MEDITATIE
De goedertierenheden des Heeren.
„Wat klaagt een levend mensch ? Een iegelijk klage vanwege zijne zonden", zoo roept de profeet Jeremia in zijn klaaglied den klagenden menschen toe. (3 vers 39).
Het klinkt vreemd, dat Jeremia, die zelf zoo klaagt, vermaant om niet te klagen, zoodat wij hier recht zouden meenen te hebben om tot den profeet te mogen zeggen : „Medicijnmeesler, genees u zelven". De klaagprofeel immers waarschuwt tegen klagen en betuigt, dat de mensch alleen over zijn zonde moet klagen en nergens anders over.
En hoe kan dat ? Och, de profeet heeft ingezien dat hij zelf ten onrechte geklaagd heeft. Hij heeft 't verkeerde daarvan ingezien. En is het nu juist niet alzoo, dat wij het meest tegen die zonde waarschuwen, waarvan wij zelf het verderfelijke het meest hebben ingezien ? Evenals er bijna geen enkele apostel zoo waarschuwt tegen eigengerechtigheid als Paulus, omdat hij zelf door genade zoo het verderfelijke van de eigengerechtigheid had ingezien ; omdat, hij dat alles als schade-en drek-had leeren achten om de uitnemendheid der kennis van Christus.
De ondervinding is de beste leermeester, en die het zelf ondervonden heeft, kan het ook aan een ander het best leeren. De profeet heeft zelf zoo geklaagd, niet alleen over hetgeen hem wedervaren is in den val van Jeruzalem, maar ook over den Heere zelf, die hem al deze smart deed overkomen.
Jeremia heeft over den Heere geklaagd. Dal de Heere hem gevoerd had in de duisternis en niet in het licht ; dat de Heere hem met gal en moeite omringd had ; dat de Heere Zijne ooren voor hem gesloten had ; dat de Heere hem was geweest als een loerende beer en een leeuw in verborgene plaatsen. Zooals wij dat kunnen lezen in 't eerste deel van hoofdstuk drie.
Toen de oogen van Job open gingen, verfoeide hij zich in stof en asch ; toen zag hij in wie hij in zijn smart tegenover den Heere was geweest. En nu moest hij zich wegschamen.
En zoo gaat het ieder, die bij Geesteslicht zijn ongestalte krijgt te zien in den lijdensweg, dat hij zoo geheel anders was dan Hij, die geduldig den lijdensbeker tot den laatsten druppel toe gewillig heeft geledigd en die daarin een „voorbeeld des lijdens heeft nagelaten, opdat wij Zijne voetstappen zouden navolgen. (2 Petrus 1 vers 21).
Zoo is het ook Jeremia gegaan. De klaagprofeet moet gaan roemen „de goedertierenheden des Heeren".
Geen mensch past het om te klagen, maar allerminst een levend gemaakt mensch ; die moet alleen maar klagen over zichzelf en roemen over de goedheid Gods. Het is zoo bedroevend, dat de levende menschen, de kinderen Gods, dat zoo weinig doen, en dat zij, evenals de tien verspieders een kwaad gerucht van Kanaan brachten, zoo weinig een goed gerucht van den Heere laten hoeren, zooals Jeremia, toen hij bij Geesteslicht zichzelf en den Heere kreeg te zien. Immers toen roemde hij den Heere en zeide : Hoofdstuk 3 vers 22 en 23 :
Het zijn de goedertierenheden des Heeren dat wij niet vernield zijn, dat Zijne barmhartigheden geen einde hebben ; zij zijn alle morgen nieuw. Uwe trouw is groot.
Wat een omkeer in de zielsgeslalte van dien profeet: in plaats van bitter klagen is er nu een hoog roemen over den Heere. Nu had hij niets te klagen over den Heere. Nu was zijn klacht verstomd om plaats te maken voor roemen in en over den Heere. De ongelukkige is een gelukkige, want de klager is een roemer geworden. En daartoe is voor Gods kind zoo'n overvloedige stof, als hij het maar recht mag inzien. Hij krijgt in alles wat Hij ziet een weldaad des Heeren te zien. Dat hij „niet vernield" is, is al een goedertierenheid Gods.
Als de mensch bij ontdekkend licht des Geestes zichzelf mag bezien, dan stemt hij het zoo toe, dat al wal hij het nog beter heeft dan de verdoemden in de hel, een goedertierenheid des Heeren is ; want immers dan ziet hij dat hij de tijdelijke en eeuwige straffen naar lichaam en ziel rechtvaardig verdiend heeft.
„Niet vernield" is als door de goedertierenheden Gods, zegt Jeremia.
Vernielen dat is : op een wreedaardige, ruwe, meedoogenlooze wijze vernietigen. Jeremia ziet dus zoo in, dat hij zonder eenige barmhartigheid niet verscheurd, verpletterd is, of welke vreeselijke wijze ook, niet aan het verderf is overgegeven, zijn de goedertierenheden des Heeren.
Ja, dat is reeds een aaneenschakeling van goedertierenheden, een onophoudelijke goedertierenheid.
En dat is niet alleen omtrent hem, maar omtrent het geheele volk. En dat wordt dan ook door ieder kind Gods toegestemd en bij oogenblikken doorleefd.
ledere levend gemaakte ziel heeft het doorleefd, wat de apostel Paulus getuigt : Ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont" ; dat hij „melaatsch is van den hoofdschedel tot de voetzool toe" ; dat zij onbekwaam is tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad ; dat zoo de Heere de ongerechtigheden gadeslaat, niemand kan bestaan, omdat de Heere te rein van oogen is dan dat Hij het kwaad zou kunnen aanschouwen. Er zijn geen woorden genoeg om te beschrijven de gruwelijke verdorvenheid van den mensch, maar ook niet om de goedertierenheden des Heeren te roemen. De eeuwigheid zal dan ook niet te lang wezen om den Heere te loven en Hem toe te brengen lof, aanbidding en dankzegging. Als 't volk recht gesteld is, zingt het daarom zoo van harte : „'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên" en „Uw goedheid, Heer, is hemelhoog" en zooveel lofpsalmen als er zijn. Dan kunnen zij niet uitgeroemd komen vanwege de goedertierenheden des Heeren., Dan zinken zij er onder weg. Dat zij „niet vernield" zijn ; daarin zien zij al goedertierenheden des Heeren, daar zij dit zoo rechtvaardig verdiend hebben ; hoeveel te meer dan in al die weldaden waarmede zij dag aan dag worden overladen.
Wat is het voor hen veel, als zij eiken dag weer voedsel en deksel en kleeding ontvangen, waar zij verdiend hebben om honger en kommer te lijden.
Wat is het een goedertierenheid, als zij elken dag weer mogen uitgaan en ingaan in gezondheid en welstand ; dat zij zooveel mogen genieten op deze vervloekte aarde, stoffelijk en geestelijk ; dat zij te midden van zooveel ontrouw en vijandschap nog zooveel trouw en vriendschap mogen ondervinden ; dat zij nog geestelijke banden tot elkander mogen hebben, en bovenal dat zij nog ondervindingen mogen hebben van de trouwe - Gods, zooals Jeremia het ook mag zien, als hij zegt : „Uwe trouw is groot".
Hoe meer een mensch mag graven in zijne eigene verdorvenheid, hoe meer gruwelen hij zal vinden, maar óók hoe meer hij mag graven in het Wezen Gods, hoe meer goedertierenheden hij zal vinden. Tegenover zijne eigene ontzaglijke verdorvenheid staat de oneindige goedertierenheid Gods. Want die is zóó groot, „dat Zijne barmhartigheden geen einde hebben". Tegenover die vuile bron van ongerechtigheden, die overvloedige fontein van alle goed. Het is om er onder weg te zinken voor degenen, die er kennis aan hebben.
Zoo was het ook met den dichter van Psalm 136. Bij alles wat aan zijn geestesoog moest voorbij gaan, moest hij altijd weer uitroepen „Want Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid", en zooals David getuigt in Psalm 146 „De Heere is rechtvaardig in al Zijne wegen, en goedertieren in al Zijne werken. Alles ! alles !getuigt van Zijne goedertierenheid ! elke ademtocht zelfs.
Maar is de Heere dan ook niet rechtvaardig ? Och, er is niemand die van de goedertierenheden des Heeren zal zingen, of hij heeft kennis aan de rechtvaardigheden Gods. Juist als wij het recht Gods hebben leeren kennen, wordt ons de goedertierenheid zoo groot. „Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze overtredingen", dat kan toch alleen maar uitgejubeld worden door degenen, die hun doem-en strafwaardigheid voor de gerechtigheid Gods hebben leeren kennen.
Maar zegt David dan niet in Psalm 101 : „Ik zal van goedertierenheid en recht zingen" ? Gaat dan de goedertierenheid niet voorop ? Doch daarentegen stelt David in Psalm 146 vers 17 de rechtvaardigheid voorop, als hij zegt : „De Heere is rechtvaardig in al Zijne wegen en goedertieren in al Zijne werken".
En daaruit blijkt, dat er van meer of minder geen sprake is. Er is geen goedertierenheid in het dierbare goddelijke Wezen ten koste van Zijn gerechtigheid.
Zijne goedertierenheid is oneindig, maar Zijne gerechtigheid is evenzeer oneindig. De eene is niet grooter dan de andere. Zij strijden ook niet tegen elkaar. Zij zijn in den Heere één. Daarom zegt Hellenbroek in zijn vragenboekje, op de vraag : „Zijn Gods eigenschappen ook verscheiden en onderscheiden van elkander ? " in het antwoord : „Niet in God, want in Hem is alles maar ééne oneindige volmaaktheid ; maar alleen naar onze manier van bevatten en naar de verscheidene uitlatingen van Gods volmaaktheden omtrent de schepselen".
In God één. En dat is voor een mensch een onbegrijpelijkheid, omdat die twee in ons twee blijven, en bij ons rechtvaardigheid en barmhartigheid met elkander in strijd zijn. Laat de Heere dus bizonder Zijne gerechtigheid aan de ziel uit, dan zal die ziel in het bizonder van de gerechtigheid Gods vervuld zijn, en .laat de Heere ons Zijne goedertierenheid zien, dan zinkt de ziele weg onder de barmhartigheid Gods. Maar zonder Geesteslicht wordt noch het een noch 't ander gezien. De natuurlijke mensch is zoowel voor het eene als voor het andere ongevoelig.
Wordt hij geslagen : hij gevoelt geen pijn, als de Heere in die slagen Zijne gerechtigheid openbaart. Houden de slagen op, houdt de Heere de roede Zijner verbolgenheid in, dan wordt hij door de goedertierenheid niet tot bekeerinig geleid.
Daarom zien wij : als het recht Gods niet wordt gekend, dan wordt op de „goedertierenheid Gods" maar doorgezondigd, hoewel dezulken evenmin iets kennen van de goedertierenheid Gods als van Zijne rechtvaardigheid.
Geheiligde kennis van Gods goedertierenheid doet de ziel evenzeer de zonde haten en laten en mijden en vlieden als de geheiligde kennis van Gods gerechtigheid. Omdat zij dan zien de vreeselijkheid der zonde, daar zij tegen zulk een goed en goeddoend God gezondigd hebben.
Toen David zijne groote zonde bedreven had en inzag, riep hij uit : „Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en mijne zonde is steeds voor mij" ; of zooals in de berijming staat : „Mijn zonde zie ik mij steeds voor oogen zweven". Niet het zwaard, dat van mijn huis niet zal wijken, maar mijne zonde zie ik steeds. Omdat het was een zonde tegen zulk een goeddoend God, Die hem zooveel igoedertierenheid had bewezen. En nu was hij een oorzaak, dat die dierbare Naam van dat goeddoende Wezen werd gelasterd. In dat zwaard, dat van zijn huis niet zou wijken, werd ook Gods goedertierenheid openbaar, want David had als een doodslager den dood verdiend en de Heere liet hem nog leven. Wat een goedertierenheid ! En zoo hebben wij allen den dood verdiend, en wij mogen leven; de tijd der genade wordt nog verlengd. Wat een goedertierenheid !
Elken morgen als wij de oogen mogen open doen, is het een bewijs dat Zijne barmhartigheden weer nieuw over ons zijn en dat Zijne trouw groot is. Gelukkig, die dat zien mag. Of die het, al is het maar één keer, heeft mogen zien. Dat vergeet hij nooit. Want dan is die goedertierenheid Gods voor hem zoo overweldigend groot geweest, dat hij zich daarna er telkens weer over moet verwonderen. En hij betreurt het dat ihij er veel te weinig bij bepaald is en daarom ook veel te weinig op de rechte wijze van dien goeddóenden God spreekt, die het zoo waardig is om te ontvangen alle lof en aanbidding en dankzegging, nu en tot in alle eeuwigheid.
In Christus roemt de barmhartigheid Gods tegen het oordeel voor al de Zijnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's