INGZONDEN
IN MEMORIAM PROF. VAN LEEUWEN. INDRUKKEN VAN ZIJN „CALVIJN - COLLEGE"
In „De Waarheidsvriend" van 21 November 1930 werd besproken het in druk verschenen openingscollege van prof. Brouwer, op 1 October j.l., een „In Memoriam prof. dr. J. A. C. van Leeuwen". In deze bespreking las ik de volgende zinsneden : „Ook weten we, dat op een privé-college 's Maandags ten zijnen huize de Institutie van Calvijn behandeld werd Zou niet een van de leerlingen van prof. Van Leeuwen ons iets kunnen meedeelen van zijn Calvijn-colleges ? "
Nu de vraag zoo gesteld is, wil ik gaarne een poging in die richting aanwenden. *) Vóór mij ligt bovenbedoeld openingscollege van prof. Brouwer, waarin op voortreffelijke wijze onze heengegane hoogleeraar in zijn leven en werken ten voeten uit geteekend is. Verder ligt daar een „Overdruk uit het Orgaan S. S. R." met een „In Memoriam" van de hand van prof. Visscher, gewijd aan prof. Van Leeuwen 'm zijn persoon en karakter, als Gereformeerd theoloog en exegeet, als hoogleeraar en prediker, en als strijder voor de Gereformeerde beginselen in de Ned. Hervormde Kerk. Het zou geen zin hebben, het na deze beide uitnemende stukken nog eens dunnetjes over te doen. Maar „iets meedeelen van zijn Calvijn-colleges" zal ieder leering van prof. Van Leeuwen gaarne doen, daar dit op zichzelf reeds is een woord van eerbiedige herinnering, van stille hulde aan hem, die jaar in jaar uit het grootste deel van zijn Maandagmorgen beschikbaar stelde om zijn studenten in persoonlijke aanraking te brengen met het Calvinisme uit de eerste hand : Calvijn zelf konden wij daar leeren kennen. Enkele woorden over de waarde van dit „Calvijn-college" voor ons, zijn leerlingen.
Het feit zelf is vrij nuchter : elken Maandagmorgen gedurende den academischen cursus, van kwart over negen tot ongeveer elf uur, ontving prof. Van Leeuwen op zijn studeerkamer een aantal studenten, om met hen de Institutie van Calvijn te lezen. Ieder, die wilde, was welkom : ouderen en jongeren, ook niet-geestverwanten. Om beurten bereidden wij ons voor, want natuurlijk werd Calvijn in het oorspronkelijke gelezen, dus in het Latijn. Dit alleen is reeds van groote beteekenis : op eigen houtje komt men hiertoe niet licht, het Latijn schrikt velen af, mede omdat 'het Latijn van dezen Hervormer (vooral in de Institutie) niet „voor de poes" is. En toch kan men alleen zóó Calvijn werkelijk leeren kennen, daar de Latijnsche tekst veel pittiger is dan welke vertaling ook. Prof. Van Leeuwen wist dit, en dit college had o.m. deze bedoeling : dat zijn leerlingen naderhand zelf Calvijn konden lezen en zelfstandig bestudeeren.
Maar de waarde van deze Maandagmorgenuren was veel dieper, niet alleen voor de studenten — ook voor prof. Van Leeuwen zelf hebben zij groote beteekenis gehad, wat betreft zijn invloed in de studentenwereld. Prof. Brouwer zeide in zijn openingscollege, dat prof. Van Leeuwen „zich door een kring van geestverwanten gedragen wist. Dit besef nam in de laatste jaren gaandeweg toe. Hiertoe droeg ook het privatissimum bij, dat, des Maandagsmorgens bij hem aan huis gehouden, aan de bestudeering van Calvijn gewijd was".
Inderdaad. Prof. Van Leeuwen heeft als hoogleeraar zichzelf niet overleefd — integendeel. Heel sterk was mijn indruk, dat onder de studenten de laatste jaren beter is geluisterd naar hetgeen prof. Van Leeuwen te zeggen had, dan dit waarschijnlijk ooit sinds zijn benoeming liet geval is geweest. Afgedaoht van de vraag, of velen zich „geestverwant" met hem voelden — velen wilden weer luisteren. En dit is niet altijd zoo geweest. De bereidheid on|, te luisteren naar de Gereformeerde theologie laat nóg dikwijls veel te wenschen over — evenals het onzerzijds zoo dikwijls ontbreekt aan een eerlijk willen luisteren naar wat Ethische theologen hebben te zeggen. Verborgen vrees of wantrouwen schijnt moeilijk overwonnen te kunnen worden door 'het geloof in de kracht van eigen beginselen !
Dat prof. Van.Leeuwen weer-een open oor vond, is waarschijnlijk mede toe te schrijven aan den invloed der „Zwitsersche theologie". En vooral hieraan, dat 'hij zich tegenover deze en andere nieuwe stroomingen niet afsloot, maar in zijn critiek steeds inging op de kern der dingen, waarom gestreden werd. Al bleef zijn houding gereserveerd, dit was niet, omdat hij b.v. Barth en Brunner niet kende. Maar het was, omdat naar zijn vaste overtuiging de levende werkelijkheid van Openbaring en geloof het zuiverst en het diepst was benaderd m de Calvinistische opvattingen. Daar vond hij de groote lijnen getrokken, die zijn eigen leven bepaalden. En aan deze beginselen toetste hij alles, wat uit verleden en heden tot hem kwam met een aanspraak op waarheid.
En hier vooral ligt de groote waarde van zijn „Calvijn-college" : daar werd niet alleen Calvijn gelezen, maar ook werden daar besproken allerlei verschijnselen en stroomingen van dezen tijd. Waren er 'belangrijke lezingen, gehouden, b.v. door buitenlanders als Barth en Brunner, Aulén of Dibelius, of wat er meer aan de orde mocht zijn — op het eerstvolgende college begon prof. Van Leeuwen zelf te vragen, „of de heeren er geweest waren, en wat zij er van vonden". Vragen konden worden gesteld, vaak volgde een uitvoerige bespreking. En altijd was zijn critiek eerlijk en opbouwend. En aldoor dat streven om te toetsen aan de Calvinistische beginselen. Want hij was overtuigd : wanneer wij gaan toetsen aan de Schrift en aan de werkelijkheid van het leven, dan zal dit voor het Calvinisme louterend werken, maar recht overeind blijft het staan, terwijl talloos vele andere stroomingen rondom te gronde gaan aan eigen eenzijdigheid en onwaarheid. De Calvinistische geloofsovertuiging geeft ruggegraat, ook bij de theologische studie.
Geen wonder dan ook, dat in het middelpunt van alles stond : het geloof. Het geloof, dat naar de omschrijving van Calvijn (Inst. IH, II, 7) is „de vaste en zekere kennis van Godb goedertierenheid jegens ons, wleke gegrond is in de waarheid van Zijn belofte-om-niet in Christus, en door den Heiligen Geest wordt geopenbaard aan onze geesten en verzegeld aan onze harten". Wij kennen God alleen in Christus, door den Geest. „Woord en Geest moeten samengaan, evengoed als wedergeboorte en geloof" : het is duidelijk, dat prof. Brouwer hiermede de theologie van prof. Van Leeuwen juist heeft geteekend. Dit was zijn levend eigendom geworden, en .onder mijn herinneringen aan deze Maandagmorgen-uren blijven de mooiste die aan den tijd, waarin gelezen en besproken werd Calvijn's uiteenzetting over het geloof. In één adem hiermede is te noemen zijn exegese van Romeinen, waarin b.v. onder Rom. 3 de beteekenis van. het geloof uitvoerig behandeld is. Vooral ook de beteekenis van het Scheppings-geloof.
De samenvatting van wat er op dit „Calvijncollege" onvermoeid werd ingehamerd, mag ik wel met eigen woorden aldus weergeven :
De Schepping, ons geschapen-zijn door God, plaatst ons op zichzelf reeds in een bepaalde verhouding tot God, onzen Schepper - om het even, of wij dat willen erkennen of niet. Maar alleen in het geloof staan wij in de juiste verhouding tot God. Alleen in het geloof kennen wij God. Het geloof sluit deze kennis in. Deze geloofskennis is niet zuiver verstandelijk van aard. Neen, het is „een zeker weten èn een vast vertrouwen", beide even sterk en in dezelfde mate, onscheidbaar één in het geloof. Want zooals uit de Bijbelsche woorden ook reeds blijkt : geloofskennis houdt in, tegelijkertijd een zich-overgeven aan het gekende, en een zich-ten-eigendom-maken van het gekende. Duidelijker gezegd : God kennen in het geloof in Jezus Christus, beteekent tegelijkertijd: zich overgeven aan 'Christus, en zich Christus „ten eigendom" verwerven. Zuiver verstandelijke kennis is geen geloofskennis. Eerst in en door onze zelfovergave aan Christus kunnen wij Heni „ten eigendom" verwerven, dat is : God kennen, in den Zoon. En dit alles wordt gewerkt door den Geest. Daar wij in het geloof God kennen, dat is : gemeenschap met Hem hebben, worden wij zalig door het geloof, en door het geloof alléén, „Alles wat valt buiten de centrale beteekenis van het geloof, i's eigen-gerechtigheid". Dat is ook het geval in kringen, waar het centrale punt verlegd wordt van het geloof naar de liefde, en wanneer dan gezocht wordt naar kenmerken, b.v. of men wel genoeg liefde heeft enz. Dan wil men naast de geloofskennis als iets aparts stellen het geloofsvertrouwen, dat men in zichzelf zoekt. Maar dat is eigen-gerechtigheid in vromen vorm, die tegelijkertijd geloofszekerheid onmogelijk maakt. Dat is een ontkenning van "het geloof als hel centrale in het geestelijk leven. Alleen in het geloof staan wij rechtvaardig voor God.
En bij dit alles beriep prof. Van Leeuwen zich op de H. Schrift. De Schrift (en daarop legde hij grooten nadruk), de Schrift is door God aan de Kerk gegeven. De Schrift is het eigendom van de Kerk. En alleen uit het geloof is zij te verstaan. Iemand, die niet leeft uit denzelfden Geest als de Kerk, uit denzeltden Geest als Die het „Woord Gods" heeft voortgebracht - zoo iemand heeft eigenlijk niet het recht zich een oordeel aan te matigen over de kern-vragen omtrent de Schrift. 'Hij kan veel nuttigen vakarbeid verrichten, die de Kerk zich ten nutte moet maken. Maar alleen wie behoort tot deze levende Kerk, wie met haar leeft uit eenzelfde heilig geloof, kan (óók uit wetenschappelijk-theologisch oogpunt) zonder er voortdurend naast te grijpen, met vrucht medewerken aan het onderzoeken en omschrijven van de V/aarheid, door God ons geopenbaard in Christus. Immers : alleen de Geest kan ons in alle waarheid leiden.
Zóó leeft voor ons, zijn leerlingen, prof. Van Leeuwen voort als de man, wiens theologie werd geboren uit een krachtig en innig-doorleefd geloof in de Drieëenheid Gods. God is onze Schepper, en God is onze Herschepper, beide door Zijn Woord en Geest. God Zelf riep hem weg van zijn post, zoo trouw door hem bezet. Hij ging heen op Gods tijd - dus niet „vóór den tijd". Willen zijn leerlingen zijn nagedachtenis eeren, dan is de beste wijze deze :
Laten wij bestudeeren het Calvinisme, vooral Calvijn zelf, in. zijn beginselen, die wij willen toepassen - wat niet gekend wordt, kan niet worden toegepast! Laten wij bestudeeren het leven van onzen tij'd in.all^' verhoudingen - hoe zullen wij beginselen toepassen, als we niet weten waaróp ? Maar laten wij bij dit allds blijven luisteren naar de stem van onzen hoogleeraar, den schier eentonigen roep van prof. v. Leeuwen : „Weest bewust Verbi Divini Ministri ! Streeft in volle bewustheid met alle kracht naar het vervullen van uw taak, staat in het geloof, dat gij moet zijn ; Verbi Divin; Ministri : Dienaars van Gods Woord !" Utrecht.
H. SCHROTEN
ZWOLLE, 6 December 1930
Mijnheer de Redacteur,
Ondergeteekende wil gaarne een en ander in „De Waarheidsvriend" meedeelen, naar aanleiding van het stukje Rectificatie, door §§§ geschreven.
Ten eerste bestaan hier nog geen twee Evangelisaties. Wat hier door de afdeeling van den Gereformeerden Bond gedaan wordt op avonden door-de-week, is niets anders dan predikanten van den Gereformeerden Bond laten optreden tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in het midden van de Hervormde Gemeente te Zwolle. De mannen van de S.G.P. (Staatkundig Gereformeerde Partij, staande onder leiding van ds. Kersten en ds. Zandt) hebben hiertoe niet het initiatief, genomen, omdat ze van den Gereformeerden Bond niets moeten hebben. Ze zijn anders Gereformeerd dan wij. Dat op de lijst van de bestaande Evangelisatie geen enkele predikant staat ingeschreven die , niet behoort tot de ds. Kersten-Zandt-partij, is nooit door ons beweerd. Natuurlijk niet. Hoe zou die lijst ook gevuld kunnen worden enkel en alleen met Hervormde dominees, die van de S.G.P. zijn ? Dat kan immers niet, omdat er van zulke dominees maar heel weinig zijn. Maar als ze eiken Zondag zoo'n S.G.P.-dominee konden krijgen, konden de Bondspredikanten wel thuis blijven. Dan hadden ze die niet noodig. Ze zijn dan ook voor aanvulling goed genoeg, maar meer ook niet. Tegenover den Gereformeerden Bond staat men bepaald vijandig en dat wordt gevoed en gesterkt door de leiders van de Evangelisatie. Openlijk wordt „De Waarheidsvriend" de leugenvriend genoemd - een aardigheid, in de kringen van de S.G.P. meer gebruikelijk, omdat zij de waarheid zoozeer beminnen, en leden van den Gereformeerden Bond zijn er in de Evangelisatie niet.
Laat men er bij ons Hoofdbestuur maar eens naar informeeren, wat men voor den Gereformeerden Bond doet en gedaan heeft ! Dat kan navraag leiden. En hoe kwam het, dat tijdens den verkiezingstijd in de z. g.'U. Hervormde Evangelisatie geen Hervormde dominees mochten spreken als ds. Kraay, ds. Van Grieken enz., terwijl er wèl gelegenheid geboden werd (en graag) aan ds. Zandt en den heer Van Dis (niet eens tot de Hervormde Kerk behoorend !) En waarom mag de afdeeling van den Gereformeerden Bond „Elim" niet huren en niet aldaar vergaderen en de S.G.P. wèl ? Wij willen leden en voorstanders van den Gereformeerden Bond z\]n, onder de beproefde leiding van onze Hervormd Gereformeerde voormannen, maar dan worden we door de S.G.P. uitgestooten. En als voor onze~afdeeling een Hervormd predikant optreedt in een Herv'Ormde Kerk, worden hem vuile brieven vol laster, zelfs briefkaarten, toegezonden. Waarom betitelt men predikanten, die bij ons komen, met allerlei vuile lasternamen en schuift men zulke mannen allerlei heerlijke dingen in de schoenen? Zijn dat blanke wapenen van mannen, die dei leugen haten en de waarheid liefhebben ?
Omdat wij geen Kersten-mannen zijn en ook niet willen worden, daarom worden wij zóó behandeld, wat helaas ! niet alleen in Zwolle zoo is, maar ook elders, dichtbij en in de verte. Men moet maar hooren, hoe men spreekt over predikanten, die voor den Gereformeerden Zendingsbond optreden.
M. de R., ik zou nog veel meer kunnen schrijven, maar ik doe dat liever niet. Mij dunkt, het is ook voorloopig genoeg. V/ij hopen trouw te blijven aan onzen Gereformeerden Bond om in dien weg de Waarheid te verbreiden en te verdedigen. Wij zoeken zooveel mogelijk op te bouwen in het belang van onze Hervormde Kerk. In de hoop dat onze pogingen daartoe zuUen^worden gesteund, besluiten wij met den wensch en met de bede, dat de eenheid onder ons mag worden bevorderd in den rechten weg.
Namens de Afdeeling van den Gereformeerden Bond te Zwolle :
HOLLANDER, Secretaris.
*) Eerst toen mijn stuk ter verzending gereed lag, hoorde ik, dat door mijn vriend Van Dop reeds een „Ingezonden" was ingestuurd. Na overleg met hem heb ik besloten, het mijne toch nog in te zenden, daar de opzet heel anders is, maar de typeering volkomen overeenstemt, en het z'n, goede zijde kan hebben om meer dan één stem van zijn laatste leerlingengeestverwanten te hooren over prof. Van Leeuwen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's