KERKELIJKE RONDSCHOUW
Mogen wij zwijgen.
Men leest hier en daar dat sensationeele opschrift wel eens : Mogen wij zwijgen ?
Wij willen volstrekt geen sensatie wekken, maar wij willen toch niet zwijgen. Juist omdat er velen zijn, die kunnen zeggen; dat hebben we niet geweten!
't Betreft weer — hoewel wij heusch zoo dikwijls niet over deze dingen schrijven, terwijl toch de armoede groot is — de pensioenen van predikanten en predikantsweduwen in de Ned. Hervormde Kerk.
In het „Orgaan van den Bond van Nederlandsche Predikanten" lazen we onlangs, dat in enkele groote steden het emeritaatspensioen ƒ2800.— is. Het Rijksweduwenpensioen in enkele groote plaatsen is ƒ 560.— ; veelal is het maar ƒ 140.—.
De uitkeering uit de Algemeene Synodale Weduwenbeurs is ƒ 350.-—.
Verder is er een Hulppensioenfonds voor emeriti-predikanten, dat ook 'n heel klein ietsje geeft.
Voor jongere predikanten is het nieuwe pensioenfonds gesticht, waarvan men tegen hooge jaarlijksche contributie lid kan worden.
Ook zijn er vijftig Classicale- en Provinciale Weduwenbeurzen, die een zeker bedrag uitkeeren. Die beurzen loopen zéér uiteen — enkele Classicale beurzen worden „vet" genoemd, maar 't zijn maar enkele „bevoorrechte" classes, en niemand die predikant wordt kan op die beurzen rekenen, want" niet ieder wordt in zoo'n „vette" Classis beroepen, en die er beroepen zou worden, gaat nog niet altijd om een vette-Weduwenbeurs naar een bepaalde gemeente ! Die Weduwen-pensioenen moeten we dus eigenlijk uitschakelen.
De weduwe van een predikant, die in functie sterft, kan dus rekenen op een pensioen van ƒ 140.—, plus ƒ 350.—, dat is dus : ƒ 490.— 's jaars. Dat is dus nog geen ƒ 10.— in de. week voor een predikantsweduwe.
Leg daar nu eens naast de pensioenen van ambtenaren, onderwijzers, enz. Is het dan wonder, dat de vergelijking zeer ten nadeele van de predikanten uitvalt?
En is het niet bekend, dat vele Hervormde predikantsweduwen in diepe armoede leven ?
Dat mag de Kerk toch niet toelaten ? Moeten hier de handen niet in elkaar geslagen worden, om althans voor de grootste armoede en de pijnlijkste ontberingen te vrijwaren ?
De Russische Geloofsvervolgingen.
Met de groote christelijke feesten maken „de Godloozen" in Rusland zich op bizonder tegen den godsdienst te ageeren en de ongelootsbeginselen te propageeren. Met Kerstfeest moet het echt „godloos" er zijn toegegaan in Rusland, en de ellende voor Christus' Kerk is vreeselijk, door dit godonteerend optreden. Over alle landen worden de netten gespannen ; het zaad des ongeloofs wordt met volle handen uitgestrooid ; men ijvert met een ijver, die schier bovenmenschelijk is. Arme geloofsgenooten in Rusland ! Arm Europa, dat zoo bedreigd en bestookt wordt ! Nu is gevraagd om althans één Zondag — b.v. in deze lijdensweken, liefst op 29 Maart — bizonder in het midden van de gemeente de geloofsvervolgingen in Rusland en de godlooze propaganda over heel de wereld, in het gebed, te gedenken. Om saam te bidden in alle Kerken ; gedachtig aan het woord : „Als één lid lijdt, dan lijden alle leden"; en ook, dat we samen hebben te waken en te bidden. Het rijk van Satan roert zich. op een vreeselijké manier. Dat het door Gods genade mag worden ingetoomd en dat Christus' Kerk ondersteuning vinde ; dat Gods Koninkrijk worde uitgebreid en de volkeren zich mogen bekeeren tot den levenden God.
De oproep tot gemeenschappelijk gebed is onderteekend door de volgende heeren : dr. J. Th. de Visser ; dr. J. R. Callenbach ; dr. K. Dijk van Den Haag ; ds. F. Dijkema, Doopsgez. pred. te Amsterdam ; ds. Van Hoogenhuijze, Amsterdam ; ds. S. van der Molen, Chr. Geref. pred. te Rotterdam ; ds. W. J. Velders, Geref. pred. te Rotterdam ; ds. C. C. G. Visser, Ev. Luth. pred. te Rotterdam ; dr. F. J. Krop e.a.
De Kerk is Kerk.
De Kerk is iets bizonders. De zonde is algemeen. Over heel de wereld ligt het booze ; sterker : heel de wereld ligt in hét booze, is boos, van binnen en van buiten boos. Er is miemand die goed doet, die naar God vraagt, ook niet tot één toe. En nu is de Kerk iets bizonders in het midden van die booze wereld, vrucht van Gods ontfermende liefde en eeuwige ontferming.
In geen enkel land, onder geen enkel volk is de Kerk een stuk van de natuur, wèl van de genade. En het moet ook een stuk van de genade blijven. Want als de Kerk natuur wordt en geen genade meer is, dan is de Kerk geen Kerk meer. Vleesch-en bloed zijn het niet, die de Kerk voortbrengen, maar de ontfermende genade van den Drieëenigen God.
Midden tusschen de menschen, gaande door de geslachten, is en blijft de Kerk — óók in den weg des Verbonds — een werk van Gods genade. Achter de Kerk staat de verkiezing, en de wortel van de Kerk is het geloof. En zoo is en blijft de Kerk ook van geheel „eigen" aard en wezen, heel iets anders dan het volk in den weg des vleesches is. De kerk is van eigen oorsprong, van eigen wezen, ook van eigen leven, met eigen wet en levensorde.
De Kerk is Kerk en moet Kerk blijven, ook al staat zij midden in het volk, midden in de Natie.
De Kerk is Gods huis, Christus' lichaam, en zóó moet de Kerk hebben en houden eigen kerkelijke belijdenis, eigen kerkelijk leven, eigen, geestelijk, kerkelijk opzicht en tucht.
Nooit, mag de Kerk b.v. Staat worden, en de Staat is geen Kerk. De Staat heeft het leven van den Staat, met wetten van den Staat. De Kerk heeft .het leven van de Kerk, met levensorde en levenswetten van de Kerk. Een Godsstaat op aarde bestaat niet, dat heeft niet in de bedoeling Gods gelegen, dat heeft Hij niet gewild, gelijk ons is geopenbaard.
Met een eigen oorsprong, heel anders dan de Staat heeft, staat de Kerk. En de Kerk heeft ook een eigenaardige toekomst, geheel en alleen passend bij de Kerk. Met een eigen geschiedenis, met eigen levenswijs. Dat heeft God, de Almachtige, zoo gewild. Voor de wereld heeft de Heere Zijne goddelijke bedeeling, voor Zijn Kerk heeft Hij Zijn goddelijke bedeeling; en beide zijn weer zéér, zéér verschillend.
Zoo hebben we het maatschappelijk en het staatkundig leven, met de Overheid als wereldlijke regeering. En zoo hebben we 't kerkelijk leven, met eigen wet en orde, met belijdenis en kerkelijke discipline.
Twee gansch verschillende terreinen, elk met eigen ordinantiën, met eigen rechten en plichten.
Voor den Staat en het staatkundig leven mogen we niet onverschillig zijn. Een Christen vindt ook déér z'n roeping, die heilig is. Maar de Kerk is .heel iets anders en daar zijn de middelen en wegen ook zeer verschillend van hetgeen op staatkundig terrein gevonden wordt. Vooral de Christen moet dat steeds beseffen en ernstig betrachten.
Onze Gereformeerde Vaderen zijn dan ook zoo verstandig geweest, wetende, dat de Kerk eigen diensten, ambten, ordeningen, wetten heeft om in haar belijdenis daar van de lijnen aan te geven. Maar ze hebben niet een schets van Christelijke Staatkunde in de Confessie gegeven. Niet, omdat de Staatsleer niet gewichtig is, want een Christen weet beter ! Maar de Staat heeft haar eigen, plaats, haar eigen leven, en de Kerk heeft haar eigen plaats en haar eigen leven. En nu moet de Kerk niet een schets van Staatsleer geven, net zoo min als de Staat voor de Kerk de belijdenis en de Kerkorde moet vaststellen.
Dit laatste moet de Kerk zelve doen. Gelijk in onze Nederlandsche geloofsbelijdenis en in onzen Catechismus de beginselen zijn neergelegd.
Het is de roeping en de plicht — en ook het recht — van de Kerk, om zelve .haar belijdenis en levensorde te bepalen en vast te stellen, waarbij niemand — ook de Staat niet — het recht heeft haar te binden ; opdat zij als Kerk des Heeren leven kan in het midden des volks, vrij en ongehinderd. Dan kan zij, als een licht op den kandelaar schijnen naar alle kanten. Dan kan zij ook als een zoutend zout inwerken op de wereld. Want de Kerk mag niet ongevoelig en onverschillig leven ten opzichte van de wereld. Echter moet zij zijn en blijven van eigen rechte".
De Kerk des Heeren in dezen lande heeft haar eigen belijdenis en haar eigen levensorde (Kerk-orde) vastgesteld. En als Gereformeerde Kerk heeft zij dat gedaan naar uitwijzen van Gods Woord, dat haar bron en toetssteen der waarheid is!
En dan vinden we als hoofdpunten : Dat de Zone Gods uit het gansche menschelijke geslacht'' (zoo „algemeen" mogelijk dus), „Zich eene gemeente tot het eeuwige leven uitverkoren" (zoo „ particulier" - én zo „bijzonder'' mogelijk) ,,door Zijn Geest en Woord, in eenigheid des waren geloofs" (dus van „eigen" aard en „eigen" rechte) ,,van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt" (Catech. vr. en antw. 54).
Het geloof, het ware geloof is dus " Het kenmerk van de Kerk des Heeren. Wie uitverkoren zijn, weten we niet. Het geloof kennen we, het ware geloof weten we, en de Kerk des Heeren, , in welk land ook, moet in eenigheid des waren geloofs leven. Ook de Kerk des Heeren internationaal moet leven in eenigheid des waren geloofs.
Waarvan het middelpunt, de grond-en hoek-en sluitsteen is : Jezus Christus.
Met den Staat, met de naties staat het dus héél anders. Waar geen „uitverkiezing", daar geen „eenigheid des waren geloofs". Die worden niet van 't begin der wereld tot het einde vergaderd door Jezus Christus. Dat is een heel ander terrein, een heel ander leven.
En zoo sluit het een het ander uit en kan het niet zijn in deze bedeeling : een Godsstaat op aarde, een Godsstaat in een bepaald land en onder een bepaald volk. Kerk en volk dekken elkaar niet. Staat en Kerk zijn niet dezelfde cirkelvlakte.
Daarom is de Kerk des Heeren van eigen aard en met eigen recht.
En zoo komt het ook, dat we in dè Belijdenis deze omschrijving vinden: , „Wij, gelooven, dat deze ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie, (bestuurs-regeeringswijze), die ons onze Heere heeft geleerd in Zijn Woord.
De Kerk staat midden in het volk, is niet los van het volk, is in den weg des Verbonds met de gezinnen, met de geslachten verbonden ; leeft niet geïsoleerd, leeft niet in de woestijn, is niet een gezelschap, een kring, een clubje, maar Kerk, met geloovlgen, kinderen, kindskinderen — evenwel is en.blijft de Kerk onderscheiden van het volk en van eigen aard, van eigen leven, van eigen rechte. En de eigen levenswijze naar het Woord is: „n.l. dat er Dienaars of Herders moeten zijn, om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen ; dat er ook Opzieners en Diakenen zijn, om met de Herders te zijn als de Raad der Kerk".
Van eigen leven én eigen rechte dus. „En door dit middel de ware religie te onderhouden en te maken, dat de ware leer haar loop hebbe, dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in den toom gehouden, opdat ook de armen en bedrukten geholpen en getroost worden, naar dat zij van noode hebben".
„Door dit middel" — op deze manier — „zullen alle dingen in de Kerk wèl en ordelijk toegaan, wanneer zulke personen verkoren worden, die getrouw zijn en naar den regel, dien de heilige Paülus daarvan geeft in den Brief aan Timotheüs".
Zoo spreekt de Gereformeerde Kerk in artikel 31 van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis.; . En in artikel 31 lezen.we dan verder: „Wij gelooven, dat de Dienaars des Woords Gods, Ouderlingen en Diakenen, tot-hunne ambten behooren verkoren te worden door wettige verkiezing der Kerk, met aanroeping van den Naam Gods en goede orde, gelijk het Woord Gods leert". Zoo moet de Kerk, van een bijzonderen aard zijnde, ooft als Kerk op haar bijzondere wijze leven, om zóó te zijn een zoutend zout en een lichtend licht, met het Evangelie Gods, dat zij van den Heere ontvangen heeft.
En daarom behoort er ook bij, tot de goede orde van het kerkelijk leven, wat we lezen in Zondag 30 van den Heidelbergschen Catechismus : dat n.l. op geestelijke wijze opzicht en tucht moet worden gehouden door de Kerk over de Kerk, ,,opdat het Verbond Gods niet worde ontheiligd en de toorn Gods niet over de gansche gemeente verwekt worde". „Daarom is dé Christelijke Kerk schuldig" — verplicht en geroepen — „naar de ordening van Christus en van Zijn apostelen, zulken, totdat zij betering huns levens bewijzen, door de sleutelen des hemelrijks uit te sluiten, die met hunne belijdenis en hun leven als ongeloovige en goddelooze menschen zich aanstellen". (Leer en leven — leertucht en levenstucht).De Kerk moet zich zelf zijn, met het Evangelie, dat voor den Jood een aanstoot en voor den Griek een ergernis is ; en zoo moet de Kerk ook telkens met dat Evangelie binden en ontbinden, openen en sluiten.
„Zij moet tucht oefenen. Een Kerk zonder tucht is een Kerk zonder karakter", zegt prof. dr. W. J. Aalders in zijn lezenswaardige brochure : „Kerk en Kerken" (blz. 41)
,,Ik kan mij voorstellen, dat er tijden zijn, waarin de Kerk het zedelijke en het goddelijke recht mist om tucht te oefenen, omdat zij er te goddeloos en te geesteloos voor is. Ik kan mij, zélfs voorstellen, dat zij het niet kan doen, reeds omdat haar besef van den maatstaf ten eenenmale is vervaagd of verdwenen". „Maar in elk geval is de Kerk tot een oordeel in de wereld gekomen, evenals haar Heer. Ik acht het dus ongerijmd, als men van geen tucht wil weten. Ik acht het evenzeer onhoudbaar wèl van levens-en niet van leer-tucht te willen weten. De tweede staat het wezen der Kerk nog nader dan de eerste, in zooverre de verhouding van mensch tot mensch secundair is en die van mensch tot God primair". (Prof. Aalders, bladz. 41).
De Kerk van Christus, van eigen aard, van eigen leven zijnde, moet ook een eigen orde hebben, welke zij zelve zich geven moet naar uitwijzen van Gods Woord,
En met een eigen levensorde — belijdenis en Kerkorde — zal zij draagster en verkondigster en verdedigster moeten zijn van het Evangelie Gods, waarbij zij geen vrede mag hebben met de wereld, noch met de ketterij, zal zij zelve kunnen blijven bestaan en voor anderen tot een zegen zijn.
Hierbij moet de Kerk het Evangelie kennen en blijven kennen als haar schat. Niets, niets gaat boven dat Evangelie.
En zij moet telkens ervaren, dat zij als een „aarden vat" dien schat draagt.
Dat moet haar leeren in diepe afhankelijkheid van haar verheerlijkt hoofd te leven, om te ontvangen den Heiligen Geest, die in alle waarheid leidt, telkens uit Christus neemt en onderwijst in de Schriften.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's