STAAT EN MAATSCHAPPY.
Het encephalitisgevaar.
Nog altijd behoort aan het encephalitisgevaar, als gevolg van de vaccinatie, de volle aandacht te worden geschonken.
Zoo deelt de Minister van Arbeid mede, dat uit het verslag van de Encephalitis-Commissie uit den Gezondheidsraad blijkt, dat zoowel in 1929 bij de veelvuldige inentingen tijdens de lichte pokken-epidemie, als in 1930 bij de in aantal zeer verminderde inentingen aandoeningen van het centraal zenuwstelsel zich hebben voorgedaan.
Gelijke ervaringen zijn ook in het buitenland met de vaccinatie opgedaan geworden.
In Engeland zijn sedert het jaar 1928 niet minder dan 90, in Duitschland gedurende het tijdvak 1927-1929 57, in Oostenrijk tusschen de jaren 1925—1929 81, en in Noorwegen en Zweden voor zoover bekend is in de periode van 1921—1929 41 gevallen van encephalitis voorgekomen. Dat deze encephalitisgevallen niet allen een even gunstig verloop hadden, wordt door de cijfers duidelijk gemaakt. Van de 90 gevallen in Engeland waren er 25 met doodelijken afloop. In Duitschland stierven van de 57 kinderen er 19. In Oostenrijk was het aantal sterfgevallen onder de 81 kinderen, wier centraal zenuwgestel was aangedaan, 22. En eindelijk was het sterftecijfer in Noorwegen en Zweden met 41 gevallen reeds alleen voor het jaar 1929 niet minder dan 11.
Terecht moest dan ook Minister Verschuur bij de indiening van zijn wetsontwerp tot verlenging van den geldigheidsduur van tijdelijke bepalingen betreffende de vaccinatie, tot de conclusie komen, dat de feiten aantoonen, dat de overwegingen, die tot opschorting van de vaccinatiebepalingen geleid hebben, nog onverzwakt gelden. Op dit standpunt staat de Minister van Arbeid niet alleen, integendeel deelt de medische medewerker van het Handelsblad, die zich inzake den vaccinatiedwang reeds aan de zijde van den Minister plaatst, mede, dat haast alle medici van oordeel zijn, dat het eenvoudig herstellen van den indirecten vaccinedwang niet wel gaat. Nu moet het intusschen verbazen, dat terwijl schier de geheele medische wereld, ziende op het groote encephalitis-gevaar, dat de pas ingeente kinderen bedreigt en waardoor het een onwijsbare eisch is, dat de bestaande vaccinebepalingen worden opgeschort, er bij de behandeling van het hierboven genoemde wetsontwerp in de Eerste Kamer nog een groot aantal leden was, dat zich tegen aanneming van het wetsontwerp verzette. De geheele linkerzijde, van den oud-liberaal af tot den sociaal democraat toe, met uitzondering van twee vrijzinnig democraten, kozen onder de leuze van vrijheid vóór den dwang. Of tengevolge, van dit drijven, dat onder leiding van het Eerste Kamerlid mr. Rink plaats vond, onder de kinderen een aantal slachtoffers zouden vallen, liet de bestrijders van het regeeringsontwerp blijkbaar onverschillig. Ten opzichte van dit onverantwoordelijk optreden van deze Eerste Kamerleden, schrijft de hoofdinspecteur van de Volksgezondheid, dr. Terburgh, en met hem prof. dr. L. K. Wolf : dat voor de meeste medici de zaak niet zoo eenvoudig staat als voor de volksvertegenwoordigers, die tegen het voorstel van den Minister stemden. Wij — zoo gaan de beide autoriteiten op medisch gebied voort — twijfelen er geenszins aan, dat dwang tot inenting betere quantitatieve resultaten zal kunnen geven dan de individueele lust tot inenting. Het is ons echter niet mogelijk, nu de vaccinatie kans geeft op een gevaarlijke verwikkeling, de regeling der vaccinatie uitsluitend uit quantitatief oogpunt te beschouwen. Hier wordt het vraagstuk, dunkt ons, van het juiste standpunt bezien. En al zijn wij van gevoelen, dat de heele vaccinedwang moet komen te vervallen, toch zal niet eerder aan handhaving van de bestaande bepalingen mogen worden gedacht, alvorens het encephalitis-gevaar geheel is geweken. De nieuwe uitweg, welke de medici thans willen inslaan, om aan de moeilijkheden te ontkomen, n.l. het inenten van het kind vóór de voleindiging van het eerste levensjaar, wat dus met directen dwang zal moeten gepaard gaan, schijnt echter nog geen onverdeelde instemming bij de deskundigen te hebben. Uit de statistieken van het buitenland blijkt, dat op goede gronden niet mag worden volgehouden, dat het bewijs der onschadelijkheid van vaccinatie bij zuigelingen geleverd is. Integendeel, in de landen, die wij hierboven noemden : Engeland, Duitschland, Oostenrijk, Noorwegen en Zweden, komt het voor dat kinderen, die vóór het voleindigen van het eerste levensjaar worden ingeënt, toch aan aandoeningen van het centraal zenuwgestel komen te overlijden. Van gelijke meening is ook de geneeskundige medewerker van de liberale „Nieuwe Rotterdamsche Courant", die de circulaire van de afdeeling Volksgezondheid van het Departement van Arbeid, bedoelende om voor de inenting van zuigelingen propaganda te maken, bestrijdt. Hij doet dit op deze twee gronden : In de eerste plaats, omdat men geen reden heeft om aan te nemen dat een licht beloop der vaccinatie de kans op encephalitis vermindert ; en in de tweede plaats, omdat ook in ons land herhaaldelijk encephalitisgevallen bij zuigelingen zijn vastgesteld geworden. Terecht verwijt de geneeskundige medewerker van de „Nieuwe 'Rotterdamsche Courant" de afdeeling Volksgezondheid, dat de desbetreffende circulaire een verknipte statistiek geeft en de gevallen verzwijgt, die haar voor de verdediging van haar standpunt niet dienstig zijn. Wanneer men de zaken zoó behandelt, komt men natuurlijk geen stap verder. Gelukkig behoeft voorshands geen beslissing te worden genomen. Tot 1 Januari 1933 kan de strijd van vóór en tegen den vaccinedwang blijven rusten en heeft de medische wetenschap den tijd om rustig haar onderzoekingen voort te zetten. Uit hetgeen tot nog toe is bekend geworden, ge!ooven wij niet, dat het voorloopig weer tot de invoering van den indirecten vaccinedwang zal komen.
De kosten van het onderwijs.
Het wordt wel eens benauwend, als men kennis neemt van het ontzaglijk hooge bedrag, dat op de Rijksbegrooting ten behoeve van het lager onderwijs voorkomt. Alleen reeds voor de salarissen der onderwijzers vinden wij op de Onderwijsbegrooting voor het jaar 1931 ten dienste van de Openbare School 40 millioen, en ten dienste van de Bijzondere School 56 millioen gulden uitgetrokken.
En dan hebben wij hier alleen nog maar te doen met wat uit de rijkskas komt, doch ook de gemeenten moeten heel wat millioenen aan het lager onderwijs ten koste leggen.
Bezien wij deze millioenen in het licht van den stand der rijksfinanciën, waaruit volgens het overzicht van de opbrengst der middelen over het afgeloopen jaar blijkt, dat de ontvangsten over het jaar 1930 bij die over het jaar 1929 ongeveer 7 millioen gulden ten achter bleven, en nemen wij in aanmerking, dat in verband met de malaise de rijksinkomsten over het loopende jaar wel weer belangrijk lager zullen zijn dan die van het vorig jaar, dan rijst onwillekeurig de vraag : waar moet het met de uitgaven voor het lager onderwijs, om dan nog maar niet te gewagen van de. voortdurende stijging van de kosten van middelbaar onderwijs, hooger onderwijs, nijverheidsonderwijs enz., heen, om den evenaar in het huisje te houden ? En onder deze omstandigheden bepleit men in Kamers en Raden nog de wenschelijkheid om tot kleinere klassen op de scholen te geraken, waardoor de kosten der onderwijzerssalarissen weer opnieuw zouden stijgen.
Men begrijpt niet vanwaar zij, die bij iedere gelegenheid op verbetering van den toestand van het lager onderwijs aandringen, de vrijmoedigheid krijgen om op het uitzetten der onderwijsuitgaven aan te dringen.
Het zal te hopen zijn, dat spoedig het rapport van de Staatscommissie-Rutgers verschijnt en dat daarin de weg zal worden geopend om zonder aan het beginsel der vrijheid van het onderwijs te raken, de onderwijsuitgaven te beperken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's