De Kleine luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
,,Wil je mij wat voorlezen, Sien ? " „Wat moet het dan zijn ? " „Och, dat weet je zelf wel ; iets dat vertroost".
En toen las zij met zachte stem :
„Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.
„Ik zal tot den Heere zeggen : Mijne toevlucht en mijn burg, mijn God op wien ik vertrouw.|
„Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.
„Hij zal u dekken met Zijne vlerken, en onder Zijne vleugelen zult gij betrouwen ; Zijne waarheid is een rondas en beukelaar. „Gij zult niet vreezen voor den schrik des nachts, voor den pijl die des daags vliegt, voor de pestilentie die in de donkerheid wandelt, voor het verderf dat op den middag verwoest.
,,Want Hij zal Zijne Engelen van u bevelen, dat zij u bewaren op al uwe wegen ;|
„Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uwen voet aan geen steen stoot.
„Dewijl hij mij zeer bemint, spreekt God, zoo zal Ik hem uithelpen ; Ik zal hem op eene hoogte stellen, want hij kent Mijnen naam.
,,Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhooren ; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn.
,,Ik zal hem er uittrekken, en Ik zal hem mijn hart doen zien".
Met gesloten oog, de krijtwitte handen uitgestrekt op het lichte dek, luisterde Bet naar deze klanken der eeuwigheid, die tot haar hart van vrede spraken. Hoe meer de wereld wegzonk, hoe dierbaarder deze woorden haar werden, zoo geschikt om een vermoeide ziel lafenis te bieden.|
„O, hoe heerlijk" —fluisterde zij — „In de benauwdheid zal Ik bij u zijn". Toen viel zij in een lichte sluimering. Doch ook slechts kort, want opnieuw kwam een pijnlijke hoest de rust verstoren, die de weinige krachten zoo sloopte.
„'k Zou toch wel graag den dokter willen hebben" — zei Sien tegen Mulder — „Men weet niet wat er komen kan en wij zijn in ieder geval beter verantwoord".
Een half uur later stond de geneesheer bij het bed. Met één oogopslag doorzag hij het geval. Wel was de pols nog behoorlijk krachtig, maar de koorts stond hoog en inzinking kon niet uitblijven. Daarbij die herhaalde aanvallen van benauwdheid. Aan Sien, die hij vaak bij de patiënten ontmoette, en met wie hij op zeer vertrouwelijken voet stond, omdat hij hare opoffering en tact bewonderde, gaf hij een beteekenisvollen blik, dien zij aanstonds begreep. Hier viel voor hem niet veel meer te doen. Slechts een quaestie van tijd, dan was het uurwerk afgeloopen".
,,Je moet maar even mee teruggaan" — zei hij tegen Mulder, „'k Zal wat druppeltjes mee geven en dan bij opkomende benauwdheid maar een stuk of tien innemen, met een weinig water. Morgenochtend kom ik wel weer".
„Word ik daardoor niet bedwelmd, dokter ? " „Wat bedoel je, kind ? " „'k Wil gaarne met volle bewustzijn van hier gaan".
„O neen ; 't is alleen maar om een weinig te rusten en de benauwdheid te verlichten. Morgen is het dan misschien weer wat beter".
„Ik word niet weer beter, dokter". Toen bleef hij het antwoord schuldig, omdat hij er evenzoo over dacht.
Buiten vroeg Mulder hem, hoe het leek. „De toestand' is ernstig" — was alles wat hij zei.
Zoo kwam het, dat in den vroegen morgen, toen de benauwdheden zich telkens sneller herhaalden. Dut gevraagd werd, of zij den dominé verzoeken wilde even te komen. Bet wilde nog zoo gaarne van hem een troostwoord hooren en een gebed. Want het ging in op de groote reis, van welke niemand naar hier terugkeert.
„Is het vrede, Bet ? " — vroeg dominé. „'k Zou zoo graag eenige meerdere zekerheid hebben ; de stap is zoo groot".
,,Onze zekerheid ligt alleen in de belofte Gods en de kruisverdiensten van Christus"
God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende, en Dien die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons zonde gemaakt, opdat wij zouden worden recht vaardigheid Gods in Hem. Hij onze zonde, en wij Zijne gerechtigheid, om zoo uit genade zalig te worden. Want er is geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn". „Ik geef Mijnen schapen het eeuwige leven, en niemand zal ze uit Mijne hand rukken".
„Maar mijn zonden, dominé ! „Het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonden. „Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen worden als sneeuw ; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol". „En de Geest en de Bruid zeggen : kom", en die het hoort, zegge : „kom", en die wil neme het water des levens om niet".
„Ik kan niets doen, dominé". „Ge moogt ook niets doen en behoeft ook niets te doen — anders niet dan je kinderlijk geloovig over te geven in de hand des Heeren, die de zondaren rechtvaardigt om niet".
Zoo had Sien onlangs ook gesproken, en 't was haar tot vertroosting geweest.
Daarop werd gebeden. Eenvoudig, maar vurig en krachtig. Zooals een kind van God, dat zelf de zieleworsteling leerde kennen en genade ervaren mocht, alléén vermag.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's