De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Heilige Wetenschap

7 minuten leestijd

En wij weten, dat dengenen, die God hefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Romeinen 8 vers 28.

Heilige wetenschap.
Bij de jaarwisseling pleegt dikwijls, hetzij in de woning, hetzij in de samenkomst der gemeente, de 90ste Psalm gelezen te worden. Ook nu zijn velen op de een of andere wijze weer meer in het bijzonder bepaald toij hetgeen in dit lied, dit gebed van Mozes geschreven staat : Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of zoo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren ; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet.
Het uitnemendste van dit tijdelijke, aardsche leven moeite en verdriet ! Zoo is het geweest in de eeuwen, die voor ons geweest zijn, zoo zal het blijven, zoolang het den Heere behaagt deze aarde in hare tegenwoordige gedaante in stand te houden.
Wij staan aan den ingang van een nieuw jaar, maar zal dit jaar in dit opzicht van de andere jaren verschillen ? Wat hebben wij anders te wachten dan dat ook in dit jaar weer nieuw leed, nieuwe smart zal gevoegd worden bij al het leed, waarvan het leven der menschen reeds zoo vol is ?
Laat er op allerlei wijze ontwikkeling en vooruitgang zijn, op dit ééne punt zijn wij niet vooruit gegaan. Evenals ruim negentien eeuwen geleden, klimt er ook nu vanuit het gansche schepsel een bang zuchten omhoog.
De toestanden, waaronder wij het nieuwe jaar zijn ingetreden, kunnen verre van rooskleurig genoemd worden. Wie zal beschrijven, wat er al aan persoonlijk leed geleden wordt, door ziekte, door afgesneden verwachtingen. Maar de smarten der menschenkinderen zijn zich in deze tijden wel op bijzondere wijze aan het vermenigvuldigen. De druk der werkloosheid wordt door velen nijpend gevoeld. De economische verhoudingen dreigen meer en meer ontwricht te worden met op den achtergrond nieuwe moeite, nieuwe ellende voor duizenden.
De ontevredenheid en de druk brengen in den geestestoestand van velen een angstige spanning ; in brede lagen van het volksleven binnen en buiten de grenzen van ons land is het aan 't gisten en 't koken.
De verhoudingen onder de volkeren blijven gespannen. Uit Rusland dringen geruchten door, die ons met schrik vervullen, vooral wanneer wij denken aan den schier geheimzinnigen invloed en ook aantrekkingskracht, die er van dat land vol van verschrikkingen toch op de verschillende volkeren uitgaat.
In één woord : de tijden blijven donker ; sombere wolken blijven over de wereld hangen ; de Heere dreigt wel op een geheel bijzondere wijze met Zijne oordeelen. Wanneer wij op het wereldgebeuren merken, is er weinig, dat in staat is ons met goede hoop te vervullen.
In het midden van al die donkerheid, bij die sombere vooruitzichten, mag het een voorrecht genoemd worden aan het begin van dit nieuwe jaar u te mogen voorhouden het tekstwoord, dat ik als uitgangspunt dezer overdenking koos.
Het staat daar als een troostend, helder schijnend licht te midden van al die donkere, moedbenemende levensomstandigheden. Ik spreek van licht, want hier is sprake van het licht — van wetenschap. Ook worden wij er op gewezen, waar de bron van dit licht is en voor wie dit licht bestemd is. Eindelijk wat zij, die door dit licht bestraald worden en daarin wandelen, weten mogen.
Wij mogen hier van wetenschap hooren. Waar wetenschap is, daar is licht ; waar geen wetenschap is, daar is donkerheid, duisternis, dwaling.
Er wordt veel over wetenschap gesproken ; er wordt veel in de wetenschap geroemd ; de wetenschap is de afgod, waarvan velen ook in onze dagen het heil verwachten. En laat ons dit bedenken, de wetenschap, de échte wetenschap is een kostelijk, voortreffelijk ding. Slechts de dwaas kan de wetenschap verachten.
Alleenlijk al wat wetenschap genoemd en geroemd wordt — is daarom nog geen wetenschap. Als het op waarlijk weten aankomt, dan blijkt de wetenschap van ilcn mensch gedurig nog zoo gering, nog zoo heel klein. Het zijn de grootste denkers, de grootste geleerden geweest, die met al hun kennis en geleerdheid hebben moeten verklaren, eigenlijk nog niets te weten ; d.w.z. in niets tot den eigenlijken grond der dingen te zijn doorgedrongen.
„Het schoonste, dat we kunnen ervaren, is het mysterieuze. Het is de bron van alle ware kunst en wetenschap. Hij, wien deze emotie vreemd is, die niet meer kan toeven vol verwondering en, in ontzag verzonken staan, is als een doode ; zijne „oogen zijn gesloten". — „Te weten, dat het voor ons ondoorgrondelijke werkelijk „bestaat en zich vertoont als de hoogste wijsheid en de heerlijkste schoonheid, welke onze botte verhogens slechts in den meest primitieven vorm kunnen vatten, die wetenschap, dat gevoel, in het „kernpunt van ware godsdienstigheid". Zoo heeft een der groote denkers uit onze dagen (Einstein) geschreven. Hier een staan als een onwetende tegenover het ondoorgrondelijke, maar vol ontzag en verwondering.
.Merkt er op, hoe hier in wal wij zouden noemen eene natuurlijke Godskennis, een naderen is tot wat Hugo Binning de grootste trap van de kennis der heiligen in deze wereld heeft genoemd, dat zij met verwondering en genegenheid vragen: O, wie is Gelijk de Heere? hoe heerlijk is zijn naam. Hier is een vraag, waarop geen antwoord kan gegeven worden. Op deze hoogste trap van kennis wordt het geweten, dat er een onwetendheid is, die gedurig de verwondering vermeerdert.
De wetenschap der heiligen is het verstand, zoo staat er geschreven. De wetenschap der onheiligen is een vermeende wetenschap. Het licht van die wetenschap bleek gedurig een dwaallicht te zijn, waardoor de menschen van Gods Woord afgevoerd en in doolwegen van zonde en duisternis verstrikt raakten. En gedurig moet het ondervonden worden, dat het einde van hen, die wilden wandelen in de spranken van het licht dat zij zelve ontstoken hadden, was, dat zij in smarten, moesten nederliggen. Maar de wetenschap der heiligen is licht en geeft licht, om de welgebaande wegen te kiezen en te loopen het pad van God geboden. Daarom bidt dezulke : "Geef mij verstand, met goddelijk licht bestraald". Deze wetenschap is een wetenschap, waarin de vreeze des Heeren, dat diepe ontzag, die heilige verwondering voorondersteld is, maar tegelijk een besef van eigen onwetendheid, nietigheid en kleinheid. En deze vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid.
Deze wetenschap is een wetenschap, die niet uit den mensch opkomt, maar van boven af op den mensch neerdaalt. Het is niet aan den mensch om tot het licht van deze wetenschap op te klimmen, maar hier is een daad van Gods genade, naar Zijn vrijmachtige ontferming.
Wij weten niet hoe en waarom, maar daar kunnen oogenblikken in het leven van den mensch zijn, waarin hij gelijk een Paulus op den weg naar Damascus, met een hemelsch licht omstraald wordt. Dan wordt de Heere den mensch te machtig, dan moet een Paulus, en wie het ook verder is, met al zijn wijsheid, met al zijn kennis, met al zijn deugd en inspanning er aan, om als een doode, machtelooze, verslagene ter aarde neder te vallen.
Waarom dit den eenen geschiedt, den anderen niet ? Wij weten het niet. Hier wordt het openbaar, dat hel niet is desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Wij zouden willen, dat de Heere aan ons, hoogmoedigen menschen, rekenschap van Zijn doen gaf, maar hier moet geleerd worden, dat Hij God is en wij menschen zijn en waar wij blijven met ons als God willen zijn.
Naar Zijn eeuwig voornemen behaagt hei Hem, die Hij wil, uit de kinderen der menschen te roepen met een onwederstandelijke roeping. Dan bestraalt Hij hen met Zijn goddelijk licht. In dat licht leert Hij hen, wie zij in zichzelve zijn naar de heiligheid van Zijne wei, doemwaardige, doodschuldige zondaren. Hij doet het licht van Zijn Woord vallen in de duisternis en onreinheid van hunne harten, zoodat zij dat Woord moeten toevallen en erkennen, dat het gebod heilig is en goed, maar zij zelve onheilig en boos.
Maar als de Heere roept met een onwederstandelijke roeping, geeft Hij zulk een doemwaardige en in zich zelve verloren zondaar ook een gezicht in de noodzakelijkheid, gepastheid, dierbaarheid van dien eenigen Zaligmaker, die blank en rood den de banier draagt boven tienduizenden prediking te geven en tot de eenvoudige Schriftuitlegging terug te keeren. „Met de geliefde „mottoprediking" kan men in korten tijd de beste Kerk ten gronde richten", zegt de „Ref. Kirchenzeitung".

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's