KERKELIJKE RONDSCHOUW
Oude Predikanten en nog wat.
Wij hebben voor onze Gereformeerde gemeenten te weinig predikanten. Daarom moet het gebed opgaan tot den Heere des oogstes, dat Hij wegen en middelen mag schenken om daarin te voorzien. Om daarin zóó te voorzien, dat godvreezende, goed bestudeerde mannen mogen ingaan in het werk van des Heeren wijngaard, opdat de gemeenten mogen worden opgebouwd en gesticht in den weg van 's Heeren Woord, door een gezonde prediking en een getrouwe bediening van de Sacramenten. Opdat het Verbond Gods mag worden bevestigd onder ons en onze kinderen !
Heerlijk, dat we telkens weer gewagen mogen van de trouwe Gods, ook tegenover onze ontrouw. Dat we spreken mogen over den God des Verbonds, die niet laat varen de werken Zijner handen. „God zal Zijn waarheid nimmer krenken ; maar eeuwig Zijn verbond gedenken. Zijn Woord wordt altoos trouw volbracht tot in het duizendste geslacht, 't Verbond met Abraham, Zijn vrind, bevestigt hij van kind tot kind".
De Verkiezing èn het Verbond — kunnen ons in deze donkere, bange dagen zoo buitengewoon tot troost en bemoediging zijn ! „De Kerk is eene heilige vergadering der ware Christ-geloovigen, die de Zoon van God van het begin der wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt" leert onze belijdenis, op grond van Gods Woord en de ervaring van alle tijden bevestigt het. En dat komt óp uit de Verkiezing en uit het Verbond.
Achter alles staat de Verkiezing. En de Verkiezing gaat langs den weg van het Verbond. En zóó komt en blijft Gods Kerk in het midden van ons en onze kinderen.
De Verkiezing omvat een gansch groote schare uit alle geslachten, talen, volken en natiën, leert Gods Woord. En de gezonde Gereformeerde theologie heeft zich door alle tijden heen daaraan vastgehouden en heeft dat geleerd. Niet de eigengemaakte, eigengerechtige theologie, maar de gezonde Gereformeerde theologie heeft dat voorgestaan en vastgehouden en geleerd, gelijk bij de besten van onze Gereformeerde theologen van alle tijden gevonden wordt en gemist wordt bij alle eigengemaakte en eigengerechtige theologie.
De Gereformeerde theologie leerde daarbij, dat de Verkiezing wel persoonlijk is en heeft bepaalde, Gode bij name bekende personen tot voorwerp, maar zij kiest dezen zóó uit en voegt hen op die wijze samen, dat zij met elkander vormen kunnen den tempel Gods, het lichaam des Heeren, de bruid van Christus. Zóó wordt de Kerke Gods gebouwd en in stand gehouden.
De Verkiezing stelt zich de schepping en formeering van een organisme ten doel. Dat is : de verlossing, vernieuwing en verheerlijking van eene herborene menschheid, die de deugden Gods verkondigt en Zijn Naam op haar voorhoofd draagt.
Als God deze Verkiezing uitvoert in den tijd, opdat straks een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal openbaar worden, waar het volk des 'Heeren zaligheid en heerlijkheid zal ontvangen, dan doet de God der Verkiezing dat als de God des Verbonds. Dan doet Hij dat dwars door het Verbond heen. Dan doet Hij dat in den weg van het Verbond der genade, waarvan Christus het Hoofd is ; en in dat Verbond, dat in Christus staat, neemt Hij nooit een enkel persoon los van alle anderen op, maar als de God des Verbonds zegt Hij telkens : „Ik wil uw God zijn en de God van uw zaad" ; Hij roept als de God der Verkiezing naar Zijn welbehagen in dien éénen persoon tegelijk van zijn gezin en zijn geslacht ; barmhartigheid bewijzende aan duizenden dergenen, die Hem liefhebben en Zijne geboden onderhouden. Zoo heeft God gedaan bij Adam, bij Noach, bij Abraham ; zoo doet Hij nog bij ieder, dien Hij uit den dienst der wereld in Zijne gemeenschap brengt. "Ik wil uw God zijn en de God van uw zaad", bevestigt Hij.
Daarom begeeren wij ook, dat overal het Woord gepredikt mag worden, door dienaren des Woords, die den God der Verkiezing kennen en niet vreemd zijn aan den God des Verbonds, opdat ze als gaarne getrouwe knechten des Heeren alom mogen ingaan in de gemeenten ; straks ook in de vacante gemeenten.
En dan zijn er de oude predikanten.
Daarover wordt in deze dagen — bij de wisseling des jaars — nog al geschreven. OP l Januari 1931 waren er niet minder dan 72 predikanten met meer dan 40 dienstjaren. en dat op een aantal van 1300 menschen — dat is geen kleinigheid.
Wij zijn blij, dat we nog oude predikanten hebben. Want we hebben toch al te weinig dominees ; en als de ouden ons nu óók gingen verlaten, dan raakten we met onze vacante gemeenten nog méér aan den grond. Maar — nu andere bladen er zoo druk over schrijven, willen wij toch ook wel als onze meening zeggen, dat het als regel niet wenschelijk moet worden geacht, dat menschen van 70, 80 jaar soms nog dienstdoende predikanten zijn en 40, 50, 60 jaar dominé zijn. Voor alles is een bestemde tijd — zegt de Heilige Schrift. Voor komen, maar ook voor gaan. Voor arbeiden, maar ook voor rusten. En de plaats van de oudsten onder de ouden dient, onder gewone omstandigheden, door jongeren te worden ingenomen.
De arbeider is z'n loon waardig ; de oude dienaren des Woords hebben ook recht op een rusttijd. Niet om dan niets te doen, maar, als ze nog voldoende krachten hebben, b.v. vacante gemeenten in den dienst des Woords en der Sacramenten te helpen en bij te staan.
Onafhankelijk van jonge en van oude predikanten kan God werken het werk Zijner handen. Maar Hij, die niet zonder menschen werken wil — en voor de gemeenten geven wil herders en leeraars tot opbouwing van het lichaam van Christus en tot volmaking der heiligen (door Woord en Sacrament) — Hij wil ook in deze een God van orde zijn. En dan is altijd de orde geweest, dat de ouderen aan den avond van hun leven zullen rusten en dat de jongeren hun plaats zullen innemen.
Maar als we spreken van „den avond van hun leven", dan schiet ons plotseling weer in de gedachte, dat ook zelfs dominees niet kunnen leven van den wind. En zeker is het waar, dat God een God is, die wonderen werkt. Maar God doet geen wonderen, wanneer wij Hem verzoeken en nalaten wat onze dure plicht is.
En zeker moeten de predikanten dan ook zelf zorgen voor den ouden dag. Ook zij mogen God niet verzoeken !
Maar en het doet ons pijn, na „de Oudejaarsavondcollecte" schieten de gemeenten, schiet de Kerk niet te kort inzake de pensioneering ?
Wij zeggen het niet in bitterheid. God weet het !
Maar is het niet pijnlijk, héél pijnlijk die „Oudejaarsavondcollecte" ? Is het geen schande ? En — dat zeggende — moeten we er elkander niet op wijzen, dat de Kerk in deze een roeping heeft ?
Oude predikanten en ja, dan zeggen wij, naar uitwijzen van Gods Woord, dat er is een tijd van arbeiden en een tijd van rusten.
God bane den weg.
Opdat niet blijven, die moesten heengaan. Opdat niet ontbreken, die er moesten zijn. Opdat de Kerk des Heeren worde opgebouwd !
Waartoe de God der Verkiezing, de God des Verbonds ons genadig zij !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's