KERKELIJKE RONDSCHOUW
De huidige Bestuursinrichting van de Ned. Herv. Kerk en het democratisch beginsel.
Zoo heet een artikel in „De Opbouw", democratisch tijdschrift voor Nederland en Indië, geschreven door prof. Haitjema van Groningen. Wij juichen het zeer toe, dat prof. Haitjema in dit „democratisch" tijdschrift (onder redactie o.a. van de heeren Marchant, Oud, Joekes en prof. Kranenburg) zijn licht heeft laten schijnen over deze belangrijke aangelegenheid, want prof. Lindeboom van Groningen, voorzitter van de Vereeniging van Vrijz. Hervormden, had nota bene in dat „democratische" tijdschrift een beschouwing gegeven (ter bestrijding van de „Reorganisatie-pogingen in de Ned. Hervormde Kerk"), dat de huidige bestuursinrichting der Ned. Hervormde Kerk, van democratisch gezichtspunt uit, in bescherming kon worden genomen ! Democraten in 't krijt ter verdediging van de Synodalebestuursorganisatie omdat ze nogal democratisch is !
Wie heeft ooit zoo iets gehoord ? 't Is net iets voor prof. Haitjema, de kloeke, waardige, ijverige verdediger van de beginselen van het Geref. Kerkrecht, om dit artikel eens flink onderhanden te nemen en het te „kraken."
't Ligt den vrijzinnigen altijd in den mond, dat de mannen van de reorganisatie behept zijn met „min of meer muffe leerdrijverij en onfrissche, tot repristinatie geneigde cultuur-vijandigheid"". En dan wordt gezegd, dat de huidige reorganisatie nogal „democratisch" is. Twee ontzaglijke onwaarheden, waarover men, als 't niet zoo droevig was, hartelijk zou lachen. Zoo bespottelijk, zoo zot zijn die versleten redeneeringen, dat men eigenlijk moeilijk ernstig kan blijven.
Prof. Haitjema gaat nu het ondemocratische karakter van de huidige bestuursinrichting der Ned. Hervormde Kerk in het volle licht trekken — en we hebben genoten van z'n artikel, waarvan we hier een uittreksel laten volgen.
De verschillende Hervormde gemeenten leven „onder hetzelfde gemeenschappelijk bestuur", zegt het Algem. Reglement (art. 16). En dan zijn de beginselen van de Kerkregeering sinds 1816 zoo ondemocratisch mogelijk ; ook sinds 1852. Want in 1852 is wel gekomen het recht van benoeming van ouderlingen en diakenen en beroeping van predikanten aan de gemeente (art. 23, alinea 1 Alg. Regl.) — een democratisch grondbeginsel — maar op de bestuurs-inrichting der Algemeene Ned. Hervormde Kerk kon dit volstrekt niet door werken, daar het Reglement van 1852 nadrukkelijk het stelsel der getrapte verkiezingen voor de besturen, boven den Kerkeraad, onaangetas t liet. Ook na 1852 bleef in de bestuursinrichting de geest van 1816 heerschen.
Dat ondemocratische, hiërarchische element heeft een geschiedenis.
In de Bataafsche Republiek heerschte na de onbloedige omwenteling, een hyper-democratische leuze van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Ook de bestuursinrichting in de Bataafsche Republiek was hyper-democratisch. Maar — de reactie wordt al spoedig merkbaar. De invloed van de massa moet beknot. De oligarchie komt, straks de absolute monarchie. Het kortstondig bewind van den Raadspensionaris Rutger Jan Sohimmelpenninck vormt den overgang van de democratische naar de oligarchisch-despotische phase. Er was geweest de ontbindende macht van het individualisme. Er komt reactie. Er wordt behoefte gevoeld aan een beslissend, bezielend centrum in dit organisch levende gemeenebest.
Vóór de Fransche periode, vroeger, was het Woord Gods, dat de Kerk uitdraagt, het centrum der samenleving, zij 't ook met gebreken. Nu wordt de burgerlijke Overheid het domineerend centrum — eerst Napoleon, straks de landsvader Koning Willem I. En het democratisch beginsel, dat de eerste periode van den Franschen omwentelingstijd huldigen wilde, komt leelijk in 't gedrang. Het „verlichte" despotisme komt, dat straks de revoluties der jaren 1830 en 1848 in 't leven zal roepen. De grondwetswijziging van 1848 zal dan zijn een nieuwe ruk naar de democratie terug.
Voor een recht inzicht in den geest der bestuurs-inrichting van de Ned. Hervormde Kerk van 1816 èn van 1852 (die nog geldt), is een herinnering aan den gang van zaken op staatsrechtelijk gebied na de Franschen tijd onmisbaar.
Dat de Kerkorde van 1816 naar staatsmodel ontworpen is, is een onweersprekelijk feit. Een „verburgerlijkte" Kerk-inrichting naar staatsmodel is van boven af opgelegd. De cultuurperiode van het begin der 19e eeuw brengt dat trouwens óok mee. 't Ligt niet alleen aan de Overheid ; hef ligt aan het volk, ook aan de Kerk zelve. De Overheid is niet alleen de schuldige. De Hervormde Kerk van 1816 ontvangt precies die bestuursinrichting die zij verdiende en bij haar ingezonken toestand paste ! Hier ligt een nationale schuld, een gemeenschappelijke zonde.
Het Algemeen Reglement van 1816 is naar staatsmodel in elkaar gezet ; het is doortrokken van den landsvaderlijken bestuursgeest. De kerkelijke bestuurscolleges boven de Kerkeraden worden klein in leden aantal gehouden. De gedachte, dat de le-! den der kerkelijke besturen de gemeenten vertegenwoordigen moeten, treedt zoo sterk mogelijk in de schaduw. Zoodra in het oudste Algemeen Reglement van „het bestuur" gesproken wordt, wordt aangevangen met de opsomming van de bestuurscolleges van boven af (in het Reglement van 1816), zoodat de bestuursmacht van „het Synode" het allereerst gememoreerd wordt. De bevoegdheden van de leden der Provinciale Kerkbesturen en der Classicale Besturen worden omschreven naar 't voorbeeld van de ambtelijke bevoegdheden van burgerlijke districtsbestuursambtenaren. De eerste maal benoemde 'Koning Willem I zelfs de leden van die kerkelijke bestuurslichamen. Later zou de Kerk zelve bij de verkiezing der leden in de verschillende besturen hebben op te treden, maar dan zóó, dat niet de Classicale Vergaderingen, bestaande uit vertegenwoordigers van alle bijzondere gemeenten in een bepaald Classicaal ressort, direct bij de verkiezing van de leden van het hoogste bestuurslichaam (de Synode) betrokken werden, doch dit benoemingsrecht aan de Provinciale Kerkbesturen als „tusschentrap" toegewezen werd. In het Algemeen Reglement van 1816 werd stelselmatig teruggedrongen het bewustzijn, dat de verschillende bestuurscolleges hun bepaalde Kerkressorten hebben te vertegenwoordigen en mitsdien ook aan deze ressorten verantwoording aangaande hunne bestuurshandelingen schuldig zijn. Ze waren wel aan de „hoogere" besturen, maar niet aan de Kerkelijke Vergaderingen, die de leden dier besturen verkozen, verantwoording schuldig. De Classicale Vergaderingen b.v. mochten — en mogen — jaarlijks wel een „kort verslag van de bestuursdaden" van de Classicale Besturen hunner ressorten hooren voorlezen, maar beoordeelende bespreking van punten uit dit verslag vragen, dat mogen zij niet. (Het Classicaal Bestuur als zoodanig is ook niet tegenwoordig «n zou niets kunnen zeggen dus ; slechts het Moderamen van het Classicaal Bestuur treedt als zoodanig ter leiding van de Classicale Vergadering op).
„Als dit alles niet de tendenz naar de oligarchie, naar het verlicht despotisme op kerkelijk terrein verraadt, dan weet ik het niet !"
De grondwetsherziening van 1848 ten onzent was een krachtige wending naar de democratie in het staatkundige leven. En in 1852 komt er iets dergelijks ten opzichte van de kerkelijke grondwet. Zie art. 23 al. 1 Algemeen Reglement. Vooral na 1867 is dat merkbaar door de invoering van het „Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten". In de plaatselijke gemeenten komt het democratisch beginsel, dat de leden der gemeente rechten krijgen. Het coöptatie-stelsel krijgt een knak. Maar een doorbraak van het hiërarchisch kader der eigenlijke bestuurs-inrichting bracht Artikel 23 niet! Het recht der gemeenten, wanneer deze in meerdere vergadering bijeengekomen waren, werd niet erkend. Het hoogste kerkelijke bestuurslichaam stond en bleef staan buiten het recht der Kerk.
Daarom zijn tal van reorganisatie-voorstellen gekomen — die prof. Lindeboom nu verwerpt en veroordeelt, omdat onze huidige bestuursoreanisatie nog al democratisch is !
Het voorstel-Slotemaker de Bruine-Blanson Henkemans, in de jaren 1905—1907 aan de orde zijnde, kent prof. Lindeboom blijkbaar niet eens. Hij rept er althans niet met een enkel woord van !
Zat toen ook voor „het verlangen naar repristineerende herovering van Dordtsche leerzuiverheid ? "
Maar de reorganisatie-beweging gaat niet uitsluitend om „democratie". Neen, de volle geestdrift komt dan eerst, als men begeert de Kerk, die toch principieel onderscheiden ds van Staat en burgerlijke samenleving en cultuurwereld, als draagster van een heilgeheim, dat der absolute Christusopenbaring, wil doen uitkomen ! En men onderscheide dit motief terdege van het met leerformule-verafgoding gepaard gaand verlangen naar uitbanning van „de als minder rechtzinnig geldende elementen" !
Democratisch besef kan doen ijveren voor reorganisatie, d.i. voor radicale herziening der kerkelijke bestuursinrichting, maar democratisch besef kan de .huidige Synodale Bestuursorganisatie niet als „democratisch" verdedigen.
Boven het democratisch besef gaat bij de mannen van de huidige reorganisatie-beweging uit het verlangen .om de Kerk als draagster van een heilgeheim, dat der absolute Christus-openbaring, te doen uitkomen., De Kerk moet Christus-belijdende-Kerk zijn. Niet personen, individuen in die Kerk, moeten dat mogen doen, maar de Kerk moet den Christus belijden!
Ook de jongste reorganisatie-poging van 1929 is een vrucht, eerder van de bezieling, die een bepaald Kerk-ideaal — het Kerkideaal van de oude Apostolische geloofsbelijdenis, zooals het Gereformeerd Protestantisme daardoor zich gegrepen weet — dan van het verlangen tot democratiseering der kerkelijke bestuursinrichting. Niettemin lag in het ontwerp ook veel van datgene uitgestippeld, wat toepassing van het democratisch beginsel op kerkelijk terrein in reglementairen vorm te aanschouwen geven moet. In het Ontwerp, werden de hiërarchale be stuurs ordeningen uit den tijd van het landsvaderlijk regime terzijde gesteld. Een groote Synode, waarin elk der 45 classicale ressorten door één lid vertegenwoordigd werd, gekozen uit en door de Classicale Vergadering zonder „tusschentrap" werd. in het Ontwerp niet minder nadrukkelijk voorgesteld. Alle uitvoerende commissies, die als moderamina der breedere vergaderingen in het Ontwerp hare taak en bevoegdheid omschreven vonden, werden ondubbelzinnig verantwoordelijk gesteld aan de vergadering, die haar de afwikkeling der loopende zaken toevertrouwd had.
Mochten wij — zoo vraagt prof. Haitjema — nu niet verwachten, dat ieder, die in de Hervormde Kerk voor het democratisch beginsel voelt, ten minste al deze voorgestelde wijzigingen van harkte zou helpen bevorderen?
Het is toch in den grond onverdedigbaar dat een provinciaal Kerkressort als dat van Friesland, met twee overwegend rechtzinnige Classes, en één overwegend vrijzinnig Classicaal ressort, terwijl er daarnevens twee Classes in die provincie zijn, waarin rechtzinnig en vrijzinnig in stemmenaantal ter Classicale Vergadering vrijwel tegen elkander opwegen, tengevolge van het verouderde stelsel der getrapte verkiezingen jaren aaneen twee vrijzinnige leden ter Synode kan afvaardigen, zoodat uit heel Friesland in de hoogste bestuursvergadering der Ned. Hervormde Kerk geen rechtzinnige stem kan gehoerd worden.-Dat is onverdedigbaar — óók al zou men tegenwerpen, dat in een andere provincie krachtens dezelfde Synodale Bestuursinrichting misschien de vertegenwoordiging der vrijzinnigen in de Synode wel onmogelijk gemaakt wordt. Hier dienen de handen ineengeslagen te worden om dit benoemingsstelsel, dat een beginse1strijd zoo licht tot een onheiligen machts-strijd verlaagt, uit onze kerkelijke wetgeving weg te werken. Een bestuurs-inrichting, die jammerlijk uit den tijd is, mag toch in geen geval gehandhaafd worden.
Nu zou men kunnen zeggen: we mogen toch voor de Kerk wel andere richtlijnen trekken dan ten opzichte van het Staatsbestuur ? Maar dan moet men Kerk en wereld ook principieel durven onderscheiden en niet willekeurig aan de Kerk iets geven, dat men aan den Staat niet geven wil. Dan moet men aan de Kerk geven wat aan de Kerk, omdat zij Kerk is, toekomt. En dan moeten de richtlijnen voor de Kerkregeering ook kerkelijk georiënteerd zijn. Merkwaardig is echter, dat de meeste reorganisatiebestrijders van vrijzinnige zijde juist gedurig deze principieele onderscheidenheid in hunne betoogen negeerden. Men leze de Handelingen der buitengewone Synode van Januari j.l. er maar eens rustig op na ! (Ze zijn voor ƒ 0.75 te bekomen bij de Uitgeversfirma Smits, Westeinde 135, Den Haag).
Men kan toch moeilijk zonder bepaalde oorzaak in de politiek democraat zijn en in kerkelijke aangelegenheden conservatiefoligargisch. Al wie de Kerk, ook de Ned. Hervormde Kerk, principieel benadert vanuit de cultuur, of vanuit de algemeene religiositeit, of vanuit de zedelijke ideeën van het rechtsbewustzijn in den Staat, heeft zijn recht verbeurd, om in de vragen der Kerk-inrichting aan de inspraak van zijn democratisch besef het zwijgen op te leggen. Wie nauw van consciëntie is, zal alles doen wat mogelijk is, dat het Kerkrecht dan veranderd worde. En er zal een groeiende ontevredenheid komen met de huidige bestuurs-inrichting, die ons immers naar (verouderd) Staatsmodel ontworpen bleek. Er zal een luid roepen komen om „reorganisatie".
De gang der Hervorming.
We denken weer aan het groote feit van de Hervorming van 1517. Toen kwam de Heere uitleiden uit het diensthuis van Rome, om Zijn Kerk te brengen tot het Woord — terwijl de Pauselijke Kerk leefde bij de traditie — en bij de vrijheid, welke is in Christus Jezus — terwijl de Roomsche Kerk gebonden zat in de strikken van de werkheiligheid.
Onwillekeurig vragen we ons daarbij af : waarom heeft de Heere nu tegenover het machtige Rome en te midden van een booze wereld niet één leider gegeven bij den uittocht uit het diensthuis, en waarom moest het nu zijn drieërlei geestelijke strooming en drieërlei richting bij de vrijmaking van Zijn Kerk ?
Waarom Luther eenerzijds en Zwingli anderzijds, en ook Calvijn ?
Zijn des Heeren gedachten niet hooger dan onze gedachten ? En is Zijn Raad niet de grondslag van al het gebeuren ? Is Zijn doen niet majesteit en aanbiddelijke heerlijkheid ?
Luther is er toe gekomen om, bij den Avondmaalsstrijd, te weigeren Zwingli de hand te geven. Hij kon hem niet erkennen als een kind van God en een medegeloovige. Vergeten we dan niet, dat wij maar ten deele weten ? Vergeten wij dan niet, dat Gods Waarheid zóó heerlijk is, zóó vol, zóó groot en wijd is, dat w i j het niet alles kunnen bevatten ?
Luther kon Zwingli de hand niet geven, maar dat is niet het beste oogenblik in z'n leven geweest! Hij heeft verzuimd toen den geest van Christus te onderkennen en lief te hebben, die uit God geboren zijn.
Calvijn, hoewel in vele dingen van Luther verschillend, noemde Luther een Godsgeschenk.
Zoo hebben we acht te geven op de onderscheidene gaven des Geestes, op de onderscheidene leidingen Gods, op de onderscheidene wegen door Hem bewandeld en waar 't gaan mag om Christus en dien gekruisigd, hebben we de liefdebanden tt voelen en te sterken en de een heeft den ander uitnemender te achten dan zichzelf.
Naar ónze gedachten zou het beter geweest zijn, indien er één reformator ware geweest — Rome noemt het de zwakheid van het Protestantisme — maar Gods gedachten zijn niet alleen anders, maar ook hooger en beter dan onze gedachten. Als wij nu maar mogen opmerken de wijze bedoelingen Gods en Zijn goede gaven weten te waardeeren.
De zwakheid van het Protestantisme is het losraken van Gods Woord en van het fundament Jezus Christus eenerzijds en anderzijds : het niet opmerken en waardeeren en gebruiken van de éénheid bij de onderscheidingen, wanneer die éénheid is te onderkennen rondom Gods Woord en rondom den Christus Gods.
Internationaal —: de volkeren roepen ! — is meer samenbinding noodig tusschen allen, die den Christus' Gods eeren.
Nationaal — onze - natie roept! — is meer samenbinding noodig tusschen allen die den Christus Gods eeren.
Rome en de wereld staan rechts en links. Waar is nu de Kerk van Christus in dezen lande die als Kerk den Christus belijdt en. waar allen, die Christus liefhebben, hun tehuis hebben ?
Heeft onze aloude Vaderlandsche Kerk hier niet een heilige roeping en grootsche taak ?
Ons volk en velerlei arbeid op elk terrein des levens wacht.
Hoe lange nog ?
Onze Kweekschool.
Voorwaarts ! Dat moet onze leuze zijn en blijven. Uitbreiden moeten we onzen arbeid. Ons volk vraagt daarom. Onze Gereformeerde gemeenten hebben dominees noodig. Uitbreiding van ons werk is noodig, wat ons Studiefonds betreft. En dus moeten de collecten gehouden worden overal. Niet vertragen, maar aanpakken, in al onze gemeenten. Er is zoovéél, zoo héél véél mooi werk te doen. Daarom moeten we maar weinig praten en veel doen. Heelemaal niet kibbelen (is 't daar nu tijd voor ? immers neen), en veel werken. Bidden en werken — móet onze levensleuze, levenskeuze, levenstaak, levensvreugd zijn. Verblijdt van alle kanten onzen Penningmeester. Zorgt dat hij zijn werk opgewekt en blij kan 'verrichten; Het komt onze Hervormde Kerk ten goede !
Maar — we zouden het even hebben over onze Kweekschool.
Onze Hervormde Scholen hebben onderwijzers noodig. En daarvoor is noodig een opleidings-en oefenschool. We moeten 'n eigen Kweekschool hebben. Dat moet. De nood is ons opgelegd !
En nu zijn er twee dingen die ons aanleiding geven om er weer even over te schrijven; Want het mag niet worden tot een doodgeboren kind. Laat ons samen daarvoor waken en werken, dat 't niet in de geboorte blijft zitten.
Twee dingen deden zich voor. De Wethouders van onderwijs van onze groote steden hebben saam in Den Haag vergaderd. Er is geconstateerd, dat er te weinig onderwijzers zijn. En er is geadviseerd : er moeten meer gelegenheden komen tot opleiding van onderwijzers. Er moeten meer Kweekscholen komen, ook voor het platteland gemakkelijker te gebruiken. Ook door meer beurzen.
Dat hebben we dadelijk genoteerd : er moeten meer Kweekscholen komen!
En toen kwam de Vergadering van protestantsch-christelijke Kweekscholen, waar de voorzitter, ds. Van den Brink, de heer Van Wijlen, dr. Veldhoen en anderen hebben gesproken. En daar is óók uitgesproken — in den kring van ons christelijk onderwijs dus — dat er meer Kweekscholen moeten komen.
Toen dachten we : dat is iets voor óns. Daar moeten wij nota van nemen. Méér Kweekscholen. En ja — dan zijn wij toch zeker aan de beurt ? Voor onze Hervormde Scholen op Gereformeerden grondslag een eigen Kweekschool — waarlijk, dat is geen onbillijke eisch ; dat is geen onredelijke wensch.
Zou 't gaan lichten aan den donkeren horizont ?
We zullen het hopen. Maar dan moet uit den kring van onze Hervormde . Scholen ook ten volle medewerking komen, 't Is een zaak die ons allen saam aangaat!
Zou er eenige kans komen nu ? We hopen het van ganscher harte !
De Kerk en de tucht.
In het „Algemeen Weekblad" heeft indertijd prof. Brouwer, hoogleeraar vanwege de Ned. Hervormde Kerk te Utrecht, een paar artikelen geschreven, in verband met en ter bestrijding van het Ontwerp tot reorganisatie van het jaar 1929, waarin hij betoogde, dat in de Kerk geen tucht, geen leertucht mocht zijn. Dat was niet overeenkomstig de Heilige Schrift en niet naar den aard van Christus' Kerk.
Wij kunnen dit standpunt niet deelen. We kunnen het ook niet goed begrijpen. Maar prof. Brouwer stelde zich op dat standpunt en blijft er op staan. Hoogstens levenstucht, toezicht en tucht ten opzichte van den levenswandel, maar geen opzicht en tucht ten opzichte van hetgeen in en door de Kerk geleerd wordt in de catechisatiekamer noch wat gepredikt wordt op den kansel, noch wat geleerd wordt bij de Sacramentsbediening. Daar moet ieders consciëntie of geweten maar uitmaken wat men zal prediken en doen. Als iemands geweten zegt, dat hij dit of dat mag en moet prediken en leeren — dan moet het hem vrij staan. De Kerk als Kerk moet daar haar handen thuis houden.
Wij kunnen dit standpunt niet deelen
Wij moeten 't samen hierover eens worden, dat niet ieder in de Hervormde Kerk den Christus mag belijden en prediken — terwijl er dan ook mogen zijn, die iets heel aparts dienaangaande leeren, zeggende, dat ze volgens hun consciëntie zoo spreken en handelen — maar dat de Kerk als Kerk den Christus moet belijden. Dat de Kerk als Kerk in prediking en Sacramentsbediening, in leerkamer en op den kansel, als Christus-belijdende Kerk moet uitkomen en openbaar worden in alle gemeenten en in heel ons Vaderland.
En dan de Kerk als Kerk wel toezicht houden op de leer der Kerk, welke zij als Kerk voorstaat, welke zij als Kerk als haar heiligen schat bewaart.
Wel leertoezicht en leertucht als Kerk, uit liefde voor haar christelijke belijdenis, welke zij van God Zelf ontvangen heeft, om het als een dierbaar pand te bewaren en als een boodschap van den hemel heeft door te geven.
Prof. Brouwer kwam in 't laatste no. van 'het Alg. Weekblad voor Christendom en Cultuur nog weer eens op deze zaak terug en ageerde weer bij vernieuwing tegen het Nederlandsch Hervormd Verbond tot Kerkherstel, wat wij, eerlijk gezegd, niet begrijpen. Waarom deze houding toch ? Voelt men niet, dat men zoo velen in onze Hervormde Kerk, wien het toch te doen is om het waarachtig belang van onze Kerk en van ons volk, daardoor teleurstelt, pijn doet en ergernis geeft ?
Nu verheugt het ons zoo buitengewoon, dat een man als prof. dr. W. J. Aalders, van Groningen, in zijn boek „Kerk en Kerken" (pas bij G. J. A. Ruys te Zeist verschenen) op deze zaak ingaat op een zóó waardige wijze, dat 't boven onzen lof is.
Wij zullen geen breede citaten geven nu. Wellicht komen we later in deze rubriek nog wel op dit merkwaardige boekske terug. Alleen schrijven we een paar zinnen af.
„Niet elke verdeeldheid is uit den booze. Dat er verdeeldheid bestaat, is in zekeren zin met het bestaan zelf der Kerk gegeven en gesteld. De Kerk eischt verdeeldheid, zij brengt haar teweeg. Wee haar, als zij het niet meer doet. Dan verzuimt zij haar roeping, die immers hierin bestaat, dat zij, als draagster van het Evangelie, menschen roept, uit de wereld tot God, en dus het verschil tusschen God en wereld openbaar en beslissend maakt. Hiermede is ergernis en aanstoot gegeven, onvermijdelijk. Voor de Kerk geldt het woord van den Meester : „Ik ben tot een oordeel (K r i m a) in deze wereld gekomen" (Joh. 9 vers 39). Deze critische roeping is ook Zijn Evangelie eigen en dus eveneens eigen aan de draagster van dit Evangelie : de Kerk. Zij moet een aanstoot zijn voor den Jood en een ergernis voor den Griek. Zij moet binden en ontbinden, openen en sluiten. Zij moet tucht oefenen. Een Kerk zonder tucht is een Kerk zonder karakter".
Glasheldere redeneering, zouden we zeggen. Elk woord is even mooi en duidelijk en waar.
En prof. Aalders zegt dan even verder : „Ik vergeet niet, dat tucht, evenals elk oordeel, waarvan zij trouwens een vorm is, niet "Slechts negatief, straffend, maar ook en vooral positief, louterend en opvoedend werkt. Maar in elk geval is de Kerk tot een oordeel in de wereld gekomen, evenals haar Heer. Ik acht het dus ongerijmd, als men van geen tucht wil weten. Ik acht het evenzeer onhoudbaar wél van levens-en niet van leertucht te willen weten. De tweede staat het wezen der Kerk nog nader dan de eerste, in zooverre de verhouding van mensch tot mensch secundair — tweede-rangs — ds en die van mensch tot God primair — eerste-rangs —. Gewetenstucht is iets geheel anders, d.w.z. iets wezenlijk onhoudbaars en ongerijmds. Slechts de uitingen, in woord en daad, kunnen worden geoordeeld. De internis non judicat ecclesia ; aan de Kerk komt het oordeel over het inwendige niet toe. „Die oordeelt, is de Heere", moet ten slotte ieder erkennen, zoowel van zichzelven als van anderen. Het menschelijke oordeel gaat over uitingen en over menschen in zooverre zij zich uiten — maar juist, omdat de Kerk slechts met de uitingen van doen heeft, is haar tucht in de toepassing, dus de tuchtoefening, altijd indirect en dus feilbaar, enz."
„In dit verband" — zoo vervolgt prof. Aalders — „neem ik de stelling van prof. Haitjema gaarne voor mijne rekening : „Handhaving der belijdenis door de Kerk en hare wettige organen is een daad, niet van vrijheidsaanranding, maar van mededoogen met menschenzielen, voor wie er in hunne gebondenheid onder de macht der zonde, alles van afhangt, dat zij het Evangeliewoord der vrijmaking zuiver en klaar hooren. (Prof. Haitjema : Gebondenheid en vrijheid in een belijdende Kerk, 1929, bladz. 36).
We zouden nog veel meer kunnen citeeren, maar ons citaat is al langer en breeder geworden dan we ons hadden voorgenomen.
Onze hartelijke wensch is, dat prof. Brouwer en zijn geestverwanten deze redeneering van prof. Aalders nu eens rustig zullen willen overwegen en wij hopen, dat zij met ons mogen gaan zeggen, dat de Hervormde Kerk als Kerk den Christus Gods heeft te belijden overeenkomstig de beginselen van het Gereformeerd Protestantisme en dat het naar den aard en het wezen der Kerk van Christus is, tucht te oefenen door het Evangelie van Jezus Christus als haar schat te bewaren en uit te dragen en alles te veroordeelén en uit te bannen, wat met dat Goddelijk Evangelie, ons van Boven geopenbaard tot verlossing der wereld, in strijd is.
„De Kerk eischt verdeeldheid". „De Kerk eischt tucht". „Een Kerk zonder tucht is een Kerk zonder karakter". „Ik acht het dus ongerijmd, als men van geen tucht wil weten". „Ik acht het evenzeer onhoudbaar wél van levens en niet van leertucht te willen weten". „De leertucht staat het wezen der Kerk nog nader dan de levenstucht" enz. enz.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's