De kleijne Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
Een jaar is dat leven voortgesleept. Wij waren in Brussel. Slechts zelden kwamen man en vrouw meer samen. Anders niet, dan waar dit hoogst noodig was, voor het verdeden eener rol of iets dergelijks. Tusschen mij en haar scheen in de laatste dagen eenige toenadering te komen, doordat zij zachter jegens mij gestemd was dan voorheen. Evenwel was het niets dan berekening. Omdat zij wist mij weldra noodig te zullen hebben. Want in een nacht, die volgde op een avond, waarop zij nog, wat men noemde een schitterend succes had, werd haar een kind geboren. Een lief jongetje, met een paar prachtige blauwe oogen, maar dat reeds aanstonds de gevolgen ondervond van het ongeregelde, ingespannen leven der moeder, die hem ter wereld bracht, 't Was een stumperdje, dat al maar kreet.
Doch wat het vreeselijkste was van alles, eenige uren na zijn geboorte stierf zij, en daar zat ik, in een vreemde plaats, in een vreemd hotel met een pas geboren kind, terwijl mijn vader ergens anders den nacht door bracht.
Hier zweeg tante Sien. Opnieuw dreigde zij door haar gevoel te zullen worden overmeesterd. Ook dominé Randwijk was diep onder den indruk, en hield met moeite zijn tranen in. Wat gaat er toch veel in deze arme wereld om !
Waar geen mensch iets van begrijpt, en dat alléén bekend is bij Hem, Wiens oogen de gansche aarde doorloopen, en voor Wien alle dingen naakt en geopend zijn.
„Arme Sien, wat hebt gij geleden, " — was het eenige wat dominé op dit oogenblik zeggen kon. Daarop vroeg hij of zij misschien het verdere van haar levensloop ook liever verzweeg, omdat het zoo schier over de kracht ging. Maar Sien antwoordde : ,,neen, dominé ; ik kan u niet zeggen hoe verruimd ik mij gevoel, nu ik eens alles mag meedeelen."
Daarop vervolgde zij : „Toen mijn vader den volgenden morgen in het hotel kwam, om zijn roes uit te slapen vond hij daar zijn vrouw als een lijk en mij met haar kind. Een oogenblik scheen dat ontzettend tafreel hem aan te grijpen. Voor de majesteit van den dood en het raadsel van het leven heeft elk mensch nog respect, zoolang er nog iets in hem over bleef dat gevoel heet. Van dat oogenblik heb ik gebruik weten te maken. „Nu staat ons maar één weg meer open, — zei ik hem, — en dat is, dat wij terug keeren naar Utrecht, waar nog de meeste herinneringen voor mij zijn, en dat ik daar tracht het kind te verzorgen en op te voeden, en dat U van af dit uur een geregeld leven begint te leiden."
„'t Was hem alles goed. Wat ik voorstelde, gebeurde. Wezenloos en futloos sleepte hij zijn leven in die dagen voort. Hij leefde niet ; hij werd geleefd.
Zoo spoedig mogelijk volgde de begrafenis, — de tweede in mijn jonge, maar verwoeste leven, waarbij geen traan werd geschreid over haar die heen ging, anders niet dan door mij. Dooh in dit geval, — 'k wil het eerlijk bekennen, meer om het tragische, en mijn eigen leed, dan om haar die was heengegaan. En toen vertrokken wij naar Utrecht. Van het nog aanwezige geld, dat ik den laatsten tijd onder mijn berusting had, werd een kamertje gehuurd en eenige meubeltjes gekocht, en daar woonden wij enkele jaren zoo goed en zoo kwaad het ging. Boven verwachting bleef het kind in leven, al bleek het vooral heel zwak van beenderenstelsel te zijn, en hechtte zich weldra aan mij als aan zijne moeder. Want, u zult het reeds begrepen hebben, dat kind is mijn Henkie."
Tnans kon dominé Randwijk.zijn verbazing echter niet meer bedwingen.
„Wat zeg je ? " — riep hij uit — „is Henkie je broer, en ben je niet zijne moeder ? "
„Zoo ik u zeg. Maar voor hém ben ik tot op vandaag zijn moeder, en ik huiver er voor den sluier op te lichten, die hem het verleden verbergt. Toch voel ik, dat dit vroeg of laat noodig zal zijn, en heb daarbij misschien uwe wijsheid en voorlichting noodig."
„Natuurlijk zal ik je graag van dienst wezen, Sien, maar ik geloof niet dat het hier aan toe komen zal. Wie heeft er takt en talent als gij ? Maar ; het einde is mij nog niet duidelijk."
„Voor de rest kan ik kort zijn. Mijn vader verviel helaas tot zijn oude zonde en de drank werd weer zijn meester. Iemand die het niet weet kan zich nooit begrijpen welk een vreeselijke demon hij is. Meermalen bad en smeekte ik hem om toch ter wille van mij en mijn zwakke broertje te breken met dit vocht, omdat hij het bepaald niet hebben kon en het hem buiten zijn zinnen bracht. Ik bezwoer hem soms bij de rust mijner moeder, die toch eens om zijnentwil heel hare toekomst : had weggeworpen, omdat zij zooveel van hem hield, medelijden te hebben met mij, haar kind. Ik zocht te werken op zijn eerzucht, want daar was hij zeer gevoelig voor, door hem te zeggen wat : hij wezen kon en wat hij ook zelfs op dezen leeftijd nóg presteeren kon, als hij slechts een leven ging leiden, waar niemand zich voor behoefde te schamen. En soms was hij bij dergelijke gesprekken tot tranen toe bewogen. Want hij hield van mij, hoewel ik telkens op allerlei gebied tegenover hem stond.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's