De kleine luijden
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
't Viel mij wel eens op, dat ik gewoonlijk aanstonds na den afloop naar het hotel werd gebracht, maar vader dan opnieuw uitging. Zoo het heette om nog een luchtje te scheppen of met dezen of dien een napraatje te houden, tot ik eens een voor mij vreeselijke ontdekking deed, die echter tevens veel verklaarde. Op een nacht, — ik had den slaap niet kunnen vatten en woelde al maar in de kussens, kwam hij dronken boven.
Toen wist ik alles. Hoewel betrekkelijk nog een kind, was ik vlug van bevatting en bezat de gave van opmerken, zoodat niemand mij iets meer behoefde te zeggen. Mijn vader dronk. Niet een enkele maal, maar geregeld, zoodat het in de kunstkringen reeds algemeen bekend was. Een enkelen keer had ik den moed hierover iets tot hem te zeggen. Maar toen brak er zulk een geweldig onweer los boven mijn hoofd, dat dit punt nimmer weer door mij werd aangeroerd. Dat was het begin van de breuk tusschen ons.
Intusschen werd ook ik dagelijks door hem onderwezen in de muziek. Want het lag in zijn bedoeling, dat ik zou worden klaar gemaakt voor het tooneel. Gelijk zoovele meisjes van mijn kennissen, die daardoor naam kregen en soms grof geld verdienden. Ik zou dan ook zulke mooie japonnen kunnen dragen met al die fijne kant en met flonkersteenen in het haar, en ik zou een ster van de eerste grootte worden aan den kunsthemel, waardoor mijn naam door heel Europa klinken zou, gelijk de zijne werkelijk een tijd lang in de groote pers van alle Europeesche rijken vermaardheid gehad heeft.
Doch ik had te veel achter de coulissen gezien. Ik haatte het lichtzinnige, vrije leven van die zoogenaamde artisten, waarbij met alle regelen van fatsoen en conventie dikwerf gebroken werd, en men lachte om die onnoozele halzen uit de burgermaatschappij, waarbij men nog sprak van zede en moraal. Op de planken, ja, dan kon men correct zijn, doch 't was niet dan vergudsel waaronder en waarachter de diepe bedorvenheid en onreinheid van het hart verborgen werd, om straks zich te vermaken met het onnoozele publiek, dat heel die etikette voor echte munt aannam.
Had mijn moeder mij niet met stervende lippen gewaarschuwd, om alle slechte gezelschap te vermijden, en had zij misschien toen een voorgevoel van hetgeen mij boven het hoofd hing? 't Mocht komen, zoo het wilde, maar d i t stond bij mij vast, dat ik daaraan nooit zou meedoen en nimmer een tooneelspeelster werd. Een andere vraag was evenwel voor mij, hoe uit zulk een omgeving, die mij meer en meer een hel bleek te zijn, verlost te worden.
't Was op een avond, dat wij moesten [ spelen in Weenen, in een der grootste gelegenheden. Mijn vader had zich namelijk voor drie maanden verbonden aan een gezelschap, dat een tournee door Duitschland, Oostenrijk en Zwitserland maakte, en voor 't eerst moest ik meedoen. Natuurlijk nog in een ondergeschikte rol, doch met alle kans, om weldra een schitterende positie te krijgen, wanneer de gaven, die ik bezat, door mij met talent beoefend werden. Met grooten tegenzin trok ik het kleed aan, dat voor die gelegenheid voor mij vervaardigd was, en bij elke schunnige opmerking, die de andere speelsters daarbij maakten, groeide mijn verzet. Ik walgde van zulk een leven van ongerechtigheid. Wat zou mijn moeder zeggen, als zij hare dochter hier zag ? Die gedachte vloog ijlings door mijn hoofd en hoe het geweest is, kan ik niet verklaren, maar 't was mij alsof ik steeds hare lijdengestalte voor mij zag, en zij met smeekenden blik mij bad dit zondepad te verlaten. Het bloed steeg mij naar het hoofd. Mijn hart bonsde tegen de keel. Mijn aderen zwollen. Ik voelde een vreemde prikkeling door armen en beenen. 't Was alsof mijn hoofd bersten zou.
Toen de bel ging, die voor mij een teeken was dat ik op moest komen, viel ik neer, terwijl het bloed mij uit neus en mond liep. Aanstonds viel het scherm en begon de muziek te spelen, onderwijl ik weggedragen werd. Toen ik weer bijkwam, lag ik te bed. God was tusschenbeide gekomen en had mij voor ondergang bewaard. Want die avond is voor mij beslissend geweest. Mijn vader was woedend over het geval. Hij brak in de vreeselijkste verwenschingen uit en zei dat ik bezig was hem te ruïneeren. Want van deze reis hing volgens hem ons beider toekomst af. 't Zou nu worden alles of niets. Hoe ik het toen gewaagd heb om het te zeggen, is mij later altijd een raadsel geweest, maar toen heb ik hem geantwoord dat het dan maar niets moest worden, want dat ik niet weer op de planken kwam. Al wilde hij mij daarom doodslaan, maar mijn besluit stond vast. Wellicht kon ik zoo spreken, omdat toen mijn leven weinig waarde voor mij had. Ach, de groote, uitgaande, mondaine wereld beseft niet half wat er geleden wordt achter de schermen !
Daarop begon mijn vader langs anderen weg te trachten mij te overreden. Door mijn ijdelheid te streelen, en te wijzen op de voordelen die daardoor te behalen waren. Ik behoefde niets te doen, wat ik niet wilde. Allen die mij ergens in te na kwamen, zouden met hem te doen krijgen. Maar ik had zoo'n prachtrol en kon juist daarin zooveel presteeren, omdat die voor mij als geknipt was.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's