De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN AATSCHAPPY

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN AATSCHAPPY

Het verslag van de Staatscommissie-Rutgers.

7 minuten leestijd

Het verslag van de Staatscommissie-Rutgers.
In een van de laatste nummers van ons blad is de aandacht gevestigd op het standpunt, dat de Commissie-Rutgers in haar verslag inneemt ter zake van 't opleidingsvraagstuk van de onderwijzers bij het lager onderwijs.
Dat zelfde rapport geeft ons thans aanleiding om ook nog over een paar andere onderwerpen een enkel woord te zeggen.
Zooals bekend is, had de Staatscommissie tot opdracht om te overwegen, of in de Lager-Onderwijswet 1920 wijzigingen behooren te worden aangebracht, waardoor met volkomen eerbiediging der financieele gelijkstelling tegenover de openbare kassen van het openbaar-en bijzonder lager onderwijs, gelijk dit is neergelegd in Art. 195 der Grondwet, en zonder schade te doen aan de vitale belangen van het onderwijs — aan dat beginsel eene .minder kostbare toepassing wordt gegeven ;
niet noodzakelijke beperkingen der vrijheid van het onderwijs worden weggenomen, en in het algemeen bezwaren, welke bij de toepassing der Lager-Onderwijswet 192-0 zijn aan het licht getreden, worden opgeheven".
Wat het eerste gedeelte van haar opdracht betreft, heeft de Commissie-Rutgers, — en met deze korte opmerking willen wij bij dit punt volstaan —, in hare voorstellen weinig kans gezien om op de kosten van het onderwijs belangrijk te bezuinigen. De eenige bezuiniging van beteekenis, welke wordt voorgesteld, is eene wijziging van de leerlingensohaal, in dier voege, dat het aantal leerlingen per klasse wordt verhoogd, welke maatregel, komt hij tot stand, bijzonder voor de kleine scholen zeer nadeelig zal zijn.
Aangezien de Minister van Onderwijs bij het doen van voorstellen aan de Staten-Generaal ter zake van wijziging van de Lager-Onderwijswet 1920 wel niet in de richting van dit gedeelte van het verslag der Commissie gaan zal, te meer niet, omdat in de Commissie ten aanzien van het voorstel tot wijziging der leerlingenschaal geen eenstemmigheid bestaat, achten wij een bespreking van dit deel van het verslag van weinig direct belang.
Van meer beteekenis — zoo komt het ons voor — is wat de Commissie-Rutgers voorstelt met betrekking tot de uitvoering van 't tweede gedeelte van haar opdracht, namelijk : het wegnemen van niet noodzakelijke beperkingen der vrijheid van het onderwijs.
Te dien opzichte zouden wij de aandacht willen vestigen op een tweetal punten. In de eerste plaats op de regeling van het buitengewoon lager onderwijs.
In de Lager Onderwijswet 1920 wordt de financieele gelijkstelling — zooals de Grond wet dit voorschrijft — niet volledig doorgetrokken tot het algemeen vormend bijzonder lager onderwijs, dat is het onderwijs, dat aan schippers-en kramerskinderen, benevens aan zwakzinnige kinderen wordt gegeven.
Daarin wil de Commissie verandering zien gebracht. Zij geeft aan die gedachte uitvoering door in haar Concept-ontwerp van wet tot wijziging van de Lager-Onderwijswet 1920 een algemeene regeling te ontwerpen, waardoor volledige financieele gelijkstelling zal worden verkregen tusschen het openbaar en het bijzonder buitengewoon lager onderwijs.
Door deze regeling zal voortaan ook het gemeentelijk onderwijs aan de categorieën van leerlingen, hierboven genoemd, steeds op Rijkssubsidie aanspraak hebben.
Wij achten het standpunt van de Commissie alleszins juist en ook rechtvaardig, omdat heel wat ouders van schipperskinderen voorstanders zijn van bijzonder onderwijs, en zij tot op heden geen voldoenden steun konden ontvangen om hun. kinderen het begeerde onderwijs te doen volgen.
Komt de regeling nu, zooals de Commissie dit voorstelt, tot stand, dan zal én het onderwijs aan schipperskinderen, die de grootste categorie vormen van de leerlingen die buitengewoon lager onderwijs behoeven, èn de ouders dier kinderen daardoor worden gebaat.
Het tweede voorstel van beteekenis van de Commissie is : het laten vervallen van de bekende verklaring van belanghebbende ouders bij de aanvrage aan het gemeentebestuur voor den bouw van een bijzondere school.
Naar luid van de bepalingen van de bestaande Onderwijswet, moet het Schoolbestuur om de benoodigde gelden van de gemeente te ontvangen voor de stichting van een schoolgebouw, door handteekeningen van ouders aantoonen, dat de school .het minimum aantal leerlingen zal tellen, dat de wet eischt.
Deze bepaling van artikel 73 der Lager Onderwijswet 1920 heeft, zooals bekend is, menigmaal den bouw van een school tot voorwerp van politieken. strijd gemaakt.
Gezien nu de vele bezwaren, welke tegen de bepaling van artikel 73 bestaan, heeft de Commissie-Rutgers zich afgevraagd of de verklaring in dat artikel geëischt, metterdaad in het stelsel van de wet onmisbaar is. Zij is daarbij tot de conclusie gekomen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Vandaar dat de Commissie de „verklaring" van artikel 73 niet in haar Concept-ontwerp van wet heeft opgenomen.
Ook is uit dit artikel niet overgenomen de verplichting om bij de aanvraag over te leggen eene opgave van het maximum getal leerlingen, dat per klasse zal worden toegelaten.
Door het schrappen van beide bepalingen uit het vigeerend artikel 73, krijgen de schoolbesturen een grootere vrijheid van handelen.
Om echter te voorkomen dat tengevolge van deze meerdere vrij'heid, die de besturen zullen genieten, de splitsing van scholen niet wordt bevorderd, is de waarborgsom, die in de gemeentekas moet worden gestort, voorscholen met minder dan 150 leerlingen verhoogd.
Bepaalt de Lager-Onderwijswet 1920 als waarborgsom een bedrag, gelijk staande met vijftien ten honderd van de stichtingskosten, in het voorstel-Rutgers heeft .het Schoolbestuur in de gemeentekas een waarborgsom te storten van 30%.
Naar de meening van de Commissie zal deze verhooging preventief werken, om Schoolbesturen terug te houden van de stichting van scholen, waarvoor niet een voldoend aantal leerlingen aanwezig is.
Het wil ons voorkomen, dat tegen deze verhooging van de waarborgsom geen overwegend bezwaar kan bestaan, wanneer daarbij ook in acht wordt genomen de meerdere vrijheid, welke de schoolbesturen krijgen.
Alles bij elkander genomen, lijkt het ons toe, dat de Commissie-Rutgers er in geslaagd is niet noodzakelijke beperkingen der vrijheid van bet onderwijs weg te nemen.

Demagogie.
De Staatkundig Gereformeerden staan op het standpunt, althans ds. Kersten propageert deze gedachte sterk, dat werklooze arbeiders als armen zijn te beschouwen en dus als zoodanig voor bedeeling in aanmerking komen.
Zou deze politieke partij haar zin krijgen, dan zouden alle pensioenfondsen, die uit premies worden opgebouwd, benevens de ongevallen-, invaliditeits-en ouderdomsfondsen moeten worden opgeruimd. De tienduizenden ambtenaren, zoowel militaire als burgerlijke, de invalide en oude arbeiders, zoo mede de weduwen en weezen, die allen thans zijn geborgen, kwamen, voor zooverre ze , niet over de noodige kapitalen beschikten, dam op straat te staan om hun hand op te houden om door de Kerk of door de Overheid bedeeld te worden.
Deze fraaie Staatkundig Gereformeerde theorie van werklooze ambtenaren en arbeiders, die als armen zijn te beschouwen, maakte .het onderwerp van de redevoering uit, die ds. Zandt in de avondvergadering van 17 Februari in de Tweede Kamer hield.
Dat deze redevoering niet aan demagogie was gespeend, bleek hieruit, dat de geachte redenaar eenerzijds beweerde dat de sociale wetgeving ons volk handen vol gelds kost, dat niet te betalen is, terwijl hij anderzijds pleitte voor ruimen steun en een milddadig optreden van de Ovenheid, om de noodeo der werkloozen te lenigen. Dooh de millioenen, die daarvoor zullen benoodigd zijn, zullen dan toch ook uit de zakken van de belastingbetalers moeten komen, die naar het gevoelen van ds. Zandt daartoe niet in staat zijn.
Ra, ra, hoe zit dat ?
Want wel zal naar ds. Zandt's meening de kerkelijke en particuliere armenzorg moeten vooruitgaan, doch een ieder weet wel, dat in dat geval van verzorging niets komt en al de honderdduizenden, die geen pensioen, rente of steun zullen ontvangen, voor rekening van den Staat komen.
Het is jammer, dat ds. Zandt niet eens een tijdje belast kan worden met het ambt van Minister van Financiën.
Dr. Beumer, die ds. Zandt in de Kamer te woord stond, maakte de juiste opmerking, dat de beste redevoeringen diè zijn, welke niet worden uitgesproken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN AATSCHAPPY

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's