De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schriftverklaring

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schriftverklaring

Romeinen 8:31 en 32.

4 minuten leestijd

Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn ? Die ook Zijnen eigenen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken ?

Welaan, wil de apostel zeggen, trek nu maar eens de ware conclusie uit al hetgeen ik hierboven geschreven heb. Het lijden van dezen tegenwoordigen tijd scheen aan Gods kinderen alle blijdschap te zullen benemen, en ziet, nu blijkt toch tenslotte dat alle dingen zullen moeten medewerken ten goede voor de Kerk Gods.
De verzuchtingen van de redelooze schepping, ook de smachtende verzuchtingen van Gods gemeente, wijzen met de verzuchtingen des Geestes naar een heerlijke toekomst, waarin de treuring en de zuchting voor eeuwig zullen wegvlieden.
In de keten des heils van voorverordineering tot eeuwige heerlijkheid wordt geen enkele schakel gemist. God heeft Zich vóór Zijn gemeente verklaard. Wat zou hen kunnen schaden ? Wie van de tegenstanders zal kunnen verhinderen dat Gods Kerk de eeuwige heerlijkheid zal ingaan ?
Geen eigen vleesch, geen satan, die rondgaat als een brieschende leeuw ; geen wereld, hoe zij ook moge lokken.
Met recht is door Christus eens tot rijke vertroosting der jongeren gezegd, dat de poorten der hel Gods gemeente niet zullen overweldigen.
Gods gemeente mag gerust zijn. Laat de hel vrij woeden. Laat het schuimend zéenat bruisen en de ontroerde wateren hevig ruischen, de stad Gods staat onwankelbaar vast.
We beleven donkere tijden. Tijden van verschrikkelijken afval. Tijden van grove Godsverzaking.
De satan trekt op en voert zijne legerscharen als een machtige phalanx aan tegen de Kerk Gods. Want hoe verdeeld de kinderen der wereld ook mogen wezen, als het gaat in den strijd tegen God en Zijn Woord, dan zien we satanische eenheid, met terzijdestelling van alle verschillen. Eén in haat tegen het kruis. Met recht meenden we te mogen spreken van eene satanische eenheid.
Ja, dan lijkt het wel, dat het er maar hachelijk voorstaat met dé Kerk Gods. Vooral ook als we zien, dat tegenover de satanische eenheid de Kerk Gods zoo jammerlijk verdeeld staat.
Neen, laat ons niet denken, dat in de komende tijden allen zich zullen scharen om de banier van de belijdenis onzer Vaderen. Als we zien op de treurige resultaten der volkstelling in Amsterdam (wat betreft het nog tot de eene of andere kerkelijke gemeenschap behooren) dan zeggen we met smart, dat we inplaats van de leuze van sommigen : „heel de Kerk, heel het volk", weldra met weemoed zullen moeten zeggen : een Kerk zonder volk.
Nochtans, de eindtriumf zal Godes zijn, want God en Zijn volk zijn één, en daarom jubelt de apostel : „Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn ? "
En dat God met een arm verloren zondaarsvolk nog zulk een rijke bemoeienis wilde hebben, blijkt zoo schoon uit vers 32 : „Die ook Zijnen eigenen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken" ?
Lezers, gij, die kinderen hebt, mag ik u eens een vraag doen ? Zoudt gij één van uwe kinderen willen missen, gesteld, dat het mogelijk was om hiermee het leven van uw vader of moeder of geliefden broer of zuster te redden ?
Neen, ik zal de vraag nog anders stellen : Zoudt gij uw eenigst kind willen missen ?
Ge schudt van neen. Maar als ik zou vragen of gij uw eenigst kind zoudt willen geven tot redding van het leven van uwe vijanden, zoudt ge zeker zeggen, dat dit u onmogelijk is.
En ziet, dat heeft nu de Heere God gedaan.
Hij had slechts één eigen Zoon. Slechts één eenige Zoon. We zouden haast denken dat de apostel bij het neerschrijven van die woorden heeft gedacht aan de beproe­ving van Abraham, die ook zijn eenigen Zoon, dien hij liefhad, moest offeren.
Dé Heere Jezus is de eenige natuurlijke Zoon des Vaders, eens wezens met den Vader en den Heiligen Geest. Alle andere kinderen Gods zijn eigenlijk maar aangenomene kinderen Gods, zegt de Heidelbergsche Catechismus met recht.
Welnu, dien eenigen, eigen Zoon heeft God niet gespaard, maar Hij heeft Hem overgegeven in den smadelijken dood des kruises, opdat vijanden, met Hem zouden worden verzoend. Maar nu gevoelt ge toch wel, lezers, dat dit het grootste geschenk. Is wat God vijanden , zou kunnen geven. Al het andere, wat Hij zou moeten onthouden, zou immers in waardij in het niet wegzinken bij de gave van Zijn eigen Zoon.
Maar dan kunnen we eigenlijk net zoo goed zeggen, dat God aan Zijn volk alles wil geven wat het noodig heeft voor tijd en eeuwigheid. God zal geven genade voor genade. Van.al wat er ligt tusschen rechtvaardigmaking en eeuwige verheerlijking, zal Hij hun niets onthouden. Zij, o kind van God, door de toepassing des Heiligen Geestes, dat Woord des Heeren, u tot troost.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Schriftverklaring

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's