de kleine luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
Thans scheen de dagvorstin slechts loom uit hare slaapkamer te kunnen opstaan, om na een mat schijnsel van maar enkele uren zich vroegtijdig weer in de donkerheid terug te trekken. De dagen waren op hun kortst.
Die niet buiten hoefde, bleef lekker binnen, — alleen hier en daar groepjes straatjeugd ; de handen in de zakken of onder den boezelaar, in verveling bijeen, omdat wegens onvoltalligheid geen spel kon worden uitgevoerd of de een niet wilde, wat de andere wou, intusschen sprekend met kinderwijsheid over de vrieskansen en de daarvan afhankelijke winterpret, en over wat zij van de grooten wel eens afluisterden.
„En jouw vader is een sociaal" — zegt Harm van Doede en Jantje tegen Pieter van kleinen Symen, die zijn vader althans in dit opzicht schijnt te zullen evenaren, dat ook hij laag bij den grond blijft en als het straks op vechten mocht aankomen, lang niet is opgewassen tegen zijn bestrijder, die blijkbaar ruzie zoekt.
„'t Komt, omdat hij met n belapte broek moet loopen" — plaagt Hans van Freerk Zantema, die trouwens zelf ook niet zoo bijzonder florissant gekleed gaat, maar graag de partij van Harm kiest, omdat deze de sterkste is.
„En. jouw vader loopt met den strooppot" — nijdigt Pieter, die Hans wel aandurft.
„En jouw moeder met den bollekorf" — is het antwoord van Hans, die scheef naar Harm ziet of hij op diens hulp kan rekenen, als 't meenens wordt.
"Dat is flauw ; Pieter kan het niet helpen dat zijn vader bij de rooien hoort, en het is mooi dat Syke met den bollekorf loopt, jullie lusten zeker haar broodjes ook wel" — komt Machiel van Johannes en Klaske tusschen beiden.
„Zij verkoopt geen eens broodjes !" „Dat is wèl „Dat is niet, verkoopt je moeke broodjes ? „Tegenwoordig niet, wegens den oorlog" — vertelt Pieter, die een weinig moed begint te krijgen, omdat hij in elk geval niet geheel alleen in het strijdperk staat, als het ook hier tot een slag mocht komen. „Jullie bent zoo arm als de mieren" — treitert Harm weer — „je hebt niet eens een Zondagschen kiel, en loopt in witte klompen".
„Maar jullie hebt ook geen geld". „Wij hebben toch wel een schaap". , , En wij hebben een schaap en een geit" — zegt Machiel, die vrederechter wil wezen, en de aandacht van Pieter afleiden, omdat de partijen zoo ongelijksoortig zijn. ,,'t Zou nog al wat ; wat heb je aan een geit".
„Nou, jongen, die geeft lekkere melk ; geitenmelk".
„Ja, en die is zoo voedzaam" — weet Hans, omdat hij dat onlangs hoorde zeggen.
"Wij krijgen op een ander jaar misschien een koe" — pocht Harm — "en ik krijg ook een hok met konijnen".
„Niks van waar ; dan wist ik 't wel." — zegt Machiel, die niet hebben kan dat zijn buurjongen zoo opsnijdt ; — „ik zal 't je moeder vragen". „Klikspaan !" „Pocher !" „Pas op, jongen, ik durf je wel".
, , En ik jou óók wel". „Laten wij nou spelen ; wat hebben wij hieraan. Kijk, daar komen Sjoerd en Willem en scheele Klaas ook aan" — zegt Pieter, die nu op zijn beurt , het dreigend gevaar meent te kunnen afweren.
„'k Wou, dat het paarde-ijs begon te vriezen" — zegt Harm, die geen nota neemt van 't geen Pieter voorstelt, omdat zijn vader sociaal is en daarbij arm.
, , Ik ook" — vallen de anderen in. ,,'k Zal haastig mijn schaatsen van zolder hebben" — vertelt Hans — „verleden winter ben ik nog naar Leeuwarden gereden".
„En ik naar Dokkum" — aldus de eerste spreker — „daar heb je den Bonifaciusput"; „755. Bonifacius bij Dokkum vermoord" — dikteert scheele Klaas. „Jou kunt niet eens schaatsen. Verleden jaar moest je nog achter een stoel". ,,'t Weet ik wel ; omdat ik slap in mijn enkels ben. Maar daarom kan 't nu wel beter wezen".
„Neen, dat geneest niet weer" — beslist Harm met een ernstig gezicht. „Zullen wij een sneeuwman maken ? " — stelt Willem voor.
„Laten wij dan liever baantje glijden". „Jongens, ja, op 't kerkpad ; dan kunnen wij Jasper ook eens nijdig krijgen". En met Pieter van kleinen Symen incluis stevent het groepje in de richting van de kerklaan, om daarmede meteen Jasper straks op zich te zien loskomen, die niet gedoogén kan dat die ondeugende jongens van het kerkpad, waarlangs de menschen 's Zondags óp moeten gaan, een glijbaan maken. Daar is ook in 't geheel geen eerbied meer onder de jeugd voor 't heilige. Maar zij kunnen er van op aan, de bengels, dat hij het straks den meester zeggen zal, en dan zal die wel spoedig een stokje bij dit spelletje steken.
't Zou echter niet noodig zijn dat Jasper zich op den vroegen morgen al ging kwaad maken om het bederf dat de kinderen van ons geslacht volgens hem boven anderen gaan openbaren, want nog vóór hij hiertoe de gelegenheid had, was de troep al uiteen gestoven door de onverwachte nadering van dominé. Dat was iets bijzonders. Niet, dat deze op het dorp .gezien werd, want dat had dagelijks plaats, maar zoo vroeg op den morgen. Zeker een ernstige zieke.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's