestanden in onze Ned. Hervormde Kerk, die de Kerk beletten om Kerk, om Kerk van Christus, om Christus belijdende Kerk te zijn, zoo willen laten, zooals ze sinds 1816—'52 zijn, misdadig handelen, bewust of, onbewust. Zij bedreigen het leven van de Kerk en berooven ons volk, in stad en dorp, , van een zegen, die God ons en onze kinderen, naar Zijn trouw verbond, nog schenken wil. Men wil het heilige, het van God geopenbaarde, het hoogste en heerlijkste en sterkste, profaneeren, door het te maken tot een zaak des menschen, waarover de mensch gerechtigd is te zeggen wat hij wil en er van te maken wat hij wil. Met Christus — om 't hoogste te noemen — moet de mensch in de Kerk niogen doen wat hij wil. De mensch moet vaststellen wie en wat Christus is en gedaan heeft en beteekenis heeft voor de menschen. Maar die liefhebberij komt den mensch niet toe. Die heeft eenvoudig aan de menschen door te geven, te verkondigen, wat God geopenbaard heeft, wat God gegeven heeft, en de Kerk mag daarin aan de wereld prediken dat wonder heerlijke en heilige en volmaakte, dat vér boven alle wijsheid des menschen uitgaat en in Jezus Christus uit den hemel is geschonken-.. Dat kan alleen de wereld verlossen. Dat kan alleen zondaren zalig maken. Anders niets, dan dat alleen. Al het andere is het pogen tot zelfverlossing, hetwelk ijdel is, , maar wat ons in Jezus Christus is gegeven is de verlossing Gods in den weg des geloofs.
Wat God ons gegeven heeft is gave, is genade. De Kerk spreekt niet van Godzoekers, die eindelijk hebben gevonden wat hun tot zaligheid is en eindelijk God hebben ontdekt door hun speurzin en wetenschap of goede werken. Neen, de Kerk predikt dat God ons zoekt en dat het Gode behaagd heeft ons den weg der zaligheid te openbaren en ons den Christus te geven, tot een volkomen verlossing. Wanneer wij onder de prediking zitten, of aan des Heeren Avondmaal, of staan bij het doopvont, dan is 't nooit : dat hebben w i j ontdekt, dat hebben w i j gewerkt, dat hebben w i j vastgesteld. Maar het is altijd : dat heeft God ons uit genade gegeven, in Zijn Woord ons geopenbaard, in Christus ons geschonken, om het in Zijn Sacramenten af te teekenen, zooals Hij het gaf en te bezegelen, waartoe Hij het schonk.
God geeft Zichzelf in Christus. En die openbaring, die gave, die genade is volkomen, die is volstrekt, die is definitief. Het is zooals in den brief aan de Hebreen staat : „God, voortijds in vele deelen (vele malen, stuk voor stuk) en op vele wijzen tot de vaderen gesproken hebbende door - de profeten, heeft in het laatst dezer dagen tot ons gesproken door den Zoon" (Hebr. 1 vers 1). in de vele deelen, in de vele malen, op onderscheidene manieren, aan de vaderen en aan ons, door de profeten en door Jezus : altijd één en hetzelfde, n.L de Godsopenbaring tot zaligheid, uit God, door God, tot God.
Nooit anders is het dan in den Eénen, n.l. Christus, dat God komt tot ons menschen. „Het Woord is vleesch geworden en het heeft onder ons gewoond". „Het is Gods welbehagen, om in de bedeeling van de volheid der tijden, wederom alles tot één té vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is en dat op de aarde is".
In de oneindige repetitie van hetgeen God openbaart, is altijd één en hetzelfde de geest en de hoofdzaak : het Evangelie van Jezus Christus. Maar dan niet een facultatief Evangelie, niet een denkbeeldigen Christus. Maar het.door God geopenbaarde Evangelie en de van God gegeven Zaligmaker. Rondom die geopenbaarde Waarheid, rondom dien Christus Gods moet de Kerk zich vergaderen, daaruit moet zij leven, dat moet zij verkondigen m den dienst des Woords en der Sacramenten ; en zij moet het aanzeggen : dat is de weg, de waarheid en het leven, en die den Zoon ongehoorzaam is, op dien blijft de toorn Gods.
Wij verheugen ons grootelijks, dat velen zich opmaken nu om voor de Kerk van Christus op te komen, omdat de geestelijke dingen bij hen leven en omdat zij de nooden des volks en der volkeren kennen en de boodschap Gods willen brengen in stad en dorp, in Nederland en daar buiten.
Verschillende nuanceering is er dan. Die onderscheidingen zijn er en moeten niet over het hoofd gezien worden. Daarom is het Nederlandsch Hervormd Verbond tol Kerkherstel ook een Verbond. We smelten daar niet in elkaar, we trekken daar saam verbonden rondom de zaak die ons gemeenschappelijk lief is, óp in lange rijen en groote menigte. En we bidden van den Heere, Wiens de kracht en de heerlijkheid is en aan Wiens zegen alles gelegen is, of Hij dat saam optrekken zegenen mag voor de Nederlandsche Hervormde Kerk, welke niet onze Kerk is, maar de Kerk des Heeren, de Kerk van Christus, aan welke de Woorden Gods zijn toebetrouwd, hebbende den last en de roeping in de prediking en in de Sacramentsbediening Jezus Christus en dien gekruisigd te verkondigen, die ons van God gegeven is tot wijsheid en tot rechtvaardigheid en tot heiligmaking en tot een eeuwige en volkomene verlossing.
De jubileerende
Indien we de stichting van de Vrije Universiteit niet zagen als een geloofsdaad en . deze Hoogeschool op Gereformeerden grondslag niet beschouwden als een planting van Gods hand en een zegen voor ons volksleven, zouden wij er nu niet over schrijven. Maar wij voegen ons gaarne — door dit sobere woord — onder de feesthoudende schare, om te gedenken Gods weldaden, om te danken voor de vele en rijke zegeningen, om te bidden voor den groei en den bloei van deze stichting voor Hooger Onderwijs, gezegend door Gods milde hand, juist omdat wij er iets groots, iets moois, iets bizonders in zien, geschonken door den Vader der lichten, van Wien alle goede gaven en volmaakte giften afdalen. Het geloovig Christendom heeft een roeping ten opzichte van de verschillende terreinen der wetenschap. Gelijk de Christen voor de cultuur, voor de beschaving, voor de ontwikkeling, niet onverschillig mag zijn, maar hier al de schéppingsgaven heeft te gebruiken, te veroveren en te benutten tot verrijking van het persoonlijk en het gemeenschapsleven, zoo ook heeft de Christen een roeping ten opzichte van de kunst, ook ten opzichte van de wetenschap. We weten wel, dat er geschreven staat : , , Waar is de wijze ? Waar is de Schriftgeleerde ? Waar is de onderzoeker dezer eeuw ? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt? " (1 Cor. 1 vers 20). Maar dat wil niet zeggen, dat het Christendom geen roeping heeft ten opzichte van de wetenschap ! Want Paulus schrijft even later (1 Cor, 2 vers 6) : „En wij spreken wijsheid onder de volmaakten ; doch eene wijsheid niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld, die te niet worden ; maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was".
Wel beoefenen de wetenschap, wel beoefenen de kunst, wel Schriftgeleerden — maar niet naar den geest der wereld, maar in de vreeze Gods naar Zijn Woord. Wel wetenschap en wijsheid — maar de vreeze Gods het beginsel.
Daarom lezen we ook Filipp. 4 vers 8 (nadat in het 7e vers gesproken is van „de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat") : „Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is, al wat wél luidt, zoo daar eenige deugd is en zoo daar eenige lof is, bedenkt dat".
We moeten aan het werk op alle terreinen van de wetenschap, we moeten beoefenen de kunsten, we moeten veroveren de schatten van de beschaving en van de cultuur, maar „opgevoed in de woorden des geloofs" (1 Tim. 4 vers 6). Want de gevaren zijn zoo groot, zoodat alles zoo gemakkelijk kan uitloopen tot oneer voor God en tot schade voor onszelf en voor onzen naaste. Persoonlijk en gemeenschappelijk dus opgepast. „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is : zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem" (1 Joh. 2 vers 15).
We moeten de schéppingsgaven, welke God ons en onzen kinderen geeft, wel liefhebben en we moeten op verovering uit, we moeten ons alles eigen maken, we moeten het ons onderwerpen, we moeten er mee werken (Gen. 1 : 28), doch „niet zooals de wereld het doet", maar ,,de vreeze des Heeren is het beginsel van alle wijsheid".
Wetenschap, beschaving, kunst — maar niet zonder het Christendom, niet zonder de woorden Gods en de vreeze des Heeren. Dan kunnen de onderscheidene standen der maatschappij gezegend worden. Want de Heere heeft ons vele zegeningen bereid in Zijn algemeene goedheid en zorgende liefde.
In het geloof is de Vrije Universiteit gesticht en ze staat tot op dezen dag, nu vijftig jaar. Daarom danken we mee den Heere en we verwonderen ons mee in blijdschap, dat het Gereformeerde volk, uit alle standen en kringen van ons vaderland, die Vrije Universiteit steunen met hun geld en met hun liefde en met hun gebed.
Jammer vinden wij het, dat het niet de Universiteit is van de Gereformeerde gezindheid van Nederland. De kerkelijke scheur — zes jaren na de stichting der Hoogeschool pijnlijk openbaar geworden — heeft hier veel kwaad gedaan. Wij zouden voor een lief ding willen, dat het anders was ; dat het Gereformeerde volk van Nederland zich als één man scharen kon rondom deze bijzondere Hoogeschool èn voor de beoefening der wetenschappen èn voor de opleiding en de vorming van de leidslieden van ons volk, gesticht. Maar dat is nu niet zoo. Misschien dat het nog eens zoover komt. Doch dat neemt niet weg, dat wij hooge bewondering hebben voor de wondere, warme, geheiligde liefde die er bij eenvoudigen en meer ontwikkelden voor deze Universiteit is en wij voegen onze wenschen gaarne bij de vele, vele felicitaties, die uit heel ons land, uit alle kringen, deze week zijn geschreven of uitgesproken.
Dat men een som van 430 duizend gulden kon aanbieden als feestgave bij dit 50jarig jubileum, is geen kleinigheid. Hoe diep zit de liefde, hoe hoog gaat de offervaardigheid, hoe kranig is de organisatie, hoe groot is de ijver allerwegen !
Kome het de wetenschap, kome het ons volk ten goede en worde mee door de Vrije Universiteit ons volk en ons vaderland weer doorzout met het zout, dat niet smakeloos is, maar bederfwerend, behoudend, sterkend in werking op elk terrein des levens.
Zullen wij en onze kinderen betuigen straks : „laat ons onze wegen doorzoeken en laat ons wederkeeren tot den Heere" ?
God geve het, naar den rijkdom Zijner liefde en de lieflijkheid van Zijn trouw en goedheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's