De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

De christelijke ethiek

7 minuten leestijd

Als heel iets bizonders is de mensch door God geschapen. Hij is een wonder, geheel eigensoortig wezen. De Engel is anders, wel geest zijnde, maar geen lichaam hebbend. Het dier is anders, wel lichaam en ook wel ziel hebbend, maar niet een lichaam, niet een ziel, niet een geest, waarin Gods beeld is afgedrukt.
Heel iets aparts is de mensch, met een eigen wezen, met een eigen levensroeping, met een eigen levensbestemming, die reikt tot in de eeuwigheid.
En dat komt, omdat de mensch beelddrager Gods is, van Gods geslacht zijnde, geschapen naar Zijn gelijkenis. „Ten dage als God den mensch schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods ; man en vrouw schiep Hij ze" (Genesis 5 vers 1). Het gaat zóó diep met dat beeld Gods, het is zóó wezenlijk eigen aan den mensch, dat heel de Schrift ons verzekert, dat de mensch niet alleen in den beginne naar en met dat beeld Gods geschapen is — Adam en Eva saam — maar dat na den zondeval, door alle tijden heen, tot op dezen dag, de mensch beelddrager Gods is gebleven. Adam in gevallen staat, is en blijft de beelddrager Gods en zijne kinderen zijn en blijven beelddragers Gods door alle eeuwen heen en overal.
Dat moeten we ons goed realiseeren. Want wij zijn zoo gewoon te zeggen : door de zonde heeft de mensch het beeld Gods verloren. En om te zeggen : het beeld Gods is voor de uitverkorenen des Vaders alleen in Christus Jezus, door den Heiligen Geest, in den weg der wedergeboorte, weer terug te ontvangen. Wat ook waar is. Want in den gevallen mensch moet in den weg der wedergeboorte het beeld Gods weer vernieuwd worden. Paulus zegt in Efeze 4 vers 24 : „En den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid". En in Col. 3 vers 10 lezen we : „En aangedaan hebt den nieuwen mensch, die vernieuwd wordt tot kennis naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft".
Maar nu moeten we niet over 't hoofd zien, dat de Schrift ons doorloopend van den gevallen mensch, die dus 'het beeld Gods verloren heeft en door de herscheppende en vernieuwende werking des Heiligen Geestes het beeld Gods, in Christus Jezus, weer moet terug ontvangen, spreekt als zijnde de beelddrager Gods.
Dat lezen we niet op één plaats in den Bijbel, maar op tal van plaatsen in de Heilige Schrift.
In Genesis 9 vers 6 staat o.a. dat, wie een mensch doodt, een beelddrager Gods doodt, „want - zo lezen we - „God heeft den mensch naar Zijn beeld gemaakt". (Een argument voor de toepassing van de doodstraf, wanneer er een moord gepleegd is. Een mensch, zijnde een beelddrager Gods, is dan van het leven beroofd en dat moet met den dood gestraft worden door de Overheid, die het zwaard niet tevergeefs draagt).
In 1 Cor. 11 vers 7 lezen we, dat „de man het beeld en de heerlijkheid Gods is" ; en Jac. 3 vers 9 zegt (als 't gaat over de wondere en dikwijls verschrikkelijke werking van de tong) dat „de menschen naar de gelijkenis Gods gemaakt zijn". Wie den mensch lastert en vloekt, moet het wèl weten, — zoo staat er — dat hij dan den beelddrager Gods lastert en vloekt ! 't Welk een gruwelijke zonde is en met bidden tot God niet kan gepaard gaan.
En als Paulus op den Areopagus te Athene staat, dan zegt hij in zijn toespraak, dat „de mensch van Gods geslacht is". (Hand. 17). Waardoor Paulus hier verklaart, dat ook de Heidenen, die nog verre zijn van de genade Gods in Christus en die geheel in eigen, zondige wegen, in Godvervreemding en Godverachting wandelen, desondanks van Gods geslacht zijn en dus het beeld Gods dragen; gelijk ook heidensche poëten of dichters getuigd hebben, zij 't 'dan, dat zij van deze dingen niet het volle bewustzijn en de ware kennis hadden.
Overal en altijd weer is het gevoeld, dat de mensch een apart, een bizonder, een geheel eigensoortig wezen is en blijft. Met den mensch is geen schepsel te vergelijken, noch de Engel, noch het dier, noch iets van het geschapene boven, op en onder de aarde.
Voor een wonder ding komen we dus te staan. Van den gevallen mensch hebben we te zeggen, dat hij als beelddrager Gods geschapen is en het beeld Gods verloren heeft door de zonde — terwijl we tegelijk moeten getuigen met de woorden van de Schrift, dat hij beelddrager Gods gebleven is. Ook bij den gevallen mensch, bij den onwedergeboren mensch, is nog sprake van het beeld Gods.
Dat is dus tweeërlei kant van het beeld Gods.
In den loop der tijden is de Kerk van Christus dan ook tot de onderscheiding gekomen, dat de mensch naar zijn wezen van Gods geslacht is, naar lichaam en ziel. Het lichaam is anders dan andere lichamen — voor een eeuwigheid bestemd — en de geest is geheel iets aparts, den mensch makend tot een levende ziel — voor een eeuwigheid geschapen, zoowej wat de ziel als het lichaam betreft. Het wezen van den mensch heeft de mensch behouden, ook na den zondeval. Het lichaam is en blijft iets geheel aparts, de ziel is en blijft iets geheel afzonderlijk! — 't is en blijtt alles naar het wezen, zooals God den mensch geschapen heeft. Naar het wezen is en blijft de mensch van Gods geslacht, een beelddrager Gods. Maar de heilige natuur des menschen is door de zonde verloren gegaan, en daardoor is de beelddrager Gods z'n heilige natuur kwijt en hij is een beelddrager Gods geworden met een zondige natuur. De kwaliteit, de geest, de natuur van den beeldarager Gods is geheel bedorven en slecht.
Trekken van het beeld Gods zijn en blijven er dus in den mensch, na den zondeval. Maar de natuur des menschen is gansch bedorven, onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot aile kwaad. De mensch heeft wat overgehouden, en is nochtans geheel verdorven, wat z'n natuur betreft.
En dat heeft de Kerk van Christus er toe gebracht om te gaan spreken van een beeld Gods in ruimeren zin, dat, hoewel geschonden, overgebleven is in den mensch na den zondeval — en van een beeld Gods in engeren zin, dat, door de zonde, geheel verdorven is en verloren is gegaan. Het eerste heeft de mensch nog, zij 't geschonden en gebroken, het laatste is de mensch kwijt. In wezen is hij beelddrager Gods, van nature is hij verdorven zondaar. Op de vraag : „wat is de mensch ? " — moet als antwoord volgen : een schepsel Gods, een beelddrager Gods. Het wezen van den mensch is, dat hij van Gods geslacht is en van alle schepselen in alles ten zeerste onderscheiden.
Op de vraag : „hoe is de mensch ? " — moet ten antwoord gegeven worden : de kwaliteit van den mensch, de natuur of hoedanigheid van den mensch is zondaar, gevallen schepsel met een verdorven natuur, ondeugdelijk, slecht, tot alle boosheid geneigd. God en den naaste van nature hatend.
De mensch, de beelddrager Gods, is van een onheilige, zondige, verdorven natuur. Daarom .moet de mensch, zooals hij nu van nature is, herboren, herschapen en vernieuwd worden, niet door iets .dat des menschen, maar dat Godes is ; niet door iets van beneden, maar van boven ; door den Heiligen Geest, in den weg der wedergeboorte, om zoo als goddelijke geschenken terug te ontvangen : rechtvaardigheid en heiligheid (Efeze 4 vers 24) en ware kennis (Col. 3 vers 10).
Het beeld Gods in engeren zin, bestaande in ware kennisse Gods, gerechtigheid en heiligheid, heeft de mensch verloren ; zijn heilige natuur is gansch verdorven.
Het beeld Gods in ruimerèn zin, zijnde alles wat den mensch onderscheidt van Engel en dier, en den mensch tot mensch maakt, heeft hij behouden, ook dwars door den zondeval heen, zij 't dat het wezen des menschen geschonden is door zijn euveldaad.
Zoo benadert ook Artikel 14 van onze Ned. Geloofsbelijdenis deze aangelegenheid, waar in dat artikel gesproken wordt van den geheel verdorven mensch, die „kleine vonkskens" van het beeld Gods heeft overgehouden.

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's