SCHRIFT VERKLARING
Romeinen 8 vers 30.
En die Hij te voren verordineerd heen, deze heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt.
Romeinen 8 vers 30.
Doordat de apostel hier vele heilsfeiten achter elkaar komt te noemen, is het niet te verwonderen, dat men over Rom. 8 vers 30 is gaan spreken al over de keten des heils. Ja, een keten del heils mag het met recht genoemd worden. De eerste schakel is de voorverordineering in de stille eeuwigheid, en de laatste schalm is de verheerlijking, zooals die in de eeuwigheid hare voltooiing zal vinden. Als de jongste dag den snik zal hebben gegeven, zal de schalm der voorverordineering door Gods hand worden vastgesmeed in den schalm der verheerlijking, opdat de keten des heils zal worden toegesloten. Tusschen voorverordineering en verheerlijking liggen roeping en rechtvaardigmaking.
Indien in één vers, dan toch zeker wel in dit vers, zien we duidelijk hoe de redding van Gods gemeente een daad Gods is. Hij verordineert. Hij roept. Hij rechtvaardigt. Hij verheerlijkt. Er is niets bij van het schepsel. Gods Kerk hier beneden zal het bij tijden en oogenblikken, en straks altoos en eeuwig, gaarne belijden met den dichter van den 89sten Psalm :
Wij steken 't hoofd omhoog En zullen d' eerkroon dragen, Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.
En wat is het duidelijk uitgesproken door de discipelen, als ze zeiden : Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.
Het is dan ook de Heere, die zich in het werk der voorverordineering heeft verheerlijkt in Zichzelf. Van vooruitgezien geloof kan hier geen sprake wezen. De grond ligt niet in eenige gerechtigheid des menschen. Als een onomstootelijke waarheid spreekt God in de profetie van Ezechiël : „Ik doe het niet om uwentwil, o gij huis Israels, maar om mijns heiligen Naams wil, dien gijlieden ontheiligd hebt, onder de heidenen, waarheen gij gekomen zijt".
Toch is bij de zaliging de mensch maar niet een stok en een blok. Neen, de roeping Gods wordt tot den mensch als zedelijk schepsel gericht.
De Heere roept den zondaar in de roerselen der consciëntie. Hij laat Zijn Woord uitdragen tot aan de einden der aarde. Hij laat het prediken, dat zonder waarachtige levensvernieuwing nooit meer iemand het Koninkrijk Gods zal kunnen zien.
Hij laat in den donkeren nacht der zonde nog opgaan het lieflijk licht des Evangelies. Met recht spreken we zoo zooveel in ons aller leven als van roepstemmen. Hij roept in wegen van druk zoowel als in wegen van zegen.
Dat de diepgezonken mensch de uitwendige roeping niet meer hoort, is niet Gods schuld, maar de schuld van den gevallen mensch. Dat Hij aan de uitwendige roeping de inwendige roeping paart, is een blijk van Zijn genade en vrijmacht.
O, kind des Heeren, waar waart gij, toen de Heere riep ? Was het niet op den breeden weg des verderfs ? Ge zoudt immers zijn voortgehold naar het eeuwig verderf. Maar Hij hield u staande, doordat Hij u riep met een onwederstandélijke roeping, door de kracht van Zijn Heiligen Geest.
De oogen werden ziende, de ooren werden doorboord en het hart werd verbrijzeld. Toen Hij zich in Zijn recht aan u openbaarde, ontviel u alles. Uw gansche leven, met gedachten, woorden en werken, getuigde tegen u. Ge zaagt u in Adam voor Hem verdoemelijk. Al uw eiigengerechtigheden waren als een wegwerpelijk kleed, 't Scheen verloren. Voor eeuwig verloren. Naar recht ! Maar neen. Hij rechtvaardigde. Hij sprak vrij van alle schuld, omdat Hij u wilde aanzien in het volbrachte werk van Golgotha. Uwe zonden, door het geloof gelegd op dat volmaakte Lam, hetwelk de zonden der wereld wegneemt ! Maar door het geloof is Zijne verworvene gerechtigheid ook de uwe. En op die daad van rechtvaardigmaking volgt de verheerlijking. God rechtvaardigt niet alleen, maar Hij komt ook te heiligen. De Heilige Geest komt te vernieuwen, zoodat zich de vruchten van dat nieuwe leven op allerlei wijze komen te openbaren.
Hij maakt hen heerlijk. O, lees eens in het boek van koning Salomo, in het Hooglied, hoe de Bruidegom de heerlijkheid van Zijne in zichzelf toch o zoo arme bruid bezingt.
En nu weet ik het wel, dat elk van Gods kinderen zich niet op eenige eigene heerlijkheid zal kunnen beroemen. Moeten ze niet belijden met de bruid, dat ze zwart zijn als de tenten Kedars, maar toch, in Christus zijn ze weer lieflijk als de gordijnen van Salomo.
Nu zal de Kerk hier beneden telkens weer afwisselend moeten leeren nazeggen : Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uil het lichaam dezes doods, en Ik dank God door Jezus Christus onzen Heere. Wat hier in beginsel wordt gekend, " zag de apostel als reeds voltooid : deze hééft Hij ook verheerlijkt.
O, al het lijden van dezen tegenwoordigen tijd zinkt voor de Kerk Gods weg in het niet bij de gedachte aan die voltooide heerlijkheid daarginds.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's