De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

8 minuten leestijd

„Als zij door het da! der moerbeziënboomen doorgaan". Psalm 84 vers 7a

De weg naar Sion
De 84ste Psalm is een lied van verlangen Het verlangen van een hart, om te wonen in Gods huis. De stem die in dit schoone lied aan het woord komt, is de stem der liefde tot God en Zijn dienst. Geen wonder, dat deze stem weerklank vindt in alle godvreezénde harten ; dat deze Psalm een der lievelingspsalmen van al Gods kinderen is ; dat we hem gedurig in de tenten der vromen hooren weergalmen ! Welnu, uit dezen wonderschoonen Psalm is ook 't woord genomen, dat boven deze overdenking staat: „Als zij door het dal der moerbeziënboomen doorgaan".
De eerste vraag, die zich hierbij voordoet is deze : Van wie wordt hier gesproken ? Er wordt hier gesproken van zulken, die op reis zijn naar het hemelsch Sion. Dat zijn niet alle menschen. God in Zijn Woord maakt altijd schilling en scheiding en dat moeten ook wij doen. De Heere Jezus zegt: „Wijd is de poort en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door denzelve ingaan ; eng is de poort - en nauw is de weg die tot het leven leidt, en weinigen zijn er die denzelve vinden". In dit woord onzer overdenking wordt gesproken van zulken, die de Heere vrijwillig heeft liefgehad, hoewel Hij niets aan hen vond, waarom Hij hen boven anderen zou liefhebben ; zuilen, die gebracht zijn uit den dood in het leven ; die gemaakt zijn tot Efraïms, die zich van ontzetting op de heup kloppen, uitroepend : „Wat heb ik gedaan !" En die zoo door vreeze des doods tot den grooten Borg Immanuël zijn uitgedreven om toevlucht te zoeken onder de schaduw Zijner Middelaarsvleugelen. Voor dat volk nu loopt de weg naar 't hemelsch Sion, maar die weg loopt naar het woord van den godzaligen dichter „door het dal der moerbeziënboomen".
Over dit moerbeziëndal, waarvan hier gesproken wordt, zijn verschillende verklaringen. Daar zijn er, die bij dit woord denken aan een woestijn, met lage moerbeziestruiken, waaraan scherpe prikkels gevonden werden.
Dan was het waarlijk géén gemakkelijke weg naar Sion !
Anderen weer denken aan een woestijn, die dor en brandend was en waarin geen water ter verkwikking gevonden werd.
Ik meen echter, dat wij bij de beteekenis van dit woord meer moeten letten op den grondtekst. Letterlijk staat er in den Hebreeuwschen tekst : „bakadal", dat beteekent: dal des geweens, dal der tranen. Welnu, aan dit bakadal knoopt de godzalige dichter de gedachte vast, die hij uitdrukt in zijn lied.
De weg naar Sion loopt door het dal der tranen !
Wonderlijk — maar Gods Woord is van zulke tegenstellingen vol, wonderlijk die overgang van vers 6 en 7. Welgelukzalig is de mensch, staat er, die en dan volgt er : die doorgaat door het tranendal !
Wonderlijk — en toch hoe innig waar is deze ervaring in het geestelijk leven van ieder kind van God ! Immers indien er één ding waar is, dan dit : de Heere brengt al Zijn kinderen in dat dal der weening, het dal der tranen, en indien wij immer in dat dal geweest zijn, is er ernstige reden ons te onderzoeken of het met onze zaak voor de eeuwigheid wel goed staat. De Heere zegt zoo bij Zijn knecht Jeremia : „Ze zullen komen met geween, met smeeking zal Ik ze voeren". En ja, er is wel reden, dat we in het dal der weening verkeeren. Er is zooveel stoffe voor. Daar mocht bij ons wel een springader van tranen zijn om de overtreding te beweenen, waarmede wij tegen een goeddoend God gezondigd hebben. Onze Catechismus zégt zóo op de vraag: Waarin bestaat de waarachtige bekeering des menschen ? „Allereerst in een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben". Dat is zoo !
Als een ziel zichzelf krijgt te zien in het licht van Gods heiligheid en rechtvaardigheid ; als de zondaar zichzelf leert kennen als gansch verloren en dóemschuldig ; als hij met God en met zichzélf te doen krijgt, dan weent hij over zijn opstand tegen dat hooge, heilige Wezen, dat nooit iets anders dan wél deed. Als de mensch leert inzien, hoe hij altijd tegen den Héére is ingegaan, hoe hij alle roepstemmen tot zwijgen zocht te brengen, hoe hij driestweg den nek tegen den Heere verhard heeft, ja, dan schaamt hij zich en een innige smart maakt zich van hem meester. Dan worden tranen gestort over die snoodheden zonder tal. Zalige tranen ; Godverheerlijkende tranen ! De tranen van een ziel, die doorvochtigd is van den dauw der verootmoediging ! En als dan de Geest des Heeren op dien akker des harten, doorweekt met de tranen des oprechten berouws, het zaad der vertroosting brengt, als de worstelaar een hopende wordt, en als de hopende straks door de genade Gods een verzekerde mag worden en Christus Jezus door toeëigening dés geloofs de zijne wordt, dan worden wéér tranen geschreid. Maar nu tranen van innige dankbaarheid en zielsverrukking. Als de ziel het schier niet gelooven kan en toch gelooven mag, dat de Heere in haar, de ontrouwe, de overspelige, de goddelooze, een welgevallen heeft! De tranen der eerste liefde ! Tolken van dankbaarheid voor ontvangen verlossing !
En zoo blijft het doorgaan op den genadeweg.
Gods volk blijft hier op aarde een zuchtend en mitsdien een weenend volk. Daar is de bijblijvende smart over zichzelf. Dat gedeelde leven daar van binnen. Dat steeds onvoldaan zijn ; die strijd tusschen vleesch en geest, waarvan ook een Paulus zoo diepe ervaring had. Die zonde uit het verleden, die ons blijft wonden, hoewel God ze uit genade vergaf om de wille van Christus' Middelaarsbloed. Die boosheden en die onheiligheden, die gedurig uit het zondig hart opwellen, en ons weer ver van God  doen zijn. Gods kinderen zijn zuchters, niet het minst om wat ze na ontvangen genade nog bij zichzelf als onheilig bemerken. En niet altoos wordt de smart daarover gevoeld, zooals het wel moest, maar in zijn heiligste oogenblikken pijnt ze Gods kind het meest.
Daar zijn ook de tranen der beproeving, der bittere levensbeproeving. De Heere bespaart ook zelfs Zijn liefste kinderen het lijden en de smart niet.
Daar zijn ook de tranen der aanvechting. Als God met de Zijnen twist en op den akker, den dorren akker van het zieleleven dé planting des heils staat te schroeien in dé verzengende zon zonder een druppel lafenis. Als het zoo bang wordt, dat Gods kind zich gaat afvragen of het ook inbeelding is geweest, wat hij in vorige dagen genoten heeft van de vreugde des heils, wat hij gezongen heeft van den verborgen omgang met God. Als naar het woord uit het Hooglied de Bruidegom is doorgegaan en dé bruid van achter de traliën Hem naroept met vergeefsche klacht, of uit hare gevangenschap verlost hem naloopt door de straten, vragend en zoekend, maar zonder te vinden.
Ja de weg naar Sion loopt door het moerbeidal, door het tranendal !
God alleen, die ze telt, weet hoeveel tranen er op dien weg geschreid worden !
Maar — rijke troost — die weg loopt echter uit op dat land, het Vaderhuis met de véle woningen, waar de Heere al Zijn lieve kinderen samenbrengt. Daar worden de tranen eeuwig van de oogen afgéwischt.
De zuchters hier beneden over de gruwelen in en rondom zich, de weeners hier op aarde, door God zelf geteekend met Zijn Goddelijk merk, gaan eenmaal de vreugde huns Heeren binnen.
En in de gouden lichtstad wordt geen tranendal meer gevonden ; daar weenen Gods kinderen niet meer. In die stad met paarlen poorten legt God zelf den heiligen lach der eeuwige dankbaarheid op het aangezicht Zijner verlosten.
En dat eeniglijk, omdat hier op aarde , Gods Zoon als Borg der Zijnen in zielsbenauwende Godsverlating Zijne Hóogeprlesterlijke tranen heeft geweend, waardoor de schuld der Zijnen voor eeuwig is uitgedelgd. Om de wille van die Borgtochtelijke tranen tintelt eeuwig de lach van zalige hemelvreugde in het oog van Gods thuisgekomen Sionieten !
Mijn lezer, hebt ge kennis aan de zaken, waarover we in déze overdenking schreven ? Ziet wij zijn allen op reis, maar de groote vraag is : waarheen zijn wij op reis ? Och bedenken wij het, als we niet op reis zijn naar den hemel, dan zijn we op reis naar de hel ! Een tusschenweg is er niet ! En dat nu is van nature ons aller weg ;
onze wegen van nature zijn paden des doods. Daar zal eene omzetting bij ons moeten plaats grijpen. En dat zal alleen kunnen in een weg van hartsverbreking, waarbij wij weenend en smeekend onzen Rechter om genade leeren bidden.
Zalig de mensch, die verwaardigd wordt zoo'n weener, zoo'n zuchter te zijn aan den genadetroon ! Hij zal eenmaal met al Gods uitverlcorenen Boven mogen juichen en volkomen zalig zijn in de zielverzadigende aanschouwing en genieting van God Drieeenig !

Ouddorp (Z.-H.).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's