KERKELIJKE RONDSCHOUW
Het gevaar van talmen.
Een herboren Hervormde Kerk. Verbeterd, vernieuwd. Opheffen uit haar diepen val. Enz. enz. Die uitdrukkingen zijn bekend. Om aan de Hervormde Kerk een nieuwe organisatie, een vernieuwd kerkelijk leven te geven. Met een Kerkorde waarin de beginselen van de Dordtscht Kerkorde (niet de ongereformeerde beginselen, maar de Gereformeerde beginselen van die Kerkorde !) tot eere komen. Om aan de Hervormde Kerk een andere, een betere, een breedere, een gezegende plaats te geven in het midden des volks. Om haar invloed ten goede voor volk en maatschappij te geven.
Zoo zijn de lijnen, uitgestippeld in onze Statuten.
Niet om de Hervormde Kerk — vèelszins ontvormd, maar geen valsche Kerk geworden, ook niet „valsche" Kerk naar de maatstaf van de Ned. Geloofsbelijdenis ! — te doen uiteenspringen, om dan op en van haar puin een nieuwe eigen Kerk te bouwen en dan in den voorgevel een steen aan te brengen, waarop met reuzen letters staat : „Gereformeerde Kerk". Dat willen wij niet!
Wij willen niet, dat een deel van de Hervormde Kerk in de Hervormde Kerk gemobiliseerd en gedresseerd wordt, om alles klaar te maken voor een uittocht; om een deel af te scheuren van de Hervormde Kerk en met dat deel straks knus te wonen in eigen huis. Dat willen wij niet. Wij willen de Nederlandsche Hervormde Kerk dienen en haar helpen, opdat zij als van ouds, niet als een afgesneden en afgescheiden kerkje zal zijn, maar als de Gereformeerde Kerk van Nederland, belijdende den Naam des Heeren, en met ontelbare banden met het Nederlandsche volk vereenigd.
Elk land heeft z'n eigen geschiedenis. Ook ons Nederlandsche volk heeft z'n eigen geschiedenis. Dat is naar Gods wonderwijs bestel. En zoo staan wij voor Nederland naar een naar den Woorde Gods gereformeerde Kerk, en wij willen ons niet aansluiten bij de sloopers, die als het eenigst middel aanprijzen om te liquideeren, om af te breken, om met een deel van het overschot een eigen huis te bouwen.
Dat kan heel flink, heel dapper, heel principieel lijken, en den volke kan worden voorgesteld dat zoo iets het eenigst, en het beste middel is, maar wij willen 't n i e t. Daarom willen wij ook niet de kerkelijke machine zoo vast mogelijk zetten, om dan te forceeren, dat er „daden" zullen volgen en wel „flinke" daden. Want dan werken we zelf mee, dat de boel kapot springt. Een machine, die vast staat, te forceeren, is het zelfde als vernielen.
De eerste beteekenende scheuring op kerkelijk terrein in de 19e eeuw had plaats bij de Afscheiding, in 1834, toen de Christelijk-Gereformeerde Kerk werd gesticht. Tal van leden der Nederlandsche Hervormde lidmaten gingen mee. In haar diepsten grond was het een protest tegen de afwijking der Ned. Hervormde Kerk van de leer der Kerk, vervat in de Drie Formulieren van Eenigheid. Dat den fundamenteelen stukken onzer belijdenis geweld werd aangedaan, kon men niet dragen en vervolgingen en vrijheidsbelemmeringen — door de liberalisten aangedaan deden de rest. Zóó kwam de scheur, met droefheid voor degenen, die zich gingen afscheiden van de aloude Gereformeerde Kerk.
De tweede afscheiding had plaats in het laatst der vorige eeuw, in 1886, onder de auspiciën van dr. Kuyper. Men bedoelde geen afscheiding, doch reorganisatie. De Afgescheiden Kerken bestonden voor dr. Kuyper niet in dien zin, dat zij als voorbeeld dienden, noch als oord van toekomstig samenwonen werden gezien. Allerminst. Een eigen weg moest worden bewandeld, tot reorganisatie. Maar als de kerkelijke machine vast staat, wordt de kerkelijke machine geforceerd en men wil met geweld, dat de kerkelijke machine werken zal. — gereformeerd werken I — om dan te ervaren dat zulk doen gelijk is aan vernielen.
En zoo kwam men er buiten, als doleerenden, die klaagden over den reurigen toestand van het huis der Vaderen, om spoedig eigen kerken te bouwen, met gevelsteenen, waarin diep gebeiteld staat „de Nederlandsche Gereformeerde Kerken".
Ook de Doleantie van 1886 heeft de Nederlandsche Hervormde Kerk niet gediend, om haar terug te brengen tot de plaats, waarop zij recht heeft in het midden van het Nederlandsche volk. Men heeft de scheuringen en de afscheidingen vermeerderd en de oplossing van het kerkelijk vraagstuk moeilijker gemaakt. Die in het midden van de Nederlandsche Hervormde Kerk thuis hooren en daar zeer zeker — gezien de geschiedenis — van grooten, zéér grooten invloed hadden kunnen zijn, onder geniale leiding van eminente voormannen, om zoo Kerk en Volk te dienen, staan er nu buiten en moeten op andere manier zoeken hun invloed te doen gelden voor Kerk en Volk, altijd buiten en altijd tegenover de Nederlandsche Hervormde Kerk staande. Want als doleerenden zijn ze er uit gegaan, maar van het innig verknocht zijn aan de Nederlandsche Hervormde Kerk, als de Kerk der Vaderen, is weinig, bitter weinig te bespeuren. Integendeel, men is zóó vervreemd van de Nederlandsche Hervormde Kerk, dat het onmogelijk is geworden om ook maar eenigszins juist en zuiver de werkelijkheid van de Nederlandsche Hervormde Kerk te onderkennen en de toestanden juist te waardeeren. Men spreekt dikwijls over de Nederlandsche Hervormde Kerk als een blinde over de kleuren — omdat men zich blind gestaard heeft op eigen Kerkformatie, zijnde een mooi stuk werk.
Sinds de eerste helft van de 19e eeuw is er veel veranderd in de Nederlandsche Hervormde Kerk. In 1853 trad het nieuwe Algemeene Reglement in werking, waarbij de invloed der Kerk op hare organisatie en bestuur werd vastgelegd en versterkt. In 1867 volgde het Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en het beroepen van predikanten (denk aan de Kiescolleges), waarbij de invloed der gemeente op de samenstelling van den kerkeraad en dies ook van de hoogere besturen, werd verzekerd. En vooral sinds dien tijd is er een groote, heele groote omkeering gekomen in de Kerk en is ook de drang naar herziening der Organisatie méér en meer toegenomen en is ook het aantal voorstanders dier herziening in de kerkelijke besturen, tot in de Provinciale Kerkbesturen en in de Synode, gaandeweg grooter geworden.
Deze geordende weg scheen dr. Kuyper te lang. Met één slag moest de geheele organisatie omgezet worden en de krachtproef bleef niet uit, met de allertreurigste gevolgen voor Kerk en Volk.
De poging mislukte om de Kerk te herstellen en liep uit op de stichting der z.g. „doleerende" Kerken (zooals men zich zelf noemde) ; wat later geworden is „de Gereformeerde Kerken van Nederland".
Natuurlijk hebben dan anderen, die zich van deze Gereformeerde Kerken om een of andere oorzaak afscheidden, nu óok het recht om zich t« noemen „de Gereformeerde Kerken van Nederland". En zoo kan men voortgaan tot in het oneindige toe ; Kerk naast Kerk ; wat men dan dekt met de leer der pluriformiteit.
De doleantie heeft op de herziening der Organisatie een remmenden invloed uitgeoefend. Maar toch is de begeerte daarnaar niet tot stilstand gebracht en heeft vooral de laatste tijden zich weer bij vernieuwing doen gelden.
Op en van het puin der Nederlandsche Hervormde Kerk een eigen, een nieuwe Kerk bouwen, willen we niet! Een gedeelte van de Nederlandsche Hervormde Kerk in die Kerk te organiseeren en te mobiliseeren, om er straks uit te trekken, willen we niet! Slooperswerk doen en dan tenslotte den boel samen deelen, willen we niet! We willen de Nederlandsche Hervormde Kerk dienen, om te komen tot herziening der Organisatie, zooals in onze Statuten is neergelegd. Het object of voorwerp van onze aanhoudende zorg is de Nederlandsche Hervormde Kerk, waar we gedoopt zijn, waar we belijdenis des geloofs hebben afgelegd, waar we in het ambt zijn bevestigd. Niet een gefingeerde Hervormde Kerk, maar een reëele, werkelijke Hervormde Kerk hebben we voor ons, zooals die Kerk nu is, om die Hervormde Kerk te mogen dienen, dat zij als een herboren Kerk weer mag komen staan in het midden des volks, in het midden van onze Protestantsche natie, die van Gereformeerden huize is.
Wanneer wij ons herinneren, hoe mannen als prof. Doedes c.s. — om met opzet zulke namen nu eens te noemen — zestig jaar geleden reeds vroegen om een anders samengestelde Synode en hare verkiezing door de Classicale Vergaderingen ; als we er aan denken, dat veertig jaar geleden in de Classicale Vergaderingen overal stemmen opgingen ; hoe in 1905 — dus 25 a 26 jaar geleden — een uitgewerkt voorstel kwam, waaraan telkens weer opnieuw gewerkt is; en wanneer we weten, dal eigenlijk ieder er van overtuigd is, dat de huidige Synodale Organisatie niet deugt en moet vervangen worden door iets anders, waarvan de Groot e Synode, gekozen door de 44 Classes en de Waalsche Commissie, een voornaam onderdeel is — dan zouden we zeggen, dat men toch niet al te lang talmen moest. Want sloopers staan altijd gereed als er wat te verdienen is. En in talmen ligt inderdaad gevaar. Periculum in mord.
Wat we te meer zeggen, omdat een Commissie, door de Synode benoemd, immers bezig is plannen te ontwerpen om alle richtingen, van welk beginsel men ook is, vredig in volle rechten in de Nederlandsche Hervormde Kerk te doen samenwonen. (Modus Vivendi). Wat in strijd is met elk Kerkbegrip en de absolute ondergang beteekent van de Nederlandsche Hervormde Kerk, met totale berooving van allen invloed op het volk, de maatschappij, de politiek enz. enz.
We weten zéér goed, dat we nog zóóver niet zijn Gelukkig niet. Dergelijke plannen vinden toch geen ingang straks Gelukkig niet.
Maar het teekent toch, dat we er wéér aan toe zijn. En het zegt ons toch, dat er iets gedaan moet worden om onze Hervormde Kerk als Kerk te dienen en te helpen. Om de wille van de Kerk, om de wille van óns Volk.
Het Modernisme in Zwolle.
In Zwolle zwaaien de Modernen (met de Evangelischen, die kerkrechtelijk altijd met de Modernen in bond gevonden worden, te Zwolle, Leeuwarden enz.) den scepter. En waar er Kerkeraad was, is het te begrijpen dat de orthodoxen geprobeerd hebben nu Kiescollege te krijgen. Echter is het niet gelukt. Met meerderheid van stemmen is beslist voor Kerkeraad.
De Zwolsche Kerkbode schrijft : „'t Is teleurstellend, vooral hierom, omdat zoovelen die nooit een voet in de kerk zetten, nu aan de vrijzinnigen de overwinning bezorgden. Misschien dat deze nu ook wat meerdere belangstelling gaan toonen, dan ééns in de tien jaar bij de stembus, en door hun meerderen steun aan armen en kerk toonen, dat het hun ernst is met hun godsdienstig beginsel".
Dat is scherp — maar waar !
't Is in Zwolle, zooals overal, — denk maar aan Alkmaar b.v. — dat de vrijzinnigen bitter weinig belangstelling toonen, zoowel geestelijk als financieel ; alleen als 't er om gaat om den fijnen klop te geven, dan loopen ze bij menigte naar de stembus. Overigens laten ze hun eigen voorgangers voor stoelen en banken staan.
Wij herinneren ons nog, dat de kerkeraad van Zwolle aan de rechtzinnigen, die om een predikant méér vroegen, antwoordde : „wij moeten dien predikant zelf hebben". En toen de orthodoxen zeiden : „bij u komen er zoo weinig menschen, gij hebt aan uw beurten en aan uw predikanten méér dan genoeg, en wij hebben veel meer menschen in de kerk en hebben daarom meer predikanten noodig" — toen antwoordden de modernen : „wij hebben onze predikanten noodig, niet voor de menschen die in de kerk komen, maar voor de menschen, die niet in de kerk komen"
Zoo praat men. over het onrecht heen ; zoo bedekt men z'n armoede ; en in plaats van op grond van de feiten eerlijk te bekennen dat aan de rechtzinnige prediking veel meer behoefte is, dan aan de moderne, gaat men voort met stembus-klanten de macht in handen te houden, waarbij de Kerk verkommert.
Ook Zwolle siert het Modernisme de Hervormde Kerk niet !
Is men wel eerlijk in deze?
De voorgangers van de Staatkundig Gereformeerde Partij, de partij van ds. Kersten, ds. Zandt e.a., willen nog wel eens voorgeven, dat zij tegen het vrouwenstemrecht zijn. De vrouwen mogen niet gaan stemmen. Op politiek terrein veroordeelen zij dat. En natuurlijk nog veel meer op de erve der Kerk.
Dat er echter vele vrouwen, wanneer er een politieke stembusstrijd is, met het stembiljet, ingevuld voor den candidaat van de S.G.P., naar de stembus gaan, is een publiek geheim.
En men ontziet zich ook niet, om de vrouwen in den kerkelijken stembusstrijd te betrekken.
Delft heeft het pas weer bewezen.
Daar ging het tusschen Kerkeraad en Kiescollege. Maar de partijgangers van ds. Zandt hebben niet nagelaten de vrouwen naar de stembus te jagen, opdat zij mee zouden stemmen vóór Kiescollege.
Wanneer men nu maar niet zoo héél gewichtig altijd tegen het vrouwenstemrecht sprak, waarbij men dan heel vroom zegt dat men niet met vleeschelijke wapenen wil strijden en dat men het liever met den Heere verliest, dan het zonder den Heere te winnen, ziet, als men nu maar niet zoo uit de hoogte oordeelde altijd, dan zouden we de zaak stil laten passeeren. Maar zóó te spreken — en dan zoo geheel andere te doen, dat is toch niet in den haak.
Versnippering op schoolgebied en nog wat.
In Stolwijk is een School met den Bijbel, nauw verwant met de Ned. Hervormde Evangelisatie op Gereformeerden grondslag. Deze school in dat vurig moderne dorp heeft natuurlijk met allerlei moeilijkheden te worstelen. De vijandschap is groot. Maar nu kwam er nog een andere moeilijkheid bij. De volgelingen van ds. Kersten wilden gaarne invloed hebben in het bestuur der School (ds. Zandt komt nog al eens in de Hervormde Evangelisatie 's Zondags preeken), hoewel er slechts een 10-tal hunner kinderen de school bezochten. Toen de heeren hun zin niet kregen, besloten ze zelf een school te stichten, 't kostte wat 't wilde, niet in Stolwijk, maar in het naburige Berkénwoude. Daar waren ouders van ongeveer 23 kinderen die Christelijk Onderwijs begeerden. Maar, waar de rest vandaan te halen ? O, dat was gemakkelijk ; 12 hadden ze er zelf, dus nog ongeveer 5 tekort, om 't getal 40 vol te maken. Die kregen ze er óók bij. Sommige kinderen moeten echter 1 a I1/2 uur naar school loopen. Wat deden nu die schoolstichters ? Ze schaften zich een auto aan en boden bij verschillende ouders aan hun kinderen van huis af te halen en dan natuurlijk naar hun eigen school te brengen. De meesten lieten zich niet overhalen, maar anderen wél. Zoo is die school volgepompt. Hoeveel gemakkelijker hadden zij ze naar de Christelijke School te Stolwijk kunnen zenden. Dan waren ook héél wat kosten gespaard gebleven.
Daar komt nu nog wat bij. In December 1930 meldden de dagbladen, dat er te Stolwijk een schuur was afgebrand, met de tragische opmerking : „de eigenaar was niet verzekerd". De eigenaar behoorde tot de volgelingen van ds. Kersten. Van die zijde was er groote deelname voor den broeder ambtsdrager.
In „De Banier", no. 838, van 13 Dec. 1930, kwam het volgende berichtje voor : Donderdag brak er brand uit bij den varkenshandelaar W. Treuren. Een gedeelte van het woonhuis en een groote varkensschuur werd een prooi der vlammen. In die schuur bevond zich een zoo goed als nieuwe vrachtauto en 4 fietsen, welke totaal verbrand zijn. Ook zijn er een aantal varkens omgekomen. Veel voeder en stroo, wat zich in de schuur bevond, is eveneens verbrand. Het is voorwaar een groote schade, daar totaal niets verzekerd was wegens gemoedsbezwaren. Omtrent de oorzaak van den brand tast men nog in het duister". In het no. van 19 Dec. d.a.v., (no. 844) stond onder „Correspondentie" : ,,ln „De Banier" kwam Zaterdag 13 Dec. een bericht voor, dat bij iemand te S. brand geweest is. De eigenaar was niet verzekerd wegens gewetensbezwaren. Wij hebben deze zaak op verzoek onderzocht en 't bleek ons, dat hier geholpen kan worden. Wie dus van plan was hiervoor iets af te zonderen, kan dit aan de N.V. Drukkerij „De Banier" zenden. Wij zullen het bedrag dan aan den heer T., die bestuurslid van de S.G. Kiesvereeniging te S. is, doen toekomen".
Wat is nu gebleken ?
De persoon in kwestie was wel verzekerd en hoog ook. Huis, auto, varkens enz. En de persoon in kwestie is de vorige week wegens hooge schulden failliet verklaard.
Wij zeggen deze dingen geenszins om het oordeel te strijken over den persoon in kwestie. Geenszins. Die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle !
Maar wij zeggen het wél, omdat je het midden van de S. G. Partij zoo ontzaglijk altijd geschermd wordt met leuzen en groote woorden, met name wat de verzekering en wat het vrouwenstemrecht betreft ; en het blijkt meer en meer, dat velen, zéér velen, wel verzekerd zijn, en dat de vrouwen wel naar de stembus gejaagd worden.
Zelfs in de Kerk.
Zooals nu weer bleek te Delft bij de partij van ds. Zandt.
Zou men nu niet wat minder met groote woorden kunnen gaan schermen ? Wat minder scherp oordeel over anderen strijken ? Wat eenvoudiger, eerlijker, oprechter worden ?
Ook wat verdraagzamer en minder heerschzuchtig ?
Stolwijk is een baken in zee.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's