De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

INGEZONDEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

INGEZONDEN

vragenbus

5 minuten leestijd

Aan den heer Hoofdredacteur van „De Waarheidsvriend"
WelEerwaarde Heer,
Aan het eind van uw aankondiging van het verschijnen van de toespraak van prof. Brouwer over wijlen prof. Van Leeuwen, plaatst u de vraag of niet een der leerlingen van prof. Van Leeuwen iets kan mededeelen over zijn Calvijn-colleges. Misschien mag het feit, dat ik gedurende bijna drie jaren het nu nog meer dan vroeger gewaardeerde voorrecht had, die colleges te kunnen volgen, de vrijheid verklaren, die ik neem, om aan uw verzoek te voldoen.
Dat ik dit gaarne doe, behoef ik u wel niet te zeggen, want diep hebben die uren zich ingegraven in de herinnering van hen, die geregeld 's Maandagsmorgens naar de Ramstraat, later naar de Maliebaan, gingen.
Wanneer de kleine kring zich op professor Van Leeuwens studeerkamer verzamelde en met zijn nooit ontbrekende vriendelijkheid ontvangen was, dan waren er als begin bijna altijd een pas verschenen brochure, boek of boeken ter tafel, die even rondgingen. Want ook op het gebied der nieuwe theologische litteratuur, die niet onmiddellijk samenhangt met zijn vak, het Nieuwe Testament, was prof. Van Leeuwen „bij" en het was altijd prettig, maar ook belangrijk, daarover zijn meening te hooren. En ook onder het bespreken van het gelezene uit de Institutio Calvini kwamen naast oudere, nieuwere meeningen ter sprake. Natuurlijk was dit niet het hoofddoel. Als geheel waren en bleven het Calvijn-uren en het meest hebben wij wel geleerd van de fijne opmerkingen, die hij aan uitspraken van Calvijn vaak verbond. Met name de onjuistheid van de meening, dat Calvijn een koude intellectualist zou zijn, toonde hij ons herhaaldelijk aan.
En overeenkomstig den aard van een privatissimum hadden wij er volop de gelegenheid om vragen aangaande Calvijn, maar tenslotte ook alle mogelijke vragen, hem voor te leggen. Het is dus wel duidelijk, van welk groot belang deze colleges voor ons geweest zijn.
Een „schriftelijke nalatenschap" ervan bestaat niet. We lazen en vertaalden onder leiding van onzen leermeester eenvoudig den latijnschen tekst en de bespreking groeide van zelf. Ook door ons werden maar zoo nu en dan kleine aanteekeningen gemaakt, die vooral literatuur bevatten. Een „schriftelijke nalatenschap" mag men hier ook niet verwachten. Het doel van een privatissimum is m.i. het persoonlijk contact van hoogleeraar met studenten. En dat werd op de studeerkamer van prof. Van Leeuwen op een dergelijke manier bereikt, dat ik er niet aan twijfel, of niet alleen zijn laatste leerlingen, maar ook zij, die reeds langer of korter in de pastorie zijn, denken hieraan terug met groote dankbaarheid. Maar dan zal u ook wel duidelijk zijn, hoeveel vooral zijn laatste leerlingen in hem verloren hebben. Dat verlies wordt misschien nu, het eerste jaar zonder-professor-Van Leeuwen, wel het pijnlijkst gevoeld.
Met hartelijken dank voor een eventueele plaatsing van dit stukje, heb ik de eer te zijn, met de meeste hoogachting
Uw dw C. van Dop
Utrecht 24-ll-30. Stud. Theol.

Vragenbus
Vraag : Mag een ziek kind, dat naar de verwachting der ouders sterven gaat en ongedoopt is, b.v. in een ziekenhuis gedoopt worden ?
Antwoord : Onze Protestantsche opvatting is anders dan de Roomsche. Wij zijn tegen den nooddoop, omdat er niet zulk een kracht in den doop is als de Roomschen leeren. Hing de zaligheid van den doop af, dan zou een ongedoopt kind door de nalatigheid van zijn ouders verloren kunnen gaan ; de nooddoop zou dan noodzakelijk zijn. Met den nooddoop wordt de bijgeloovigheid zéér in de hand gewerkt. In den doop stelt men dan z'n vertrouwen voor z'n kind, dat sterven gaat; en dat moet niet in den doop liggen, maar in Christus. Op onderscheidene Synoden hebben de Gereformeerde Kerken vroeger dan ook verordend, dat kranke kinderen „niet buyten de gemeyne Vergaderinge" mogen gedoopt worden „en sulcks om superstitie te vermyden".

Op de groote Synode van Dordt 1619 (163ste zitting, 17 Mei 1619) kwam deze kwestie ook weer ter sprake — want de practijk was blijkbaar moeilijk — en daar werd ten antwoord gegeven : „Men sal den doop aen siecke kinderen ofte krancke buyten vergaderinge der Kercke niet bedienen dan-in zeer groten noot, ende dat met voorweten ende in tegenwoordicheyt des Kerckenraets". Deze zelfde Synode was volgens art. 17 van Hoofdst.l der Dordtsche Leerregels overtuigd, dat geloovige ouders zich niet moesten ongerust maken over het lot hunner kinderen, zoo deze ongedoopt kwamen te sterven. W.a Brakel, Redelijke Godsdienst, Dl. I, hoofdst. 39 par. 25 oordeelt 't zelfde. Hij zegt : „Alle kinderen der Bondtgenooten, 't zij bekeerde ofte onbekeerde, 't zij voor ofte na het ontfangen des Doops, in hare jonkheyt stervende, moeten gehouden worden saligh te zijn, uyt kracht van het verbondt Godts, in 't welke sy geboren zijn en alsoo te zijn kinderen des verbondts ; zijn de ouders onbekeert ende trouweloos in het verbondt, dat is op haer eygene rekeninge, de Sone sal niet dragen de misdaedt des Vaders".
De nooddoop was dus niet noodig voor geloovige ouders ; en anderen zouden in den doop gaan zoeken, wat alleen in Christus te vinden is. Daarom geen nooddoop.
Evenwel de Dordtsche Synode van 1619 ging toch weer spreken van in sommige gevallen wel nooddoop. Zie de verklaring van 17 Mei 1619 hier boven afgedrukt. Want bij weigering stond men voor de mogelijkheid, . dat de ouders naar den Roomschen priester liepen, en dan ware „het middel erger dan de kwaal", oordeelde Dordt blijkbaar. En daarom geen nooddoop en toch weer wèl nooddoop. Maar dan moest het formeel in orde zijn, n.l. „met voorweten ende in tegenwoordicheyt des Kerckenraets".

Maar als Rome er niet geweest was, dan geen nooddoop ; omdat het niet gereformeerd is ; „ende sulcks om superstitie of bijgeloof) te vermyden". Wat is de practijk dikwijls moeilijk !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

INGEZONDEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's