STAAT EN MAATSCHAPPY
De taak van de Overheid.
Dank zij de actie van de R.K. Vrouwenbonden, daarin trouw gesteund door den Nederlandschen Christen-Vrouwenbond, tegen het godslasterlijk geschrijf van het communistisch dagblad „De Tribune", is 't openbaar geworden, dat ons volk van Nederland niet straffeloos wil toelaten, wat het goddelooze schrikbewind in Rusland tegen den godsdienst dorst te ondernemen.
De heer Van Wijnbergen heeft zich tot tolk van het Christelijk Nederland gemaakt, door zich tot den Minister van Justitie ie wenden met het verzoek om in te grijpen en aan het gruwelijk optreden der godloochenaars paal en perk te stellen.
Reeds bij de behandeling der Justitiebegrooting in de maand December, werd van verschillende zijden der Kamer aangedrongen op het strafbaar stellen van de openlijke Godslastering.
Bij die gelegenheid werd van de tafel der Regeering nadrukkelijk gewezen op de moeilijkheid om zulk een feit vast te stellen, opdat het bewijs van de Godloochening zou kunnen worden aangetoond, teneinde het den rechter mogelijk te maken den Godloochenaar te straffen.
Doch wat in de laatste weken heeft plaats gehad, was van een dergelijken gruwelijken aard, dat, ten spijt van alle moeilijkheden, een langer talmen Regeering en Kamer zou doen schuldig staan aan het feit van stillekens het communistisch bedrijf goed te keuren.
Dit heeft de Minister van Justitie dan ook goed begrepen.
Immers nadat de vraag van den heer Van Wijnbergen op 2 Februari werd ingezonden, antwoordde de Minister reeds twee dagen later : dat hij een ontwerp van wet in voorbereiding heeft genomen.
Voor deze toezegging zijn wij Minister Donner dankbaar.
De spoed, waarmede de vraag van het R.K. Kamerlid is beantwoord geworden, wijst er op dat de indiening van het wetsontwerp bij de Staten-Generaal niet lang op zich zal laten wachten.
Ondertusschen is van andere zijde reeds een stap gedaan om den communisten aan het verstand te brengen, dat Nederland van de actie der goddeloozen in Rusland niets moet hebben.
Het zijn de directeuren van verschillende Openbare Leeszalen, die het besluit hebben genomen om „De Tribune" van de leestafel te verwijderen en het abonnement op te zeggen.
Zoo worden van allerlei zijden protesten vernomen tegen het schandelijk geschrijf van het communistische blad. Dag aan dag gaat de propaganda voor de Godloochening voort. En het is voor velen slechts één stap om van de Godloochening tot de Godslastering te geraken.
Hiertegen heeft de Overheid op te treden. Zij heeft aan het misdadig optreden van de communisten paal en perk te stellen.
Oppervlakkig geschrijf.
Een van de meest fanatieke voorvechters van de weerloosheidgedachte is de heer Hilbrandt Boschma, Evangelist bij de Ned. Hervormde gemeente te Ruurloo.
Deze strijder van "Kerk en Vrede", die Christusdienst en krijgsdienst twee onvereenigbare begrippen noemt en daarover nog onlangs een brochure schreef, getiteld: „Militairine en Christendom", grondt zijne weerloosheidbeschouwing op wat Gods Woord te dien aanzien zou leeren.
Hoe weinig echter deze vredes-apostel, ook al bezit hij het radicaal van Evangelist, van de Schrift schijnt te begrijpen, bewijst ook zijn schrijven in de „Nieuwe Rotterdamsche Courant" van Zaterdagmorgen, waarin het ditmaal over de Godslastering gaat.
Godslastering — zoo beweert de heer Boschma — bestaat niet, want een mensch kan net zoo min God lasteren, als dat men de zee, of de zon, of het heelal zou kunnen lasteren. God is te groot — aldus gaat Hij, voort — dan dat Hij ooit door eenig mensch „gelasterd" zou kunnen worden. Wie Hem „lastert", bewijst daarmede dat Hij Hem niet kent. Wie meent Hem te lasteren, lastert daarmede niet Hemzelven, maar alleen het verdorven beeld, dat de menschen, of mogelijk wel, dat hij zichzelf van Hem gevormd heeft en toont dus daarmede alleen, dat het hem ontbreekt aan denkkracht en aan stijl".
Over deze laatste opmerking zullen wij maar niet veel zeggen. Men moet in eigen schatting toch wel heel hoog staan, wanneer men beweert dat wanneer mannen van wetenschap en intellect tegen de Godslastering opkomen, het dezen mannen aan denkkracht en aan stijl mankeert.
Doch waarop wij willen wijzen, is op de groote oppervlakkigheid, om maar geen ander woord te gebruiken, welke het schrijven van den heer Boschma, die zich als Evangelist voorstelt, kenmerkt.
De mensch — zoo zegt : hij — kan God niet lasteren ; maar heeft deze theoloog, die zich zoo gaarne beroept op de H. Schrift, dan nimmer gelezen wat in Leviticus 24 vers 16 staat : „Wie den naam des Heeren gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden", en hoe b.v. in de Openbaringen van Johannes, hoofdstuk 13, van het beest uit den afgrond gezegd wordt, dat het een mond gegeven werd om godslasteringen te spreken, en dat het beest zijn mond opendeed tot lastering tegen God ?
Het beroep, dat de heer Boschma op de Schrift doet ter verdediging van zijn standpunt van de weerloosheid, is al even onhoudbaar als zijn opmerking, dat de mensch God niet kan lasteren.
Hier is de gelijkenis van den Heiland van toepassing : Kan ook wel een blinde eenen blinde op den weg leiden ? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen ?
Dc opleiding van onderwijzers.
Bij de opleiding van leerkrachten ten behoeve van het Christelijk, en bijzonder van het Hervormd Onderwijs, doen zich in den laatsten tijd twee verschijnselen voor, die stof tot denken geven.
In de eerste plaats valt op te merken, dal het aantal vrouwelijke onderwijzers dat der mannelijke gaat overtreffen.
Het laatste jaarverslag van de Leidsche Kweekschool voor Onderwijzers schrijft, na medegedeeld te hebben dat de nieuwe cursus is aangevangen met 103 leerlingen, n.l. 40 jongens en 63 meisjes, daarvan :
Jammer is het, dat het aantal jongens zoo ver in de minderheid is. De opleiding van onderwijskrachten voorziet daardoor momenteel niet in de behoefte aan mannelijke leerkrachten. Vooral aan mannelijke Hervormde leerkrachten is groote behoefte. Blijft deze bestaan, dan zullen we het meer en meer zien gebeuren, dat de vrouw de Lagere School verovert.
Hoe belangrijk de taak der vrouw in het werk der opvoeding in het gezin, in meisjesscholen en in de lagere klassen van gemengde scholen ook zijn moge, de hoogere klassen van onze volksscholen moeten blijven in de hand van goedgeschoolde onderwijzers, die daarin hun levenswerk vinden.
Tot zoover het jaarverslag van de Leidsche School.
Er zou nog aan kunnen worden toegevoegd, dat éénzelfde ervaring als te Leiden wordt opgedaan ook op andere Kweekscholen valt waar te nemen.
Het tweede verschijnsel wijst op het gebrek aan Hervormde leerkrachten, welk gebrek bij den dag grooter wordt.Zelfs moet er gesproken worden van een tekort. Het gevolg daarvan is, dat de Hervormde Scholen niet de onderwijskrachten kunnen betrekken, die zij behoeven.
Is er dus in het algemeen bij deze scholen een tekort aan onderwijzers, dit tekort—de klacht wordt telkenmale gehoord — wordt in bijzondere mate gevoeld bij de scholen, die op Gereformeerden grondslag staan.
Voor deze scholen zijn haast geen onderwijzers te krijgen.
Vandaar, dat de Gereformeerde Bond begrepen heeft dat onverwijld maatregelen moeten worden getroffen om in den nood aan Gereformeerde onderwijzers te voorzien.
Het wachten was tot nog toe op het verschijnen van het rapport van de Staatscommissie-Rutgers. Er waren toch geruchten in omloop, dat déze Commissie inzake de opleiding van onderwijzers met nieuwe voorstellen zou komen. Dit is intusschen, nu het rapport verschenen is, onjuist gebleken. Immers dé Commissie-Rutgers komt, wat de opleiding betreft, tot de conclusie dat de bestaande toestand behoort gehandhaafd te blijven.
Zooals bekend is, luiden de bepalingen in de Lager Onderwijswet 1920 ter zake van de opleiding van onderwijzers anders, dan, die, welke tot heden werden gevolgd. De bestaande regeling is gegrond op de overgangsbepalingen van de wet, die tot het jaar 1935 geldend zijn.
Zouden er dus geen voorstellen zijn binnengekomen betreffende de opleiding, dan zou de regeling van de opleiding na 1935, vergeleken bij die van thans, een belangrijke wijziging moeten ondergaan.
Doch van hetgeen de Lager Onderwijswet op het stuk der opleiding bepaalt, wil de Commissie-Rutgers niets weten.
Zij concludeert daarom, „dat de in de wét van 1920 neergelegde opleiding niet behoort te worden ingevoerd, doch dat het thans overeenkomstig de overgangsbepalingen der wet en daarop steunende koninklijke besluiten bestaande stelsel, dat in de practijk goede resultaten heeft gegeven, als wettelijk stelsel moet worden aanvaard.
Natuurlijk is de Minister vrij om bij het doen van voorstellen aan de Staten-Generaal tot herziening van de wet 1920, wat ongetwijfeld in de bedoeling ligt, het rapport-Rutgers al of niet te volgen. Echter is het vrij zeker, dat nu de Commissie-Rutgers ten aanzien van het, moeilijke stuk der opleiding geen nieuwe voorstellen doet, en de bestaande regeling goed acht, de Minister zich bij dat gevoelen zal neerleggen. Er is dus voor den Gereformeerden Bond, wat dit punt betreft, geen reden méér om langer te talmen!
Met kracht zal daarom de zaak der opleiding van Hervormd Gereformeerde onderwijzers moeten worden aangevat, teneinde in den grooten nood aan leerkrachten te voorzien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's