De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPY

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPY

8 minuten leestijd

Stap na stap verder.
't Feminisme, de beweging welke streeft naar de „vrijmaking" der vrouw, op een wijze, zooals vrijzinnigen en sociaal democraten zich deze indenken, gaat in onzen tijd in zijn eischen hoe langer hoe verder en zal zeker niet eerder tot rust komen, vooraleer de algeheele gelijkstelling van de vrouw met den man in het staatkundig en het maatschappelijk leven is verkregen geworden.
Nog onlangs werd in die richting door de voorstanders van de emancipatie der vrouw een belangrijke overwinning behaald, toen deze feministen wisten te bewerken dat in de Gemeentewet den weg werd geopend om de vrouw benoemd te krijgen tot het ambt van burgemeester.
En binnenkort zal weer een nieuwe poging worden aangewend, als in de Tweede Kamer de wijziging van de Wet op het Notarisambt aan de orde komt.
Hoewel de wijziging dezer wet niet anders bedoelt, dan om meerdere waarborgen te verzekeren voor hen, die belangen aan notarissen toevertrouwen, eene wijziging dus niet van principiëelen, maar van louter materieelen aard, toch zijn reeds een paar amendementen ingediend geworden om den weg te ontsluiten voor vrouwelijke candidaten-notaris om tot notaris te worden benoemd.
Zoo gaat het van stap tot stap langs het hellend vlak verder, totdat alle ambten en betrekkingen, welke tot nu toe uitsluitend door mannen worden bekleed, ook voor de vrouwen zullen zijn opengesteld.
Dat men zich daarbij niet tevreden stelt met alleen ons volk de zegeningen, van de „vrijmaking" der vrouw te doen deelachtig worden, doch deze zegeningen ook de volken in Indië wenscht te schenken, is gebleken bij de behandeling der Indische begrooting, die de laatste weken de aandacht van de Tweede Kamer heeft beziggehouden.
Het ging bij deze gelegenheid om de benoeming van de vrouw tot lid van den Volksraad, 't vertegenwoordigend lichaam in Nederlandsch-Indië. Zooals bekend is, is de vrouw in Indiè tot dit hooge college verkiesbaar ; daarvoor heeft in het jaar 1918 de vrijzinnige minister Pleijte in het extra-parlementair Kabinet-Cort van der Linden gezorgd. Doch tot op dit oogenblik bleef de bepaling een doode letter. De vrouw bezit in Indië wel het passief, doch niet het actief kiesrecht.
Nu de benoeming van leden van den Volksraad en ook bij die voor lagere organen aanstaande is, werd door de feministische Kamerleden er bij den Minister van Koloniën op aangedrongen om de aandacht van den Gouverneur-Generaal te vestigen op de wenschelijkheid om ditmaal bij de benoemingen, die van den Landvoogd op aanbeveling van den Raad van Indië uitgaan, één of meer vrouwen voor het lidmaatschap van den Volksraad in aanmerking te doen komen.
Deze zaak is intusschen niet zoo eenvoudig voor Indië, als ze voor Nederiand schijnt te zijn.
In het Oosten verzetten de orthodox-Islamietische-zoowel als de extremistisch nationalistische kringen zich tegen het kiesrecht van de vrouw ; daarnevens valt een groot onderscheid op te merken tusschen de Nederlandsche en de Indische maatschappij.
Hoewel de Minister, deze bezwaren tegen de vervulling van de verlangens der feministen in de Tweede Kamer sterk naar voren deed komen, verklaarde hij, helaas, toch niet in gebreke te zullen blijven om de aandacht van den Gouverneur-Generaal op deze aangelegenheid te vestigen.
Gelukkig heeft de A.R. afgevaardigde dr. Beumer — de Staatkundig Gereformeerde Kamerleden waren ook bij déze belangrijke discussie weer afwezig — een ander geluid doen hooren.
Herinnerende aan het afwijzend standpunt, dat de Antirevolutionairen krachtens hun beginsel bij het tot stand komen van het actief en passief vrouwenkiesrecht in Nederland en tegen het vrouwenkiesrecht in Nederlandsch-Indië hebben ingenomen, vestigde dr. Beumer de aandacht op het verschil tusschen de structuur der Indische en der Nederlandsche maatschappij, welk feit — zoo zeide hij — alleen reeds er van moest weerhouden om de verkiezing en benoeming van vrouwen in den Volksraad met een gunstig oog te bejegenen. De Landvoogd, die nu kennis zal kunnen nemen van de argumenten der Nederlandsche feministen vóór de benoeming van vrouwen in den Volksraad, zal door het helder betoog van dr. Beumer zich ook van de bezwaren, die daartegen werden aangevoerd, op de hoogte kunnen stellen.
Inmiddels betreuren wij de houding, welke de Minister van Koloniën tegen het drijven van de feministische Kamerleden heeft ingenomen.
Instede, dat de Minister op grond van de ernstige bezwaren, die hij zelf tegen het benoemen van vrouwen in den Volksraad aanvoerde, kordaat stand hield, ging hij voor argumenten als b.v. ,,dat het inzicht van de vrouw ook in de wetgevende macht in Indië tot uiting behoort te komen" en dat „door het overheerschend gevoelsleven van de vrouw, deze bij het tot stand komen van sommige wetten meer belang heeft dan de man", voor de feministen op den loop.
Dat zooiets plaats kan hebben, daaruit blijkt de zwakke zijde van het extra-parlementaire Kabinet.
Een antwoord, zooals Minister de Graaf gaf, dat hij de boodschap der feministen aan den Landvoogd zou overbrengen, zou bij een parlementair Kabinet, dat gesteund werd door een krachtige rechterzijde, niet zijn gegeven. Ook hier bleek het weer, hoe groot het gevaar is dat de christelijke grondslagen van ons volksleven bedreigt bij een extraparlementair Ministerie.
Ten aanzien van het feminisme gaat 't stap na stap den verkeerden weg op. Thans komt de rechterlijke macht aan de beurt.

Zondagsrust.
Bij de behandeling der Indische begrooting heeft de heer Colijn bij de bespreking van het algemeen koloniaal beleid der Regeering, ook met een enkel woord het vraagstuk van de Zondagsrust in Indiè aangeroerd.
Om het groote belang, dat bij dit vraagstuk is betrokken, laten wij hieronder het stenografisch verslag van dit gedeelte der redevoering van den leider der A.R. Kamerfractie volgen.
De heer Colijn zeide :
Na hetgeen ten vorigen jare in deze Kamer door den heer Beumer en in de andere Kamer door den heer Anema gesproken is over de verhouding van de Regeering tot het vraagstuk van de Zondagsrust, behoef ik daarover thans niet meer in den breede te spreken. Ik moet echter uitdrukking geven aan mijn ernstige teleurstelling, dat de .toezegging, welke door den Minister van Koloniën destijds is gedaan, tot zoo weinig resultaten heeft geleid.
In antwoord op een vraag, door den heer Anema in de Eerste Kamer gedaan, heeft de Minister gezegd, dat het mogelijke door hem zou worden gedaan om in de Gouvernementsbedrijven, en ook in het particuliere bedrijf, de Zondagsrust te bevorderen, voor zoover het slechts eenigszins daarin bestaande is.
Mijnheer de Voorzitter! Ik behandel dit vraagstuk niet, zooals ik dat doen zou, wanneer ik sprak over verhoudingen in ons eigen land. Ik ben mij te zeer bewust van een verschil in omstandigheden tusschen Nederlandsch-Indië en Nederland. Ik weet te goed, dat de Inheemsche bevolking die rhythmische werkindeeling, die in Christelijke landen bestaat, niet kent ; die rhythmische indeeling van zes dagen arbeid en een dag rust kent de Inlander niet. Ik besef dus volkomen, dat in het vrije maatschappelijke leven door de Regeering te dien aanzien weinig kan worden verricht, maar zoodra de Regeering in haar arbeidswetgeving er toe genoopt wordt om wel rustdagen voor te schrijven, zoo als gebeurt in de koelie-ordonnanties voor de Buitenbezittingen, vraag ik wel, of de Regeering, wanneer zij zich in de regeling van deze materie beweegt, niet geroepen is als Overheid van een Christelijke natie, om dan ook met den wekelijkschen rustdag in die arbeidswetgeving rekening te houden.
Ik ben mij ook bewust van de practische moeilijkheden, die op dit terrein liggen, met name ook in dezen tijd, nu de Regeering gedwongen was om op ander gebied allerlei eischen te stellen.
Ik zie dat alles niet over het hoofd, maar, waar de Regeering hier gezegd heeft, dat zij al het mogelijke in het werk zou stellen, daar vraag ik mij toch af, of dan de invloed, dien de Nederlandsche Regeering in deze zaken op de Indische Regeering uitoefent, zoo zwak is, dat op dat gebied ook niet het geringste is verkregen. Ik ga nog verder, want de Regeering is zelf ook ondernemer ; zij heeft ook zelf ondernemingen en wat wij nu toch wel mogen verlangen van de Regeering, dat is, dat althans op haar eigen ondernemingen wel rekening wordt gehouden met de noodzakelijkheid van den wekelijkschen rustdag. Ik heb in de bladen gelezen, dat de Indische Regeering heeft verklaard, geen enkele wijziging te kunnen aanvaarden van de voorgebrachte wijzigingen in de koelie-ordonnantie. Wij hebben niet de macht, daarin verandering te brengen, maar de Regeering heeft wel de macht om op haar eigen ondernemingen met het beginsel, dat door ons bepleit is geworden, rekening te houden, en dat mogen wij van de Regeering dus ook verlangen.
Aan dit krachtig pleidooi voor de Zondagsrust in de cultures, van den zoo bij uitstek tot oordeelen bevoegden staatsman dr. Colijn behoeft niets meer te worden toegevoegd.
Elke aanvulling zou het betoog maar verzwakken.
Wij hopen, dat de Minister van Koloniën met de aanwijzingen zijn winst zal doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPY

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's