De kleijne Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
Maar zoodra hij dan weer zijn oude kennissen ontmoette, of ergens was opgetreden — natuurlijk lang niet meer in die eersterang-gelegenheden van voorheen, — dan was het weer het oude liedje en dronk hij tot de laatste cent verteerd was. Soms zag ik hem in geen dagen, omdat hij meer in Amsterdam vertoefde dan in Utrecht, waar voor hem de kans om te verdienen grooter was dan hier. Tevens had hij mij dan niet op zijn weg, om te waarschuwen en te vermanen.
Het is in dien tijd geweest, dat ik meer kennis kreeg aan de eeuwige dingen. Een van mijn eerste verrichtingen toen wij in Utrecht kwamen was, den predikant opzoeken, die mijn schat in bewaring had. Ik had er trouwens voor gezorgd, dat deze nu en dan bericht kreeg waar ik was, ook toen wij nog rondreisden, al verzweeg ik al de bizonderheden. Hier gekomen, meldde ik mij echter zoo spoedig mogelijk bij hem aan. Helaas, de eenige vriend dien mijn moeder bezat, was ook in die jaren van mijn afwezigheid heengegaan. Zijn weduwe was echter volkomen met de zaak op de hoogte, zoodat een weinig later dit huis, waarvan ik zooveel verwachting had, door mij weer verlaten werd met de nalatenschap mijner moeder, verborgen onder de cape.
't Was alsof de Heer mij zeggen wilde, dat ik 't geheel zonder de menschen moest doen, en nu zal het u misschien ook niet verwonderen dat ik wel eens wat achterdochtig of gesloten van karakter was. De omstandigheden waaronder geleefd wordt, vooral 'in de jeugd-jaren, hebben zulk een invloed op de karaktervorming.
Maar in geen woorden is het uit te spreken, wat ik tóén aan mijn moeders Bijbel gehad heb. Zoodra ik 's avonds alleen was — Henkie ging gewoonlijk vroeg aan kant, omdat hij vooral toen niet sterk was —, haalde ik hem te voorschijn en zat dan soms uren aaneen te lezen en te denken. Vooral in die gedeelten, die de kenmerken droegen van door mijn moeder veel te zijn opgeslagen. Hier en daar vond ik nog kleine bizonderheden, die mij telkens aan haar deden terugdenken. Een gedroogde veldbloem, — mijn moeder moet ook een groote liefhebster van bloemen geweest zijn —, een overgeschreven tekst, een draad, een klein stukje zijde met een monogram dat mij niet duidelijk is, en om vooral niet te vergeten, heel achterin een korte mededeeling, met bevende hand geschreven en onderteekend, die als hare belijdenis weergeeft, hoe zij in de Heilige Schrift het heil harer ziel gevonden heeft. Onderaan staat: „Ik geloof in de vergeving der zonden, enkel om des Midd'laars bloed".
U begrijpt, dat deze bizonderheden mede het Boek voor mij dierbaar maakten. Dat Woord sprak tot mijn hart. Het scheen mij te kennen, dóór en dóór. 't Gaf mij alles wat ik noodig had. En het leerde mij kinderlijk vertrouwend heel mijn leven met dat van mijn vader en Henkie in Gods hand stellen.
Natuurlijk waren ook de andere kostbaarheden, als dat halssnoer en die broche's met juweel en een ring met kostbaren steen, mij dierbaar, omdat zij van mijn moeder waren. Voor de rest trekken zij mij niet aan. Ik heb op mijn reizen zooveel geflonker van echte en nagemaakte edelgesteenten gezien, maar ook, hoe arm zij een menschenhart laten, dat zij mij in het geheel niet bekoren. Vandaar dat geen dezer versierselen, voor zoover nog in mijn bezit, ooit door mij gedragen zijn. Hier hebt u het halssnoer mijner moeder".
Met deze woorden toonde zij dominé Randwijk het belangrijke erfstuk.
Vol verbazing liet hij het door zijn vingers gaan. „Als dat alles echt is, en daar twijfel ik niet aan, dan vertegenwoordigt dit snoer een belangrijk bedrag" — zei hij.
„'t Is niet te koop" — klonk 't eenigszins heftige antwoord van Sien.
,,Neen, dat kan ik mij begrijpen, doch ik wilde maar zeggen, dat het in den handel een groote som zou opbrengen".
, , Dat ben ik met u eens, maar daarvoor was mijn moeder ook van rijke familie. Doch laat ik u de rest ook nog meedeelen ; dan weet u alles".
„'t Was op een donkeren avond, dat mijn vader weer beneveld thuis kwam na dagen van afwezigheid. Als gewoonlijk was ik geruimen tijd verdiept geweest in de Schrift en met mijn gedachten ver boven de moeiten van dit leven. Vandaar dat ik opschrok toen daar opeens de bekende voetstap vernomen werd. In allerijl verborg ik moeders troostboek in een la, doch verzuimde het kistje te bergen, waarin ik in der tijd een en ander ontvangen had. Hoe het mogelijk was, is mij nog een raadsel, maar aanstonds viel mijns vaders oog op dit kleinood en oogenblikkelijk herkende hij het. Zeer waarschijnlijk heeft mijn moeder bij haar vertrek uit het ouderlijk huis daarin al haar hebben en houden van waarde geborgen gehad, en heeft vader een en ander meermalen gezien. Een grijnslach trok over zijn gelaat, toen hij het zag, en begeerig stak hij de hand er naar uit. Doch het volgend oogenblik had ik het gegrepen om het onder mijn arm vast te klemmen, 't Leek mij heiligschennis, wanneer hij dit in zijn handen kreeg en bovendien begreep ik aanstonds zijn bedoeling. Toen werd hij woest. „Geef hier, mijn eigendom", brulde hij : — „nü weet ik waar de kostbaarheden zijn, waarnaar ik zoolang tevergeefs gezocht heb".
„Nooit !" riep ik uit. „Geef hier, of ik bega een moord", — schreeuwde hij, en de daad bij het woord voegend, haalde hij een dolkmes te voorschijn, 't Was de eerste maal dat ik zóó mijn vader zag. Hij leek geen mensch meer, en ik begreep, dat hij tot alles in staat was. Met moeite ontglipte ik aan zijn hand en vluchtte met mijn schat nog altijd onder den arm de straat op, door hem achtervolgd.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's