De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFT VERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFT VERKLARING

Romeinen 8:33-35.

4 minuten leestijd

Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? God is het, die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt ? Christus is het, die gestorven is ; ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus ?

Romeinen 8:33-35.
De jubel van den apostel Paulus bereikt aan het einde van het 8ste hoofdstuk het hoogtepunt. In het vorige vers mocht hij reeds roemen, dat het er eigenlijk niets toe doet wie er tegen de Kerk God is, omdat de Heere immers vóór hen is. Zijnen eeniggeboren Zoon .heeft Hij voor hen niet gespaard. Hoeveel te meer zal Hij met Hem Zijnen kinderen alle dingen schenken.
Welaan, wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? Neen, deze vraag wil niet uitdrukken, dat er geen beschuldigers tegen Gods kinderen zullen optreden. Er zijn immers véle beschuldigers, maar het is des apostels bedoeling om juist de nietigheid van al hunne beschuldigingen in het licht te stellen.
Misschien denkt ge bij uzelf, dat er ook eigenlijk geen enkel punt van beschuldiging aanwezig is. Het zijn immers de uitverkorenen Gods, van wie hier sprake is. Als een mensch voor de keus wordt gesteld, neemt hij immers het liefst het beste. Als ge echter in het geslachtsregister van Matth. 1 leest, wie de Heere Jezus waardig heeft gekeurd om Zijn geslachtsboom te vormen, dan wordt ge wel genezen van uwe dwaling, alsof het de besten waren.
Daar lees ik, om maar enkele namen te noemen, van Rachab, van Bathseba, van Ruth, van Jacob en Juda.
Maar wat van die allen geldt, geldt van al Gods kinderen : toen Gods Geest hen belichtte en hun consciëntie opende, weerklonk in het hart zelfbeschuldiging op zelfbeschuldiging. Maar bij de veranderlijke stem van het geweten bleef het niet. De onveranderiijke wet Gods trekt geen enkele beschuldiging in. Ze laat geen tittel of jota vallen, doch bedreigt met den vloek allen, die ook maar in één gebod zouden struikelen.
En dan de satan ! Was hij het niet, die tegen den armen hoogepriester Jozua beschuldiging op beschuldiging inbracht?
En de wereld niet te vergeten. Zelfs degenen, die leven in de verschrikkelijkste zonden, wijzen op de kleinste vlek in het kleed van de kinderen Gods.
Ge ziet wel, lezers, dat het aan beschuldigers niet ontbreekt. En ons eigen hart klaagt ons aan, dat de beschuldigers vele onwederlegbare beschuldigingen inbrengen. Wie zal al dien beschuldigers den mond stoppen? Wie zal redden van het rechtvaardig vonnis? Immers alleen de Heere, die Jeruzalem verkiest. Alleen God, die rechtvaardigt om niet uit louter ontferming. Als de Heere, de goddelijke Rechter, vrij spreekt van alle schuld, dan moeten immers alle aanklagers wel zwijgen. Wie zal het dan nog wagen om tegen dat vrijsprekend vonnis van den Heere te helpen verdoemen. Hij stilt het geweten. Hij doet de Wet op zijde treden. Hij scheldt den satan. Hij vernedert de wereld en verhoogt arme zondaren uit het stof, opdat ze Zijn Naam zouden verheerlijken.
Nu kan ik mij indenken, dat iemand zou zeggen : maar kan dat nu zoo maar ? Staat er dan niet geschreven van een wee over hem, die den goddelooze rechtvaardigt ?
Weest gerust, lezers, het staat maar niet op losse schroeven, maar op recht en waarheid pal, als , op onwrikbare steunpilaren. Aan het recht Gods is door den Heere Jezus voldaan. De vrijspraak des Vaders kan alleen plaats hebben om de kruisverdienste van den Zoon. Daarom laat ook de apostel onmiddellijk volgen : Christus is het, die gestorven is ; ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus ?
Christus stierf aan het kruis voor arme zondaren. Het rantsoen, wat Hij bracht, was volkomen. Zijn borgtochtelijk lijden was een volkomene genoegdoening.
Indien de beschuldigers er aan mochten twijfelen, staat er immers juist bij geschreven, dat Hij ook is opgewekt. Zeg mij, is de opstanding van Christus niet het Amen van den Vader op dat lieflijke kruiswoord' van den Zoon : Het is volbracht.
Ja, het offerlam was volmaakt. De dood kon Hem niet houden. En ten bewijze dat Hij machtig is om de vruchten van Zijne rijke overwinning in te zamelen, staat er ook zoo heerlijk bij geschreven, dat Hij ter rechterhand Gods is. Maar niet alleen dat Hij daar is, maar bovenal dat Hij daar is als de goddelijke Voorbidder, die steeds voortreedt bij den Vader.
Zeg mij, wie heeft het nu nog in zijn macht om de liefde van Christus machteloos te maken en een in zichzelf verloren volk van Hem te scheiden ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFT VERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's