De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPY

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPY

8 minuten leestijd

Vragen gesteld en beantwoord.
Na hetgeen eenige weken geleden in ons blad werd geschreven over de poging van den heer Hoogendijk, van Zeist, om de verdachtmaking van ds. Kersten aan het adres van den heer Idenburg, betreffende het verdedigen der godloochening, goed te praten, zouden wij thans over deze grievende zaak geen woord meer hebben gezegd, wij èn ds. Kersten in „De Banier" èn de heer Hoogendijk in een nieuw ingezonden stuk in dat blad langs ons schrijven heen praten, waardoor de partijen geen stap nader tot elkander worden gebracht, ware het niet, dat de heer Hoogendijk op zijn beurt ons een paar vragen stelde, die wij beleefdheidshalve willen beantwoorden.
De eerste vraag luidt : Waarom in "De Waarheidsvriend" naast de vermelding van den inhoud van I Samuel 15 vers 22, 23 en 24, die wij uit het eerste ingezonden stuk van den heer Hoogendijk overnamen, niet tegelijkertijd mededeeling werd gedaan van de verklaring, welke Calvijn over dit gedeelte der Heilige Schrift geeft.
Ons antwoord op deze vraag is, dat het ons niet bekend was, dat de heer Hoogendijk er prijs op zou stellen, dat onze lezers met deze verklaring werden in kennis gesteld. En laat het ons voorts maar eerlijk erkennen, omdat de verklaring van Calvijn van het boek Samuel ook niet in ons bezit is.
Wanneer het echter den heer Hoogendijk er om te doen is om de Roomschen als erger vijanden van den Christus voor te stellen als degenen, die op staatkundig terrein met God en Zijn Woord hebben afgedaan, dan kunnen wij hem een citaat uit Calvijn's werken voorhouden, waaruit blijken kan, dat het gelijk niet is aan de zijde van den heer Hoogendijk. Het citaat is genomen uit de Instructio adversus fanaticam et furiosam sectam Libertinorum C IV Ed. Amst. 1667 Tom VIII p. 377 col I en Ed. Corp. Ref. Vol. 35 p. 162, en luidt :
„Het zou wat fraais zijn, dat ik den Paus en zijn genooten en dienaren naar vermogen aanviel (wat ik wel moet doen, omdat ik de Kerk niet kan sterken, zonder 't zwaard te kruisen met wie haar ondermijnen) en dat ik inmiddels hen door de vingers zag, die nog veel verderfelijker vijanden Gods zijn, en Zijn Waarheid nog zooveel krasser aanranden. Neen, dan laat de Paus tenminste nog eenige gestalte der religie staan ; hij vernietigt het geloof aan een eeuwig leven niet : hij leert, dat God te vreezen zij ; hij stelt op eenige wijze het onderscheid vast tusschen goed en kwaad ; hij erkent Christus waarachtig God en  mensch te zijn ; en eert ten deele de autoriteit van Gods Woord.
Maar die anderen stellen zich aan, als wilden ze den hemel naar de aarde neertrekken ; alle godsvrucht vernietigen ; alle hoogere aandrift in den mensch uitblusschen ; en de consciëntie in slaap wiegen ; tot er ten leste geen verschil hoegenaamd meer over bleef tusschen mensch en dier".
Zoo, en niet anders, oordeelde de Geneefsche Kerkhervormer.
Aan zijn oordeel hebben wij niets toe te voegen.
De tweede vraag, welke de heer Hoogendijk doet, formuleert hij woordelijk als volgt :
Ongetwijfeld komt ; het op daden aan (wij hadden ds. Kersten verweten, dat het nu al 10 jaren praten was geweest, terwijl elke daad van de zijde der Staatk. Gereformeerden in de Tweede Kamer was uitgebleven), maar ik zou willen vragen : doen onze afgevaardigden (de Staatkundig Gereformeerde Kamerleden) niet wat zij kunnen ? en mogen zij geen pijlen afschieten op de consciëntiën ook van laksche ministers. Bedenk wel, dat wij geen 5 afgevaardigden hebben om voorstellen van wet te doen. Zoudt ge dan wenschen, dat onze afgevaardigden bij de coalitie-mannen steun kwamen vragen ? Ik geloof, dat dit in strijd zou zijn met ons standpunt van isolement.
Tot zoover deze tweede en laatste vraag van den heer Hoogendijk.
Wij namen haar letterlijk over uit zijn ingezonden stuk in „De Banier" van 21 Jan. De heer Hoogendijk wil, dat de Staatkundig Gereformeerde Kamerleden daden zullen doen. Doch deze daden — en zoo is zijn gedachtengang — kunnen niet plaats hebben omdat de Staatkundig Gereformeerden geen 5 afgevaardigden hebben om voorstellen van wet te doen.
Uit deze opmerking blijkt, dat de heer Hoogendijk het eerlijk meent, doch hij is door de voormannen van de Staatkundig Gereformeerden op een dwaalspoor gebracht.
Ds. Kersten doet aan dit spelletje mede. Immers waar men hem hoort spreken of ziet schrijven, het is steeds dezelfde schijn : wij, Staatk. Gereformeerden, zijn slechts met 3 leden in de Kamer en daarom kunnen wij niets doen.
Doch die indruk te wekken, is misleidend. Hij laat de menschen er in loopen. De vraag van den heer Hoogendijk is daarvan het bewijs.
Ds. Kersten weet wel beter.
Hij kent artikel 104 van het Reglement van Orde der Tweede Kamer, waarin wordt uitgewerkt de bepaling van artikel 117 der Grondwet, waarin vastgesteld is, dat de Staten-Generaal het recht hebben voorstellen van wet aan den Koning te doen.
En wat schrijft nu artikel 104 van het genoemde Reglement van Orde voor ? Dit, dat deze voorstellen door leden van de Kamer kunnen worden ingediend.
Het Reglement bepaalt niet het aantal, omdat ieder lid van de Kamer het recht heeft voorstellen aanhangig te maken. De heer Braat, die alleen van zijn partij in de Kamer zit, maakte meermalen van dat recht gebruik.
Ds. Kersten, die geen onderschrift onder het stuk van den heer Hoogendijk plaatste, laat de geestverwanten in de meening, dat, wat de heer Hoogendijk schreef, juist is.
„Bedenkt wel" — zoo roept de heer Hoogendijk den lezers van „De Banier" toe — „dat wij geen 5 afgevaardigden hebben, om voorstellen van wet te doen".
Stond het anders, was het mogelijk, dat onze 3 afgevaardigden voorstellen indienden, dan zou dit oogenblikkelijk gebeuren. "
„Ongetwijfeld, het komt op daden aan" — zegt de heer Hoogendijk.
Nu de heer Hoogendijk met de geestverwanten weten, dat hun Kamerleden bij de coalitie-mannen geen steun hebben te vragen, ja zelfs dat reeds één Kamerlid het recht heeft om voorstellen van wet in te dienen, om tot daden te komen, zijn wij nieuwsgierig, welke resultaten de kennisneming daarvan zal opleveren.
Het woord is thans aan den heer Hoogendijk.
Uit het kwade woord, dat hij tot ons richtte, kan nog wel eens het goede te voorschijn komen.

Gewetensbezwaren bij verkiezingen.
In de vergadering van de Tweede Kamer van 2 December was bij de behandeling van de begrooting van den Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw de beraadslaging aan de orde over de Nota van den Minister, waarin de resultaten werden medegedeeld van de circulaire van de regeering aan de burgemeesters naar aanleiding van een paar schriftelijke vragen van den heer Duymaer van Twist, betreffende het optreden der autoriteiten tegen vrouwen, die gewetensbezwaren hebben om aan de verkiezingen deel te nemen.
Uit deze Nota bleek, dat, terwijl er 463 burgemeesters het standpunt der regeering huldigden, om bij de stemmingen gewetensbezwaren als geldige reden voor het wegblijven van de stembus te aanvaarden, er nog 83 burgemeesters waren, die zich niet naar de zienswijze der regeering konden voegen.
Van de gelegenheid dat op 2 December de zaak opnieuw in de Tweede Kamer aan de orde was, maakte de heer Duymaer van Twist voor de tweede maal gebruik den Minister te verzoeken thans de 83 burgemeesters nogmaals met de inzichten der regeering bekend te maken.
Tot onze groote blijdschap lazen wij dezer dagen in de bladen, dat de Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw een missive tot de Commissarissen der Koningin heeft gericht van den volgenden inhoud :
Uit de door u ingezonden opgaven is mij gebleken, dat naar aanleiding van de in 1929 gehouden stemming ter verkiezing van de leden der Tweede Kamer, tegenover 546 burgemeesters gewetensbezwaren zijn aangevoerd als reden van niet-voldoening aan de verplichting tot opkomst, bedoeld in artikel 72, tweede lid der Kieswet. Door 463 hunner werd bedoelde reden bij toepassing van artikel 149 dier wet, als geldig aangenomen. Verreweg 't meerendeel der burgemeesters huldigt het standpunt, hetwelk ten dezen door de regeering wordt ingenomen en harerzijds bij verschillende gelegenheden aan de burgemeesters werd aanbevolen. Evenwel hebben nog 83 burgemeesters bij de in 1929 gehouden verkiezingen gemeend, gewetensbezwaren niet als geldige reden te mogen aanvaarden.
Op deze laatste omstandigheid en de vervolging, waaraan de daarbij betrokken kiezers hebben blootgestaan, werd mijn aandacht nog in het bijzonder gevestigd in de vergadering der Tweede Kamer van 2 December, waarbij mij tevens werd verzocht een poging te doen, om bedoelde burgemeesters tot een andere meening te brengen.
Ik kan daartoe gereede aanleiding vinden. Het gaat hier toch niet alleen om de persoonlijke belangen der daarbij betrokken kiezers, dodh ook om het algemeen belang, gelegen in een gelijke rechtsbedeeling op bedoeld punt voor alle kiezers.
Met het oog op de in dit jaar te houden algemeene verkiezingen voor de Gemeenteraden en de Provinciale Staten, zal de onderwerpelijke aangelegenheid opnieuw en van bijzonder actueel belang worden.
In verband met het bovenstaande heb ik de eer u te verzoeken, de daarvoor in aanmerking komende burgemeesters namens mij uit te noodigen, nog eens ernstig te willen overwegen, zich aan te sluiten bij het in dezen door de regeering en verreweg ; het meerendeel der burgemeesters in den lande ingenomen standpunt. Ten zeerste zou ik het op prijs stellen, indien deze overweging hunnerzijds tot het zoo zeer: wenschelijke resultaat zoude leiden.
Wij zijn Minister Ruijs dankbaar voor zijn hernieuwde poging om aan de vrouwen, die bezwaar maken aan de verkiezingen deel te nemen, geen moeilijkheden meer in den weg te leggen. Mocht de poging gelukken, dan zal dit ook een groote voldoening zijn voor de Anti-revolutionairen, die voor deze zaak steeds op de bres stonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPY

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's