MEDITATIE
Den Heere verwachten.
Laat uw lenden omgord zijn en de kaarsen brandende. Lukas 12 vers 35.
Het beeld, dat Jezus hier gebruikt, is aan het Oostersche leven van die dagen ontleend. Men droeg lange kleederen, die door middel van een gordel om de lenden opgeschort moesten worden bij den arbeid. Anders zouden de voeten belemmerd worden door het neerhangende gewaad. „Laat uw lenden omgord zijn !" beteekent dus : Weest gereed tot den arbeid, staat in de houding van den arbeid.
En „laten de kaarsen brandende zijn" ziet op de in het Oosten gebruikelijke lampen, die telkens van olie voorzien moesten worden en waarvoor dus zorg noodig was om ze brandende te houden.
Als dus tot dienstknechten, die moeten wachten op hun heer, tot hij wederkomt van de bruiloft, gezegd wordt : „Laten de lampen brandende zijn", dan hebben zij den plicht om waakzaam te zijn en te zorgen dat het licht brandt als hun heer terugkomt.
En met dit aardsche beeld nu, dat spreekt van werkzaamheid en waakzaamheid, stelt Jezus Zijn discipelen hun roeping voor in het Koninkrijk der hemelen. Want dat „laat uw lenden omgord zijn en de lampen brandende" is gezegd tot onderdanen van het Koninkrijk der hemelen ; dat Koninkrijk, dat gekomen is, dat doorbreekt, waarvan de voleinding nog in de toekomst ligt.
Jezus Christus heeft Zijn Koninkrijk onder Israël gebracht. Wie er oogen voor heeft, ziet het doorbreken.
Jezus Christus openbaart een macht, die staat boven aardsche macht. De wereld van Jezus is een andere dan deze aardsche, die voorbij gaat. Ze is de toekomende, die alleen toekomst heeft ; ze is de eeuwige.
Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld, zoo zou Jezus later zeggen. Daar heerscht een heel andere gezindheid des harten, vreemd aan deze wereld. Wat Jezus van Zijn discipelen vraagt is evenzeer in strijd met het gangbare leven als Zijn wonderen in strijd zijn met onze natuurbeschouwing. En wie dat opmerkt, verstaat dat Christus' Koninkrijk in deze wereld niet is. Die verwacht ook niet meer, dat het uit deze wereld opkomt. Die ziet uit naar Hem, die Zijn Koninkrijk grondvestte, die het in ons hart wil leggen, maar die het in zijn volle, ontplooide werkelijkheid nog moet doen komen.
En dat heeft de Heere Jezus Zijn discipelen ook altijd voorgehouden, niet, dat zij het Koninkrijk Gods moesten helpen oprichten, maar dat zij de komst er van moesten verwachten.
Alles is daarop ingesteld, dat Jezus eerst van deze aarde zal weggaan, omdat Zijn werk hier voorbereidend was en dat Hij daarna zal wederkomen ter Voleinding. Die Voleinding des Koninkrijks is het punt, waar Jezus de aandacht der discipelen op richt. Als ze staan mogen in de eeuw, dat het Koninkrijk gekomen is, dat het doorbreekt, zooals het doorbrak in hun harten ; dat het uitzicht gegeven wordt op de Voleinding van dat Koninkrijk, hoe moeten de discipelen dan staan ?
Dat zegt Jezus in onzen tekst : „Laat uw lenden omgord zijn en de lampen brandende". Tegenover die Toekomst moeten ze staan : werkzaam en waakzaam.
Maar nu laten wij den Heere Jezus dezelfde woorden spreken tot ons. Ook in de wereld van onzen tijd staat de tegenstelling tusschen deze wereld en de toekomende ; de strijd tusschen het voorbij gaande, dat aan het verderf onderworpen is, omdat het tegenover God staat, en het eeuwige, dat alleen dageraad heeft, omdat het uit God spruit.
En aan welken kant staan wij nu ? Zeker, wij, die dit lezen, wij zijn godsdienstige menschen, van onze jeugd afaan omringd door het Woord van onzen Heiland. Maar staan wij aan den kant van Zijn Koninkrijk ? Dat kunnen wij alleen oprecht onderzoeken, als wij vragen : „Verwachten wij Hem, die komt ter Voleinding ? " En dan niet alleen,, Verwachten wij Hem met een begeerte, diep in ons hart ? " maar : „Zijn onze lenden omgord en de lampen brandende?"
Dat is de beteekenis van Jezus' woord voor ons : „Staan wij, godsdienstige, vrome menschen, tegenover den komenden Christus zooals Hij wil, dat wij staan zullen ?"
Wij moeten onzen Verlosser toch verwachten ? De ure van Zijn overwinning is toch de ure van onze overwinning ? Als wij van Hem ons heil inwachten, moeten wij toch voor Hem staan als de dienstvaardige dienaar, bereid tot werken, dienen, kampen. Ons leven moet toch daarop ingesteld zijn, dat onze Heiland ieder oogenblik kan komen ?
Zijn de lampen brandende ?
Staan wij met een open hart, met een open geloofsoog tegenover onzen Heiland ? Kan Hij elk uur van den dag komen ?
Als we zoo Jezus' roepstem hooren, moet er dan over ons geen groote beschaming komen ? Ze moet er komen ! Wie dat we ook zijn, als we oprecht luisteren naar Jezus' woord, moeten wij het aangezicht bedekken.
Toch zijn er, die het aangezicht niet bedekken van schaamte. Dat zijn zij, die zeggen : „Die eisch van Jezus is te hoog. Daar kan geen mensch aan voldoen, daar voldoet ook geen mensch aan, dus ik behoef er ook niet aan te voldoen". Zoo leggen zij Jezus' eisch naast zich neer.
Er is nog een andere manier, om den eisch van Jezus aan te hooren, zonder zich te behoeven te schamen. Die manier is : Zijn eisch uitleggen overeenkomstig ons eigen leven. Wij zijn bijvoorbeeld menschen, die onze godsdienstplichten trouw waarnemen : wij gaan elken Zondag naar de kerk, wij bidden en danken op geregelde tijden, wij doen aan allerlei christelijken arbeid. En dan zeggen wij : Dat heeft Jezus bedoeld met : „Laat uw lenden omgord zijn en de lampen brandende". En als wij dat zoo vastgesteld hebben, dan schieten wij niet meer tekort. Natuurlijk niet ! Wij hebben aan de eischen van Jezus de beteekenis gegeven van hetgeen wij voor een Christen gepast achten. En natuurlijk komt ons leven altijd overeen met den maatstaf, aan dat leven zelf ontleend.
Maar dat is niets dan zelfbedrog. Wij kunnen dan 't hoofd fier opsteken en denken dat onze lenden omgord zijn en de lampen brandende, maar als de Bruidegom komt zal 't blijken, dat wij niet bereid zijn.
Hoe droevig het ook zij, laten wij het oprecht erkennen, dat wij niet voldoen, als Jezus met Zijn hooge, bovenaardsche eischen komt. Ge behoeft het tegen geen menschen te zeggen, maar voor uw God moogt ge belijden al uw levensgebrek. Uw drang naar het aardsche, wat staat tegenover het Koninkrijk der hemelen. Uw arbeiden in het aardsche en verwaarloozen van uw hemelsche roeping. Uw blik naar het aardsche en 't afgewend zijn van Jezus. En als ge dat belijdt, slaat ge de oogen neer.
Maat als we zóó door de eischen van Jezus beschaamd worden, zullen wij ons dan maar niet afwenden van Zijn Koninkrijk ? Dat is toch te hoog voor ons ; wij schieten al te zeer tekort.
Zoo zijn er, die zich maar van Jezus afgewend hebben, omdat Hij te hooge idealen stelt, en die zich nu maar richten op deze wereld, die immers ook idealen heeft en die den mensch wél vervulling belooft.
Hebben wij dat misschien ook al gedaan ? Zijn wij misschien, zonder er op te letten, bezig het eeuwige heil, waartoe we geroepen worden, uit te wisselen tegen tijdelijke verzadiging ? Wat een val ! De val van Ezau, den onheilige. Wat ik u bidden mag : laat u daarheen niet meesleepen.
Maar wat dan ?
Jezus vraagt u iets hoogs, iets ontzaglijk hoogs, iets dat uw krachten te boven gaat. Maar als Hij vraagt, is dat niet vragen om, als gij tekort schiet, u te verstooten. Hij is niet gekomen in de wereld, opdat de wereld door Hem zou veroordeeld worden, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. En nu lijkt het wel, alsof Jezus met veel te zware eischen komt, maar in Zijn hooge eischen ligt juist een Evangelie verborgen.
„Laat uw lenden omgord zijn en de lampen brandende !" Het is een hooge eisch, ook voor een godsdienstig mensch een onmogelijke eisch, maar daar is ook dit mee verbonden, dat Jezus u roept tot dat hooge.
Den Koning verwachten als Hij wederkomt en Hem werkende en wakende verwachten, het is niet maar een moeten voor u, het is veel meer een mogen. Daarin blinkt de heerlijkheid van de verlossing uit, die Hij aanbrengt, dat Hij u roepen mag niet maar tot iets, wat een beetje uitsteekt boven het vlakke aardsche leven, maar tot het radicaal andere leven van Zijn Koninkrijk.
Versta dan het voorrecht dat gij hebt, dat Jezus u roept tot het hooge : het werkende en wakende inwachten van Zijn Koninkrijk. Ge moogt staan met uw lenden omgord en de lampen brandende !
Misschien vraagt ge : Mag ik dat ? Wil Jezus mij op dien hoogen post zetten ? Dat kan toch niet ! Hoe zou Jezus mij daar kunnen zetten, mij, die in alles tekort schiet ? Daar kunnen toch alleen maar staan de plichtsgetrouwe werkers, de altijd waakzame wachters ?
Lezer, dat moet ge nu eens goed tot u laten doordringen, dat het Evangelie, de Blijde Boodschap is voor menschen, dit in alles tekort schieten. Jezus zet hen daar, waar ze niet behooren naar wat zij zijn. Ze behooren daar alleen, omdat Jezus hen daar plaats geeft.
En nu wijst Jezus u vandaag ook weer uw plaats aan : Verwacht uw Koning, Uw lenden omgord en de lampen brandende. Al zijt ge dan onwaardig om daar te staan, al zijt ge trouweloos van uw post weggeloopen, al hebt ge de handen in den schoot laten zinken en zijt ge ingesluimerd : „Ontwaakt ! en gordt u aan en richt het oog op uw komenden Koning !"
Nu is dat van vele menschen de fout, dat, al zijn ze nog zoo doorkneed in de leer van vrije genade, ze toch altijd nog zelf iets willen toebrengen, zichzelf iets willen waardig maken. Hoe dikwijls hoort men menschen zeggen : „Maar zoover ben ik nog niet; daar ben ik nog niet aan toe". Also het er om zou gaan waar wij aan toe zijn. Neen, dat alleen beslist, waar Jezus Christus aan toe is. En Hij is er aan toe, om u op die plaats te zetten : „de lenden omgord en de lampen brandende". En dan, moeten we doen zooals Zacheüs, als Jezus tot hem zegt : „Haast u en kom af, want ik moet heden in uw huis zijn". Dan ontvangt Zacheüs met blijdschap den Heere in zijn huis.
Dat is het wonder van het Evangelie, dat wij mogen, waar wij zelf niet toe bereid zijn, alleen omdat Jezus er toe bereid is. Zoo heeft immers Christus zich geopenbaard, niet als dengene, die u het vraagt, maar die het u brengt. Heel Zijn leven is toch „brengen" geweest. Hij bracht Zijn leven voor u in den dood. Hij offerde Zichzelven in uw plaats. En nu is het van uw kant niets anders dan „aannemen". Aannemen uw Heiland, met al de volheid der godzaligheid, in Hem verborgen. Inwachten Zijn Koninkrijk in uw hart in de wereld. En het : „laat uw lenden omgord zijn en de kaarsen brandende" behoeft niet aan u voorbij te gaan, ook al jaagt het U een blos van schaamte op de wangen.
Als schuldenaar, als zondaar, wijst Jezus u vandaag de eereplaats aan, waar ge zoo maar, met al uw gebrek moogt staan ; waar ge, ondanks al uw afwijken, nog moogt staan.
Maar ga er dan ook staan !
En, als ge er gaat staan, ga er dan niet staan als een onheilige, maar ga er staan zooals Jezus u roept : „Laat uw lenden omgord zijn en de lampen brandende'". We moeten geen naam-Christenen en vorm-Christenen zijn, maar daad-Christenen.
Omdat wij dat laatste veel te weinig zijn, roept Christus ons weer. Ons leven moet zijn : een Hem en Zijn Koninkrijk verwachten. En als wij Hem verwachten, kunnen wij niet werkeloos zijn, niet ledig staan op de markt des levens.
Waarom niet ? Ge dacht misschien : „Het Koninkrijk wordt toch gebracht, wat moeten wij dan nog werken ? "
Het is waar : Christus is het, die alles werkt en alles brengt, maar als ge Hem verwacht, dan gaat ge in Zijn werk in. We kunnen Zijn Koninkrijk niet anders verwachten dan als kinderen des Koninkrijks, en een kind des Koninkrijks is bereid en vaardig op het bevel van zijn Koning. In Christus' rijk is geen traagheid en lijdelijkheid. Is er dat bij ons, dan hebben wij den Geest van Christus niet.
Maar als wij werken moeten, moeten wij doen ?
O, dat kan heel verschillend zijn. Veel menschen denken terstond aan den specialen arbeid van de Evangelieverkondiging. En zeker, die komt niet in de laatste plaats, maar we moeten evenzeer denken aan allen anderen arbeid in deze wereld, waartoe God ons maar roept. Daar hoort ook bij de moeizame arbeid van elken dag voor ons dagelijksch brood. Misschien denken wij : „Hoe kan dat ? " Neem b.v. den soms geestdoodenden-arbeid in fabrieken, of afmattenden, zwaren lichaamsarbeid. Wat heeft die te maken met de verwachting van den Grooten Koning ? En dan dien arbeid te moeten verrichten in een wereld, die vol is van onrecht en verdrukking, van vertrapping en uitbuiting van den naaste ! Zouden wij daaronder het Koninkrijk Gods kunnen verwachten ? Zou daar onze arbeid kunnen zijn : „het staan met de lenden omgord", waartoe Jezus ons roept ?
Nu zeg ik niet, dat het gemakkelijk is. Neen, ik zeg zelfs, dat het voor een kind van deze wereld onmogelijk is. Maar een kind des Koninkrijks zal ook daar staan, met het oog op zijn Koning gericht. En de arbeid, die voor anderen misschien is louter een afbeulen van het lichaam, zal voor hem zijn „een vaardig zijn op des Konings bevel.
Maar al de moeite en al de druk en al het onrecht, zal hij daar maar rustig onder blijven en hef „zoo maar" aanvaarden ? Neen, hij aanvaardt het niet „zoo maar". Hij aanvaardt het als het kruis, dat zijn Heiland hem gebiedt op zich te nemen, als.hij zijn Heiland achterna wil gaan. Als de Heere Jezus Zijn kruis droeg, droeg Hij het niet „zoo maar", maar om met Zijn kruis de wereld te veroordeelen en de zondemacht den doodssteek toe te brengen.
En zoo wordt van u niet gevraagd, dat ge als kruisdrager een slappeling zult zijn, als alles maar aanvaardt. Neen, als kruisdrager moet ge een getuige van Christus' Koninkrijk zijn. Tegen dat kruis kan ook de wereld van heden niet op.
Maar ja, wie is tot deze dingen bekwaam ? Ik weet 't : geen mensch. Daarom is dat : „Laat uw lenden omgord zijn" iets veel ingrijpenders dan wij denken. Het is veel meer dan arbeid in Gods Koninkrijk verrichten, dan prediken, dan bidden, dan gaven uitdeden, dan naastenliefde betoonen. Het is niet arbeiden in Gods Koninkrijk met een stukje van uw leven ; bij u w werk ook nog uw Heiland dienen. Neen, het is in alles, in al uw leven en werken en streven, staan als een kind des Koninkrijks, uw Heiland verwachtende.
En dan verstaan we pas, dat het strijd kost en hoeveel strijd het kost om ook maar een stukje van Christus' roeping in practijk te brengen : „Laat de lenden omgord zijn". Het is een voortdurende strijd tegen onze aardschgezindheid, tegen ons als aardsch mensch willen arbeiden. Het is een voortdurende strijd tegen ons streven, om voor dienst in Christus' Koninkrijk door te laten gaan datgene, wat er alleen maar den vorm mee gemeen heeft. Het is een voortdurende strijd om niet tevreden te worden met iets dat wij volbrachten in Gods Koninkrijk. We moeten verstaan, dat het niet gaat om ons volbrengen van iets. God doet Zijn Koninkrijk komen ! Het gaat om het zijn van kinderen des Koninkrijks.
„De lenden omgord" beteekent dus niet alleen strijd met wat en met wie buiten ons is, maar allereerst strijd met onszelf.
En is er nu in dien strijd wat te betalen ? Of zullen wij in dien geestelijken strijd onder liggen ?
„Laat uw lenden omgord zijn en de lampen brandende".
Niet alleen omgorde lenden, maar ook brandende lampen !
Het moet licht zijn, om den Koning te kunnen ontvangen. Het moet licht zijn in ons hart. Dat moet open staan voor den Koning. En daar ligt tenslotte de oplossing van alle moeilijkheden, die het „laat uw lenden omgord zijn" ons brengen.
Het oog, het geloofsoog moet verlicht zijn en het moet den Koning zien en inwachten. Inwachten Hem, Die eenmaal wederkomt om te volmaken. Maar daarmee is onlosmakelijk verbonden : inwachten Hem, die, omdat Hij eenmaal volmaakt, nu ook alreede de komende is, die Zijn Koninkrijk doet geboren worden onder de barensweeën dezer eeuw, die het geboren doet worden in mijn hart.
En daarom ligt de beslissing bij al onzen strijd om Zijn roeping te volbrengen, tenslotte niet bij ons, maar bij Hem.
Hij is Zaligmaker tot het einde toe. En de meeste in het Koninkrijk der hemelen is ook tegenover deze hooge roeping : „Laat uw lenden omgord zijn en de lampen brandende" niet hij, die zélf wat beteekent. De meeste is hij, die als een kind is, die met een kinderlijk vertrouwen alles van zijn Heiland verwacht.
Christus doet Zijn Koninkrijk indalen in deze wereld. Zijn gerechtigheid in wereldzonde. Zijn vrede in wereldstrijd. Zijn eeuwigheid in wereldvergankelijkheid.
En wij kunnen alleen eeuwigheidsmenschen zijn, als wij in Zijn Openbaring ingaan, ons aan Hem overgeven. Dat is het wondere, het onbegrepene, dat God ook legge in uw hart : „Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven".
Garoet (Java).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's