De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPY

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPY

9 minuten leestijd

Een treurig bedrijf.
Het streven van ds. Kersten en de zijnen om op kerkelijk en staatkundig terrein, vooral in de kringen van Hervormd-Gereformeerden en van Christelijk-Gereformeerden, zich gaandeweg meer invloed te verzekeren, maakt het voor deze Staatkundig Gereformeerden wel eens moeilijk om steeds over het materiaal te beschikken, dat noodig is om de actie in Kerk en Staat levendig te houden.
Kan daarbij de rechte weg niet worden gehouden, dan begeeft men zich. op het kronkelpad, of is het niet mogelijk met open vizier te strijden, dan schiet men van achter de borstwering de pijlen der verdachtmaking af.
Schier dagelijks worden toch de Antirevolutionairen in De Banier, het orgaan van de Staatkundig Gereformeerde Partij, ten toon gesteld als de menschen, die op het staatkundig en maatschappelijk erf Gods Woord hebben losgelaten, of wel op die terreinen in strijd handelen met het eigen beginsel. Daarom wordt den antirevolutionairen kiezers van Hervormd-en Christelijk-Gereformeerden huize — want deze kiezers zijn daarvoor het meest toegankelijk — de raad gegeven om de Antirevolutionaire gelederen te verlaten en zich bij de Staatkundig Gereformeerden te voegen
Dikmaals wordt ook, om het vuurtje van de tweedracht brandende te houden, uit het arsenaal oud wapentuig te voorschijn gehaald om daarmede voor de zooveelste maal den tegenstander te lijf te gaan.
Zoo werd onlangs in De Banier weer eens het bekende en voor de Staatkundig Gereformeerden zoo voordeelige en vruchtbare onderwerp der „ongeloofspropaganda" te voorschijn gehaald. In dat artikel worden dan de Antirevolutionairen aangewezen als de schuldigen, die voor de ongeloofspropaganda onder ons volk zijn verantwoordelijk te stellen. Zij zijn de oorzaak, dat in Nederland allerlei goddelooze vergaderingen worden belegd, waar onderwerpen worden behandeld als : „God is dood" en „God is het kwaad".
Wij zouden op deze lasterpraatjes niet weer opnieuw ingaan; ware het niet, dat, om toch maar het verderfelijk optreden der Antirevolutionairen in de Kamer in een helder licht te kunnen stallen, de Christen-Staatsman Idenburg bij deze zaak als met de haren wordt bijgesleept
Om der wille nu van het respect, dat wij voor den persoon van den oud-minister Idenburg hebben, den staatsman, die, waar hij ook optreedt of spreekt, steeds toont groeten eerbied te hebben voor Gods Woord, maar ook niet minder om der waarheid zelve, meenen wij hier iets over het onbehoorlijk en verdachtmakend optreden van ds. Kersten en de zijnen te moeten zeggen.
Eerst willen wij woordelijk laten afdrukken, wat De Banier van 4 Oct schrijft.
Wij lezen in dat blad :
»iNog heugt het ons, hoe de heer Idenburg in de Eerste Kamer sprak, dat de vrije uiting van., ., atheïsme, deïsme en pantheïsme niet moest worden belet. Aan dat hooge goed wilde hij liiet tornen«.
Wanneer en bij welke gelegenheid zou de heer Idenburg deze woorden hebben gesproken ?
Het was in de vergadering van de Eerste Kamer van 22 Mei 1924, alzoo zes jaar geleden, dat gediscusseerd werd over de weigering van den Minister van Binnenlandsche Zaken, den heer Ruys de Beerenbrouck, om de medewerking der Kroon te vragen terzake van de vernietiging van de verordening van de gemeenten Wymbritseradeel en Wonseradeel tegen godslastering en tegen het moedwillig hoonen van Gods' naam in het openbaar.
De Roomsch-Katholieke Minister had met de weigering om de verordening voor vernietiging voor te dragen, kordaat positie genomen tegen 't besluit van Gedeputeerde Staten van Friesland, dat deze vernietiging vroeg.
Ten aanzien nu van deze weigering voerde het Christelijk Historisch Kamerlid prof. dr. Slotemaker de Bruine in de Eerste Kamer het woord. Dit Kamerlid zeide toen iets te willen zeggen over de geestelijke vrijheid in Nederland en over de verhouding tusschen godsdienst en Staat.
In aansluiting aan die rede maakte ook de heer Idenburg een paar korte opmerkingen, waarbij hij zijn waardeering uitsprak over de vrijheid van denken en ook over de vrijheid van uiting van godsdienstige en wijsgeerige denkbeelden, die wij in Nederland hebben. Onze lezers weten, dat onze vaderen in den religie-strijd hebben gestreden om de vrijheid van geloof en geweten en dat zij voor die groote geestelijke goederen niet alleen goed, maar ook bloed hebben veil gehad.
Van die groote goederen, maar van die goederen alleen, nu zeide de heer Idenburg, dat zij het hooge goed waren, waaraan hij „niet op eenigerlei wijze zou willen tornen".
Met opzet laat De Banier den zin, die op dit hooge goed wijst en die de verklaring van het „hooge goed" geven tusschen de woorden : „de vrije uiting van atheïsme, deïsm^e en pantheïsme niet moet worden belet" en de woorden : „aan dat hooge goed wilde hij niet tornen" vallen, omdat het blad wel begrijpt, dat daardoor zijne beschuldiging aan het adres van den heer Idenburg niet de beteekenis zou krijgen, welke ,,De banier" aan diens woorden wil hechten.
Maar ook met geen woord maakt het blad melding van wat de heer Idenburg op zijne opmerking in de Eerste Kamer liet volgen. Daaruit komt toch zoo heel duidelijk naar voren hoe onwaar de beschuldiging van De Banier is, dat de Antirevolutionairen de ongeloofspropaganda in de hand zouden werken.
De heer Idenburg toch zeide :
»Maar daarover gaat het hier niet (de geloofs-en de gewetensvrijheid). Het gaat om de vernietiging van een verordening der gemeente Wymbritseradeel en Wonseradeel tegen godslastering en tegen het moedwillig hoonen van Gods naam in het openbaar.
Dat heeft met gewetensvrijheid en vrijheid van gedachte op zichzelf niets te maken. Niemand wordt in zijn geweten verplicht om in het openbaar God te lasteren of te hoonen. Nu komt het mij voor, dat bezwaarlijk ontkend zal kunnen worden dat de Overheid op dit gebied een taak kan hebben ; de Overheid heeft wel degelijk een roeping ten opzichte van de goede zeden.
Wij staan voor de vraag, of de Minister had moeten bevorderen het vernietigen van die verordening van de gemeenten Wymbritseradeel en Wonseradeel, welke vernietiging door Ged. Staten van Friesland was verzocht
Nu wensch ik — en dat is het verschil tusschen mij en prof. Slotemaker de .Bruine (deze Christelijk Historische was van oordeel, dat vernietiging van de verordening had moeten plaats hebben) — uitdrukkelijk te verklaren, dat ik het . toejuich (het vet gedrukte Is van ons), dat de Minister deze verordening, waarin die gemeenteraad binnen de grenzen van zijn bevoegdheid opkomt voor het eeren van Gods naam op het openbaar terrein, niet verklaard heeft in strijd te zijn met het algemeen belang van het Nederiandsche volk«.
In deze nadere toelichting van zijn standpunt doet de heer Idenburg dus duidelijk uitkomen, dat de Overheid de godslastering en het moedwillig hoonen van Gods naam in het openbaar heeft tegen te staan.
Dat is dus heel wat anders, als wat ds. Kersten en de zijnen den lezers van D e Banier willen diets maken.
De Staatkundig Gereformeerden durven hun geestverwanten niet de juiste woorden voor te leggen, welke de oud-minister Idenburg sprak. Van de Antirevolutionairen moet niet anders dan kwaad worden gezegd. Het profijt daarvan is voor de Staatkundig Gereformeerden zoo kostelijk.
Het lijkt ons een treurig bedrijf voor de Staatkundig Gereformeerden, om dag in, dag uit, de mannen, die met hen op éénzelfde belijdenis staan, tegen beter weten in te moeten zwart maken, opdat daardoor eigen organisatie kan worden versterkt
En nu voere ds. Kersten niet aan, dat hij het stuk in De Banier niet schreef. Mocht dit zoo zijn, dan is hij toch de politieke hoofdredacteur van het blad en is hij voor de artikelen in het blad verantwoordelijk. Bovendien gaven wij hem een maand de gelegenheid om het lasterpraatje aan 't adres van den heer Idenburg ongedaan te maken.
Dat ds. Kersten daarvan geen gebruik heeft gemaakt, spijt ons.
Voor hem geldt toch ook het negende gebod : Gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste".

Een krachtig pleidooi.
Wij hebben reeds bij meerdere gelegenheden de aandacht gevestigd op het wetsontwerp betreffende de winkelsluiting, dat op dit oogenblik bij de Eerste Kamer aanhangig is. In dat wetsontwerp wordt een groot stuk Zondagsrust geregeld. Vandaar dat we elke poging, om het wetsontwerp in veilige haven te krijgen, zoo van harte toejuichen.
Gelukkig blijft bij de groote actie, welke de neutrale organisaties voeren om de Eerste Kamer te bewegen het wetsontwerp te verwerpen, de Christelijke Middenstand niet achter om het tegendeel te bewerken.
Dit blijkt bij vernieuwing uit het adres, dat dezer dagen door de Afdeeling Rotterdam van den Christelijken Handeldrijvenden en Industriëelen Middenstand tot de Eerste Kamer werd gericht
In dit adres lezen wij :
Adressante herinnert er aan, dat de georganiseerde middenstand al sedert jaren op een wettelijke regeling heeft aangedrongen en dat de gemeentelijke verordeningen, hoe goed ook, toch de rechtseenheid niet kunnen bevorderen.
Zij dankt de regeering, dat deze rekening hield met den Chr. Middenstand en in het ontwerp ook de Zondagssluiting opnam en meent dat het mogelijke economische nadeel, dat een enkele betrekkelijk kleine categorie middenstanders door de Zondagssluiting zou komen te lijden, in geenerlei verhouding staat tot de groote sociaal-economische voordeelen voor den middenstand in al haar geledingen, terwijl door de Zondagssluiting de godsdienstige gevoelens van een uitgebreid volksdeel worden geëerbiedigd.
Het blijkt bovendien, dat de Christenen in den kamp voor Zondagsrust niet alleen staan, maar dat ook velen, die de christelijke levens-en wereldbeschouwing, althans in het maatschappelijk leven, niet aanvaarden, den zegen van één dag rust weten te waardeeren.
Adressante meent daarom met kracht te moeten protesteeren tegen de agitatie door een bepaalde groep van middenstanders tegen de aanneming van het Wetsontwerp verwekt, in het bijzonder om de daarin opgenomen regeling voor den Zondag, en dringt met klem op aanneming aan.
Wij hopen, dat de Eerste Kamer zoo aanstonds, wanneer het wetsontwerp in behandeling komt goede nota van dit adres zal nemen, opdat de duizenden winkeliers, die thans nog gedwongen worden op Zondag te verkoopen, binnenkort hunne winkels op Gods dag zullen kunnen sluiten ten gerieve van zichzelf en van het talrijke personeel, dat, z'n Zondagsrust nog mist.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPY

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's