De kleijne luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
Hoofdstuk XIII.
HET DAGHET.
't Zal een paar jaar later geweest zijn. Reeds lang dekte een groen grastapijt de plek, waar onder zooveel deelname het stoffelijk overschot van Mulders Bet .geborgen werd. Alleen was een eenvoudige grafzerk, met een paar kunstkransen de plaats aan, waar eens het dorp met den eenzamen vader had getreurd om wat hem ontvallen was. En sinds dien dag had Jasper nog menigmaal een graf moeten delven voor oud en jong, omdat er in geboren worden en sterven geen stilstand is.
't Was een mooie zomeravond. De spreeuwen zaten op de kerknaald zacht te kweelen, de zwaluwen vlogen nog lustig rond ; vanuit 't bosschage rond de pastorie floot een merel, en in de slooten zongen de kikvorschen hun landelijk lied. Het vee in de weilanden liep te grazen, of lag tevreden herkauwend in 't lange gras, hetwelk dit jaar bijzonder de vlijt des landmans loonde. In de dorpsstraat speelde de jeugd haar vroolijk spel, in 't geheel nog niet denkend aan het nemen van rust. Hier en daar hielden de buren een gezellig praatje over 't nieuws van den dag.
Een avond, waarop het gevoelig hart, dat tevens oog kreeg voor de wonderen Gods in de werken Zijner handen, zoo als vanzelf gestemd werd tot hetgeen de psalmist uitsprak in het : „O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de gansche aarde !"
Voor de kosterswoning zaten Sander en Jasper in druk gesprek, terwijl de oudste krullebol zich vermaakte met de schelpen, pas op het kerkpad uitgestrooid en vanuit het opengeslagen raam kindergekraai naar buiten klonk, afgewisseld met het vroolijke lied van de moeder, die zich zoo gelukkig gevoelde in deze vredige omgeving.
„Een goeden dag gehad ? " — vroeg Jasper aan zijn vriend, die nog altijd even trouw hen bezocht.
„'t Gaat wel, maar de koopkracht is tegenwoordig niet groot; de prijzen zijn den menschen te hoog en de kwaliteit is te slecht, 't Is geen prettig handelen".
„Daar zijn toch ook nog genoeg, die dubbel en dwars kunnen betalen, omdat er de laatste tijden schatten verdiend zijn. Onder den 'boerenstand, alsook in den werkmansstand".
„Heb je gelijk aan, maar het leven is duur. Vooreerst die hooge levensstandaard voor de meesten veel te hoog ; dan die reusachtige prijzen, en om niet te vergeten, die zware belastingen".
„Ja, dat laatste zégt wat. Nog heel iets anders dan de tiende penning van Alva. En wanneer komen wij er eens weer af. Het is altijd maar weer meer en hooger".
„Ik vrees van nooit. Of het schip van Staat moet een heel anderen koers nemen. Maar al die nieuwe wetten, en vooral die uitgaven voor leger en vloot, verslinden schatten".
„Wanneer zullen de menschen toch eens wijzer worden en ophouden met de millioenen te besteden aan alle mogelijke uitvindingen om in den kortsten tijd de meeste levens weg te maaien of voor altijd ongelukkig 'te maken !"
„Ik vrees van nooit, Jasper; althans niet zoolang deze bedeeling duurt. De zonde heeft het hart met wrok en wrevel vervuld. Van nature zijn allen hatelijk en elkander hatende, en wordt de vreeze Gods niet gekend. Zoo komt vanzelf twist en tweedracht in de huizen, in de maatschappij, in de Kerk, in den Staat en ook tussche de volkeren onderling".
„Maar daarom kon er toch wel paal en perk gesteld worden aan die moordpartijen op groote schaal, die men oorlog noemt".
„Zeker wel, en alle pogingen daartoe moeten toegejuicht, maar zoolang 't kwaad in den wortel niet wordt aangetast en onschadelijk gemaakt, zal dat alles niet veel baten".
„'t Gaat er mee als bij een brand. Het is niet enkel voldoende hier en daar een uitslaande vlam te blusschen, al is dit natuurlijk niet af te keuren, maar afdoend werk wordt eerst geleverd als de vuurhaard is ontdekt en gebluscht".
„Toch spreekt ook de Schrift van een vrederijk, als de zwaarden tot spaden en de spiesen tot sikkelen zullen worden geslagen".
„Zeker, maar dan moet eerst de Satan gebonden worden en de zonde teniet gaan. Dan zal zelfs het redeloos vee, dat meedeelt in den vloek der schepping en onbewust met opgestoken hoofde uitziet naar de openbaring der kinderen Gods, deelen in den Godsvrede op het herboren aardrijk, als de koe en de berin samen zullen weldeul en een jongske zijn hand zal uitsteken in het hol van een basilisk, omdat niemand meer verderft".
„Een heerlijke toekomst, Sander, waar van een mooie avond als deze een flauwe schaduw geeft".
„Ja, jongen, ik kan er soms zóó naar verlangen, maar zoolang wij hier zijn, hebben wij onze aardsche roeping te vervullen, mij de toewijding van onze gansche persoonlijkheid".
„'k Ben 't volkomen met je eens. Wat zou de wereld er anders uitzien, Sandel als dit door eik verstaan werd. Dan was meteen ook de sociale kwestie opgelost.
„Natuurlijk, maar dan moet al weer kwaad in den wortel aangetast, en dient elk van zichzelf af te beginnen. De groote fout van den mensch is, dat hij gewoonlijk beter het gebrek in een ander opmerkt en dat breed uitmeet, dan eigen tekort te zien''!
(Wordt vervolgd)!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's