De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

7 minuten leestijd

De echtscheidingsprocedure.
In de Eerste Kamer is bij gelegenheid van de behandeling der Justitie-begrooting door een der Roomsch Katholieke afgevaardigden een belangrijke discussie met den Minister van Justitie gevoerd over de echtscheiding.
De heer Michiels van Kessenich, het bedoelde Kamerlid, klaagde over de methode welke gevolgd wordt om tot ontbinding van een huwelijk te geraken.
Deze methode is bekend.
De echtgenooten besluiten met onderling goedvinden tot echtscheiding. De eene echtgenoot beschuldigt den ander, die zich tegen de beschuldiging niet verzet. De rechter neemt dan aan, dat de beschuldiging juist is en spreekt de echtscheiding uit.
Meestal geschiedt de uitspraak bij verstek, waardoor de afdoening nog eenvoudiger wordt.
Hoewel de wet echtscheiding bij onderling goedvinden verbiedt, is dit voor de rechter toch geen reden om het echtpaar, dat ontbinding van het huwelijk vraagt zijn verzoek te weigeren.
Het verbod van echtscheiding bij onderling goedvinden is geregeld in Artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek, welk Artikel bepaalt : „Echtscheiding kan nimmer door onderlinge toestemming plaats hebben". Artikel 264 van hetzelfde Wetboek geeft aan de gevallen, waarin tot echtscheiding kan worden overgegaan. Dit artikel luidt : „de gronden, welke eene echtscheiding kunnen ten gevolge hebben, bestaan alleen in de volgende : overspel, kwaadwillige verlating, veroordeeling tot 4 jaar gevangenisstraf en zware verwondingen".
In de meeste gevallen nu, waarin echtscheiding wordt gevraagd, is echter geen dezer gronden aanwezig en wordt ontbinding van het huwelijk verkregen op de overweging, dat de beide echtgenooten 't met elkander in het huwelijk niet kunnen vinden.
Hoe het dan mogelijk is, dat terwijl de wet verbiedt dat echtscheiding nimmer door onderlinge toestemming kan plaats hebben, deze toch, wordt uitgesproken, is hierin te vinden, dat de Nederlandsche Jurisprudentie aan een voorschrift van procesorde, artikel 76 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, eene zoodanige toepassing heeft gegeven dat naar de gronden eener gevorderde echtscheiding niet wordt gevraagd.
Het gevolg van de methode van echtscheiding bij onderling goedvinden is, dat het aantal echtscheidingen in ons land op schrikbarende wijze toeneemt. Elke week kan men kolommen lange aankondigingen van uitgesproken echtscheidingen in de Staatscourant vinden. Iedereen weet dan ook, dat er bijna geen land is, waar, als man en vrouw het eens zijn, echtscheiding zoo gemakkelijk wordt verkregen als in Nederland.
Wil men enkele cijfers kennen, die een indruk geven van het aantal echtscheidingen welke sinds het jaar 1900 zijn uitgesproken, dan vinden wij daarvan een overzicht in het Friesch Christelijk Historisch Weekblad, een staatje, dat samengesteld werd uit de statistiek van de loopende bevolking over het jaar 1929.
Het percentage echtscheidingen, het cijfer voor 1900 op 100 gesteld, bedraagt voor de verschillende rubrieken dan :
z.k. 1 k, 2 k, 3 k, 4 k, 6of m.k.
1900-1904 121 127 117 125 142 123 .
1905-1909 139 175 187 160 189 185
1910-1914 157 246 255 223 237 177
1915-1919 208 340 344 266 314 234
1920-1924 306 580 527 425 426 300
1925-1929 407 764 728 504 514 338

Dit zijn voorzeker ontstellende cijfers, die niet alleen een indruk geven van het zedenverval bij het Nederlandsche volk, maar ook den diep treurigen toestand teekenen, waarin tengevolge van de echtscheidingen de gezinnen komen te verkeeren.
Het huwelijk is voor velen niet meer de band, dien God tusschen man en vrouw legde, maar het huwelijk is verlaagd geworden tot een contract, een overeenkomst tusschen de twee partijen gesloten.
Tal van huwelijken komen tot stand, die reeds de kiem van de
chtscheiding dragen. Men wil het met elkander probeeren, doch loopt het mis, dan is toch nog altijd de uitweg : de echtscheiding aanwezig.
Het mag in dit verband niet onvermeld blijven, dat twee Roomsch Katholieke Ministers van Justitie, mr. Nelissen en mr. Regout, na het jaar 1900, toen langzamerhand het groote kwaad der echtscheidingen belangrijke afmetingen ging aannemen, getracht hebben de beruchte methode van echtscheiding door onderlinge toestemming onmogelijk te maken, doch den rechter te verbieden de vordering tot echtscheiding toe te wijzen, zoo de rechtbank niét door wettelijke bewijsmiddelen overtuigd is van het bestaan der gronden.
Van de wetswijziging, die dit voorschrift inhield, kwam echter niets door het optreden in het jaar 1913 van ihet Kabinet Cort van der Linden. De toenmalige Minister van Justitie in dat Kabinet, mr. Ort, trok het desbetreffend wetsontwerp in.
Intusschen wordt de toestand steeds ernstiger.
Uit de gegevens van de Staatscourant is voor het eerste kwartaal van dit jaar komen vast te staan, dat gemiddeld 61 echtscheidingen per week worden uitgesproken. Bovendien moet het feit juist zijn, dat in den laatsten tijd Belgische echtparen naar Nederland komen om hun echtscheiding te laten uitspreken, en met succes.
Nederland wordt in den vreemde berucht door zijn gemakkelijke en snelle echtscheidingsprocedures.
Van den tegenwoordigen Minister van justitie mag en moet verwacht worden dat hij van den toestand, waarin wij met de methode van echtscheiding bij onderling goedvinden zijn geraakt, zich ernstig rekenschap geve.
De toezegging, die hij te dien aanzien eerst In de Tweede Kamer en daarna in de Eerste Kamer deed, is niet onbemoedigend. Echter komt zich ook hier weer te wreken, dat het Kabinet extra parlementair is, en de invloed daardoor van de Volksvertegenwoordiging op de regeering zeer gering is. Doch hoe dit ook zij, met de bestrijding van het kwaad, ook al zal zij bij het treffen van maatregelen moeilijk blijken te zijn, zal groote spoed moeten worden gemaakt.

Verboden wapenen.
De Staatkundig Gereformeerde Partij heeft Donderdag 26 Maart te Utrecht haar jaarvergadering gehouden.
In deze vergadering is, naar „De Banier" bericht, de gedachte geopperd om een petitionnement te houden tot wederinvoering van de doodstraf.
Zij, die eenige kennis hebben, ook al is het nog zoo weinig, van wat op het politiek erf te koop is, zullen zich over zulk een gedachte hebben verbaasd.
Immers, wanneer een poging wil gewaagd worden om tot wederinvoering der doodstraf te geraken, moet men niet petitionneeren, maar den weg inslaan, waarin iets directs kan worden bereikt, en deze weg is het indienen van een wetsvoorstel door de Staatkundig Gereformeerde Kamergroep.
Het houden van een petitionnement is een paradepaard, het is een reclame-artikel, zooals wij dit nog onlangs gezien hebben van de Sociaal-Democraten bij hunne actie tegen de „Vlootwet".
Ten aanzien van het houden van een petitionnement tot wederinvoering van de doodstraf kan niet verwezen worden naar het Volkspetitionnement van 1878, want toen ging het niet over een verzoek aan de regeering om een wetsontwerp in te dienen, doch om een aangenomen wetsontwerp niet te, bekrachtigen.
Het Volkspetitionnement van 1878 met zijn handteekeningen van 304.000 personen, het eenige verzoekschrift, dat ooit van Protestantsch Christelijke zijde kwam, bevatte een smeekbede tot den Koning, om de Schoolwet-Kappeyne af te wijzen.
Doch wat men te Utrecht wilde, is iets geheel anders. Het doel dat men daar voor oogen had, moet niet bereikt worden door een petitionnement, doch door het indienen van een initiatief-voorstel.
Ds. Kersten, die ter vergadering zeide, dat het Hoofdbestuur van de Staatkundig Gereformeerde Partij den eisch der doodstraf volkomen handhaafde, wil echter den kant van het indienen van een initiatiefvoorstel niet uit ; hij wil het zelfs hier niet met zijn beginsel wagen, omdat hij maar él te goed weet dat zulk een initiatief-voorstel geen kans zou hebben om in de Staten-Generaal te worden aangenomen. Voor het voorstel zou hij hoogstens de stemmen krijgen van de Antirevolutionairen en van een deel der Roomsch Katholieken, doch. tegenover hem zou hij vinden de geheele linkerzijde, plus het overgroote deel der Christelijk Historischen en het andere gedeelte der Roomsch Katholieke Partij.
Bovendien zouden, wanneer het wetsvoorstel ware verworpen, de Staatkundig Gereformeerden een van de wapenen missen om de Antirevolutionaire Partij te bestoken. Het gaat met dit wapen als met dat van de verdachtmaking der Antirevolutionaire Staatslieden mr. Heemskerk en den heer Idenburg, terzake van hunne houding tegenover de Dageraadsmannen, welk wapen te Utrecht ook weer lustig werd gehanteerd.
Nog nimmer hebben de Staatkundig Gereformeerden het van hunne voormannen mogen vernemen, hoe het juist mr. Heemskerk was, die tijdens zijn minsterschap zijn medewerking aan de Dageraadsmannen weigerde, om voor de statuten hunner Vereeniging de Koninklijke goedkeuring te verlangen.
En ook wordt het verzwegen, dat de Staatkundig Gereformeerde Kamerleden voor Gods heilig aangezicht de Grondwet hebben bezworen, waarin Artikel 168 luidt : „Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen (ook de Dageraadsmannen) met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en hare leden tegen de overtreding der strafwet ; en Artikel 170 bepaalt : „De belijders der onderscheidene godsdiensten (ook de R.-Katholieken) genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten".
De Antirevolutionaire Kamerleden houden zich aan den eed, dien zij aflegden.
Ook de Staatkundig Gereformeerde Kamerleden ?
Doch dan moeten dezen geen wapenen tegen de Antirevolutionairen gebruiken, die voor het gebruik verboden zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's