MEDITATIE
Dat de smart zeer groot was
Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijne plaats : Elifas, de Temaniet, en Bildad, de Suhiet; en Zofar de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen, om hem te beklagen, en om hem te vertroosten. En toen zij hun oogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden ; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar den hemel.Alzoo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten ; en niemand sprak tot hem één woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was. Job 2 vers 11—13.
In het algemeen genomen, kunnen we niet zeggen, dat de troost, die Job in zijn beproeving van menschen ontving, bijzonder groot was. Vooral in den beginne niet. Toen had hij aan menschen niets.
Wanneer wij het verband der hier boven gedrukte tekstwoorden nalezen, blijkt ons, dat we den godvreezenden man aantreffen als een toonbeeld der diepste ellende. Wanneer we onzen Heiland zelf uitzonderen, heeft wellicht nooit iemand zulke pijnlijke smarten doorworsteld als deze vrome lijder, wiens geduld spreekwoordelijk geworden is. In enkele uren tijds werd hij, van den rijksten, de armste man des lands ; ook moest hij op denzelfdcn dag zijn tien volwassen kinderen verliezen door den dood. Was het stoffelijk en geldelijk verlies heel erg, immers hij werd van alle bestaansmiddelen beroofd, het verlies zijner lieve kinderen was ontegenzeggelijk de hoogste golf in deze zee van smart.
Een mensch moet vaak heel wat doormaken op de aarde. Vreeselijk zijn de gevolgen geweest van Adams zondeval in het Paradijs. Ook de beker van Jobs lijden hield dus veel in. Maar hij was er nog niet. Er zou nog meer bijkomen. Hij ontving een overloopende maat. Hij moest meer dan iemand anders ondervinden : „Dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en hij geeselt een iegelijken zoon, dien Hij .aanneemt".
De satan had den strijd tegen God verloren. Immers duidelijk was gebleken, dat de Heere terecht job een man genoemd had : oprecht en vroom en godvreezend, en wijkend van het kwaad. Satan wilde nog eenmaal een kans wagen. Deze verdachtmakende taal siste hij uit ; „huid voor huid en al wat iemand heelt zal hij geven voor zijn leven. Doch strek nu Uwe hand uit; en tast zijn gebeente en zijn vleesch aan, zoo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen ! Toen sprak de Heere : „Zie ! hij zij in uwe hand ; doch verschoon zijn leven !"
Toen ging Satan uit van het aangezicht des Heeren, en sloeg Job met booze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe ; en hij nam zich een potscherf, om zich daarmede te schrabben ; en hij zat neder in het midden van de assche.
Vreeselijke toestand, waarin Job verkeerde ! Al deugde zijn bedoeling niet, de Satan sprak een onweersprekelijke waarheid uit. Niets is ons meer waard dan onze gezondheid. Maak veel door ; wanneer gij slechts gezond zijt naar lichaam en geest, uw uithoudingsvermogen grenst soms aan het ongelooflijke. Ook gaat er een wisselwerking uit van het lichaam op de ziel, en van de ziel op het lichaam. Verzwakken uw nieren of uw hart, ook uw zenuwen lijden er onder ; uw moed begint te verslappen, uw energie vermindert.
Job werd geplaagd door een der vele, in het Oosten voorkomende, huidziekten, n.l. een van de allerergste soort. Afzichtelijk werd zijn uiterlijk. Onverdragelijk was de jeuk, die hem kwelde. Hoogst besmettelijk zijn kwaal. Hij behoort naar Gods Wet en volgens Oostersche zede in de samenleving niet meer thuis. Hij strompelt daarom de deur uit en verlaat zijn woning van vroegere weelde, waar hij voorheen zooveel genot smaakte, waar hij als huisvader gezeten had aan het hoofd der tafel in den kring van huisvrouw en vroolijke kinderen. Hij begeeft zich al waggelend daarheen, waar het gebroken vaatwerk wordt neergesmeten en de aschbak uitgestort wordt. Als een mensch, die zijn waarde verloren heeft, werpt hij zich daar neer en grijpt een der talrijke, niet meer gebruikte potscherven, en krabt daarmee over zijn schrijnend jeukende zweren, en gevoelt zich als de ellendigste van alle schepselen.
Zoo zijn Gods kinderen ongetwijfeld rijk en gelukkig, wijl zij het duurachtige, zaligmakend geloof bezitten ; — ja ! wie is gelukkiger dan een kind van God ? — ; maar dat goud des geloofs moet soms in een harden smeltkroes en op heet vuur worden gelouterd en gereinigd. Dat is allesbehalve gemakkelijk voor het vleesch, en 't steeti ook als een puntige vlam in de kameren van ons hart.
Diep en donker zijn vaak de wegen des Heeren ; maar onze getrouwe God heeft daarmee steeds een wijze bedoeling. Op den kruisweg worden de knieën gebogen en raakt het eigenlievende hart er onder. Dan komen we ook voor onszelf tot klaarheid, hoe onze verhouding tot den Heiland is, en of we wel waarlijk Hem minnen, die ons eerst heeft liefgehad ; wat we zijn : hemelzoékers of Godzoekers. Wanneer we den godvreezenden Elihu uitzonderen, heeft Job niet veel troost van menschen genoten. O zeker, hij krijgt bezoek, evenals wij in onze dagen ook nog bezoek ontvangen, wanneer we rouwen of ziek werden of ons huis in brand vloog. De eerste, welke bij hem kwam, was zij, die wij ook het eerst bij hem verwachten, 't Was Zij, met wie hij in jonge jaren teedere woorden had gefluisterd, die hem liefde en trouw had toegezegd in nood en dood, kommer en zorg, de moeder zijner kinderen. Job zit neder op den aschhoop. hij staart in de richting van zijn huis, waar in hij zooveel gelukkige jaren had beleefd. Dat was nu al voorbij. Kon hij dien heerlijken tijd slechts terugroepen ! Ach, kwam nog maar één keer één van die vele dagen terug, die hij, thans achteraf gezien, nooit genoeg had gewaardeerd !
Daar gaat de deur van zijn huis open. Wie komt aangeschreden ? het is zijn huisvrouw ! Ongetwijfeld heeft zij versterkend voedsel voor haar kranken man bereid. Zeker nadert zij met zalf en windselen en zachte hand, om het brandend vuur der Wonden te verkoelen en schrijnende pijn te lenigen.
Dat zouden wij verwachten. Wanneer er ware liefde voor haar man in haar had geleefd had, zou zij zulks hebben gedaan, zo 't haar geen moeite hebben gekost, er zeker van, dat ook haar man haar in dergelijke omstandigheden zou geholpen hebben, in ziekte en smart worden man en vrouw nog meer man an vrouw van elkaar dan ooit tevoren. Helaas ! zij komt daar aan met ledige handen, maar ironie, sarcasme en spottaal op de lippen. Zij krenkt hem in het teerste, wat hij bezat, n.l. in zijn godsdienst. haar woorden klinken bijna als een uitdaging tot zelfmoord.
Gehuwde mannen en vrouwen onder onze lezers, gij hebt elkander houw en trouw belootd. ; betoont daarom aan elkander zuivere liefde ! Wordt nimmer ontrouw naar elkander, noch door overtreding van het zevende gebod, noch door afgunst en haat. God wil, dat gij elkander tot een steun en hulpe zijt. Zijn de omstandigheden daartoe moeilijk, de heere wil helpen. Wanneer gij uw knieën buigt, en uw wil en bedoeling zijn waarlijk goed, dan zal de Almachtige zich niet onbetuigd laten. Vernedert u daarom in het stof! De Heere kent uw strijd, en Zijn oor werd niet doof om te hooren, Zijn arm niet verkort om te helpen. En de liefde wint het op den duur altijd. De macht der liefde is onbegrijpelijk groot. Zonder strijd geen overwinning ; de zege is tenslotte steeds aan de liefde. Tegen de liefde is op den duur niets bestand. Spiesen, schilden, dolken, zijn niet zoo sterk als de liefde. Ook verzekert het Woord van God :
Waar liefde woont, gebiedt de Heer den zegen ; Daar woont Hij zelf, daar wordt Zijn heil verkregen.
En 't leven tot in eeuwigheid !
De meeste Schriftuitleggers vermoeden, dat de Heere Jobs huisvrouw van hem heeft weggenomen. Velen veronderstellen, dat zij stierf, omdat de Heere aan Job een andere vrouw heeft geschonken. In elk geval heeft hij met zulk een liefdeloos, valsch schepsel niet gelukkig verder kunnen leven. Ook bestaat de mogelijkheid, dat God haar bekeerd heeft, dat zij voor haar godvreezenden man in de schuld kwam te vallen, en dat zij toen, na vergeving em verzoening, pas de rechte huisvrouw voor Job geworden is.
Hoe dit zij, uit al deze dingen kunnen we leeren, dat de Christen aan God genoeg moet hebben ; immers wanneer ziekte en armoede, en in hun gezelschap zorg en kommer, de deur in komen, dan vlucht dikwijls de liefde het raam uit. Driewerf gelukkig man en vrouw, die beiden den Heere vreezen, gelijk b.v. Zacharias en Elizabeth. Dan weet men te schikken en te plooien, te vergeven en te vergeten. Welk een heilzamen invloed moet dit op kinderen en omgeving uitoefenen ! Dan wordt ook God in alle dingen gekend en geraadpleegd. Dan passen we toe, wat elders geschreven staat, ook in het boek van Job : „Gewen u toch aan Hem, en heb vrede ; daardoor zal het goede u overkomen!" Zoo is ook de ervaring van al het volk van God,
Het tweede bezoek, dat Job kreeg, was van zijn drie vrienden : Elifaz, de Temaniet ; Bildad, de Suhiet ; en Zofar, de Naamathiet. Hun doel beoogdte, om Job te beklagen en te vertroosten. Toen zij op een afstand van hem zijn ellende zagen, herkenden zij hem niet meer, hieven zij hun stem op, en weenden. Ook scheurden zij hun mantels, strooiden stof op hun hoofden, en bleven bij hem op den grond zitten, zeven dagen en nachten aanéén, zonder een enkel woord te spreken.
Eindelijk, daar openen zij hun monden tot spreken ; maar Job heeft er niets aan ; het zijn slechts moeilijke vertroosters. Zij begrijpen hem niet. Zij kunnen maar niet in zijn gemoedstoestand inkomen en wisselen troostelooze disputen met hem over het probleem des lijdens.
Als Job zijn God niet gehad had, zou hij zeker omgekomen zijn in dien grooten nood en ellende. De Heere echter heeft Jobs geloof in den smeltkroes gelouterd, en alles, hoe moeilijk ook, heeft medegewerkt ten goede.
Lezers, wie is onze hulp en sterkte in nood en dood, zorg en verdriet ? Is het die wereld, die geen troostgrond voor u bezit ; of is het die getrouwe God en Vader, die nooit laat varen de werken Zijner handen, en Zijn lieve Zoon Jezus Christus ? Waarlijk, trachten we met den Heere, om den wille van Golgotha's kruisbloed in verzoende en kinderlijke betrekking te komen ! Dan zal het ons zoo wél zijn. Al slaat dan een zee van rampen hoog met haar golven. De Heere zal ons niet begeven noch verlaten. Dan ligt ons schip ankervast. Dan zal niets ons deren. Het einde zal vrede zijn in het Vaderhuis met de vele woningen ! Dan verliezen wij den moed niet; immers
Hij ruimt van onze wegen, Wat daarop is gelegen, Dat ons tot hindernis. Tot schade en nadeel is.
Door bergen en door dalen Is Hij 't, die ons geleidt. En ons voor 's Hémels zalen Geschikt maakt en bereid !
Ééns zal 'k voor 't laatste reizen ; Dan vind ik blijde rust In d' eeuwige paleizen Aan Sion's zaal'ge kust!
Neerlangbroek (bij Doorn).
ALBERT PRINS,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's