De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW.

14 minuten leestijd

Jezus Christus, onze Heere, is duidelijk en klaar, telkens en telkens weer bewezen te zijn waarachtig en rechtvaardig mensch. Geboren uit de maagd Maria, heeft Hij het vleesch van een vrouw aangenomen en haar bloed ; en zoo is Hij de broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Hij is het vleesch van David, Hij is de Zone Davids naar het vleesch. De mensch Christus Jezus.
De bewijzen zijn daarvoor zonder tal, en de bewijzen zijn klaar en duidelijk, sprekend en overtuigend. De mensch Christus Jezus,
Zóó is Hij geboren, zóó heeft Hij geleefd, zóó heeft Hij geleden, zóó heeft Hij gehoorzaamheid geleerd, zóó is Hij gestorven en begraven. De mensch Christus Jezus.
Klaar en menigmaal is Hij bewezen te zijn waarachtig en rechtvaardig mensch. Maar dan jubelt de apostel Paulus, die door genade Jezus Christus heeft leeren kennen als den waren Messias, dat Hij ook krachtiglijk, sterk, duidelijk, overtuigend bewezen is te zijn de Zoon van God. Rom. 1 vers 4.
Dezelfde die duidelijk bleek mensch te zijn, werd ook duidelijk, sterk, overtuigend bewezen God te zijn. En wel 't heerlijkst is dat te bewijzen ,,uit de opstanding der dooden" ; of, zooals er letterlijk staat „uit de doodenopstanding".
Doordat Jezus uit de dooden opgestaan is (ex anastascoos nekroon), door het feit van Zijn opstaan uit de dooden is Hij krachtiglijk, duidelijk, overtuigend bewezen Gods Zoon te zijn. Rom. 1 vers 4.
Paulus, die totaal het eigendom geworden is van Christus Jezus (doelos) staat er in 't Grieksch, letterlijk slaaf, Rom. 1 vers 1), die door Jezus Christus als 't ware gekocht is door Zijn bloed en Wien Paulus dan ook geheel toebehooren wil, om Hem te volgen en te dienen overal — Paulus wil prediken den Zaligmaker, Die Gods Zoon is ; waarachtig God zijnde. Naar 't vleesch is Hij Davids Zoon, hoog en verheven. Maar in wezen is Hij veel hooger nog en wel Gods Zoon. Hij is Gods Zoon in kradht, in ongebroken, eeuwige kracht. Hij is Gods Zoon, God uit God en Licht uit Licht. Wat zoo duidelijk uitkwam met kracht en heerlijkheid, toen Hij opstond uit het graf.
Eerst scheen het niet zoo te zijn, dat Christus Jezus echt God was, waarlijk en wezenlijk Gods Zoon. Want Hij stierf en werd begraven. Maar Hij was immers mensch geworden. Hij had immers de menschelijke natuur aangenomen, om te kunnen dragen de zonden Zijns volks, om onder en in 't midden van de broederen te leven, daartoe geboren uit de maagd Maria, aannemende het vleesch van David. Maar dan zou 't komen om te bewijzen, dat Hij waarlijk en wezenlijk Gods Zoon was. Niet op 't commando van de spotters bij 't kruis zou Hij dat openbaren en toonen. Maar straks, als Hij alle gehoorzaamheid volbracht had, alle straf gedragen had, volkomen verzoening had gewerkt door algeheele voldoening — dan zou Hij sterk, krachtig, heerlijk, vol, openbaar worden als te Zijn Gods Zoon, waarachtig God, ééns wezens met den Vader.
Juist de weg des stervens, de plaats der dooden, het graf zou openbaar maken, dat Hij Gods Zoon in kracht is ; dat Hij waarachtig God is. Dan zou de krachtigste bewijsvoering komen. En in Zijn volle kracht zou Hij als Gods Zoon uitkomen.
Ook het graf, ja, juist het graf moet daartoe medewerken, dat Zijn goddelijke glorie met heerlijkheid en kracht openbaar wordt en overtuigend wordt bewezen en ten toon gespreid, dat Hij meer is dan een mensch, dat Hij waarachtig God is.
Zelf gaat Hij in den dood in. Het is voor Hem een strijd. De dood komt in volle wapenrusting en sterk door Gods toorn nadert de dood als bezoldiging der zonde waarbij Jezus Christus vrijwillig en Zelf den dood ingaat. Borg en Plaatsbekleeder van een zondig volk zijnde. De verschrikkingen des doods-doorlijdt Hij. Zooals niemand den dood gekend heeft kent Hij den dood, daartoe mensch geworden zijnde.
En zoo wordt Hij bewezen mensch te zijn. Hij sterft. Hij sterft gewillig. Hij sterft Zelf.
En men zegt : ziet Hij sterft ; Hij is een mensch.
Hij gaat niet langs den dood heen zooals Henoch en Elia, aan wie het gegeven is geworden, dat zij, zonder den dood te zien, getransformeerd worden, veranderd worden en in den hemel worden overgeplaatst. Dat wil Hij niet.
Neen, Hij moet en wil sterven ; Hij is dood geweest. Hij gaat in den dood in, in 't hartje van den dood, in den burcht des doods en daar heeft Hij den slag geslagen ; en door Zijn dood heeft Hij den dood overwonnen ; welke overwinning bezegeld is geworden door Zijne opstanding uit den dood en uit het graf. Hij is maar niet aan den dood ontsnapt en ontkomen, zooals een gevangene listig en behendig uitbreekt uit zijn kerker. Dan zou de dood z'n macht behouden hebben. Neen, ingaande in den dood, heeft Hij den dood overwonnen ; Hij heeft den dood te niete gemaakt, vernietigd. Hij heeft aan den dood voor altijd een einde gemaakt. Hij, de Borg en de Middelaar van Zijn volk, Hij, de tweede Adam.
Aan Gods gerechtigheid en waarheid, die den dood van Sion eischte, heeft Hij volkomen gerechtigheid en genoegdoening gegeven. En daardoor heeft Hij de pijlers, waarop heel het gebouw van de heerschappij des doods rustte, ondergraven en ihet is ingestort, vernietigd. De dood is verslonden. De dood is niet meer. (1 Cor. 15 : 54)
Gods gerechtigheid zal nu den dood als een betaling voor hun zonden niet meer eischen van dat volk, voor hetwelk Jezus Christus gestorven is. Satan zal nu den dood niet meer tot een handlanger hebben - om hen te overweldigen en ten verderve te voeren en te brengen in dat vuur, dat hem en zijn engelen bereid is.
En dat Hij den dood vernietigd heeft en Sion aan den dood ontrukt, zien wij op 't heerlijkst, op 't duidelijkst, in volle kracht, als de Heiland uit het graf opstaat ; als Hij, die echt gestorven is, echt dood geweest is, zijnde Davids Zoon, uit het graf, uit den dood is opgestaan — waardoor in 't volle licht treedt, dat Hij méér dan Davids Zoon is, dat Hij Gods Zoon, waarachtig God is. „Mijn Heere en mijn God !, " zooals Thomas tenslotte zegt.
Den dood heeft Hij overwonnen.
Maar méér nog : Hij heeft.het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht. (2 Tim. 1 vers 10).
Dat was een schat, die voor altijd verloren was, om der zonde wil. Die schat kon nooit meer opgegraven, nooit meer gevonden, nooit meer gekocht worden, door niemand en nergens. Allen zijn immers zondaar en derven de heerlijkheid Gods. Wie zal daartoe in den hemel kunnen opklimmen ? Niemand ! Wie zal daartoe in den afgrond nederdalen ? Niemand ! Voor eeuwig is die schat des levens en der verderfelijkheid weg. Om der zonde wil. De bezoldiging der zonde is de dood.
Maar nu is de Heiland, Davids Zoon, waarachtig en rechtvaardig mensch, in den dood, in het graf, ingegaan.
En in de opstanding uit de dooden is Hij met kracht en sterkte aan 't licht gekomen als Gods Zoon en heeft nu het leven en de onverderfelijkheid verworven voor al de Zijnen, waarvan het Evangelie van Je­zus Christus getuigt.
Dat is het leven, dat niet meer weggenomen wordt, dat niet meer minder wordt, dat niet meer verwelkt, dat niet meer verderft.
Dat is in Hem, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heere.
Dat is in Hem voor arme, verloren, verdoemelijke zondaren. 
Die heerlijke.schatten met onvergankelijke majesteit en eeuwige zaligheid draagt Hij, bezit Hij en geeft Hij aan een iegelijk, die in Hem gelooft en door het geloof al Zijne schatten deelachtig wordt, tot prijs van Gods genade. Zóo staat Hij als de Eenige, als Hij daar staat, levend en heerlijk buiten het graf, als Overwinnaar van den dood.
Ja, waarlijk. Deze is Gods Zoon. Krachtig, heerlijk is het bewijs geleverd in de opstanding uit de dooden. (Rom. 1 vers 4).

een ander Evangelie.
Onze voornemens komen op uit een eigengerechtig en hoogmoedig hart en hebben geen behoefte aan het Kruis-Evangelie voor verzoening voor arme zondaren ; vragen niet naar den Heere en Zijne Sterkte. Wat in het liefdehart van den Drieëenigen God leeft en wat op 't heerlijkst uitkomt, als Hij Zijn eeniggeboren Zoon zendt op aarde, dat heeft een, die zichzelf kan redden en helpen, niet van noode. Die heeft geen kennis aan woorden der Schrift : „Maar God bevestigt Zijne liefde jegens ons, dat Christus, voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren". Of aan dat andere woord : Christus,, als wij nog krachteloos waren is te Zijner tijd voor de goddeloozen gestorven. Men heeft geen behoefte aan Golgotha en zijn kruis met den stervenden Borg en Middelaar ; men verstaat niets van die ondoorgrondelijke, onbegrijpelijke liefde van God, die Christus laat sterven voor goddeloozen, voor vijanden. Men staat buiten dat alles. Men staat alleen en troost zich zelf, wat op de bitterste teleurstelling uitloopt, voor leven en sterven beide.
Maar wanneer we als verloren zondaren iets van die liefde Gods in Christus leeren kennen, dan komt net zoo groote vertroosting tot ons, dat heerlijke woord : „Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.
Noch van dat "vijand zijn', noch van dat „verzoend worden door den dood van Gods Zoon", noch van dat „behouden worden door Zijn leven" wil het Modernisme weten. En daarom is het Modernisme zoo arm. Gelijk elk natuurlijk mensch in zichzelf arm en ellendig is.
Wie dan ook, hét verzoenend lijden van Christus wegneemt, neemt alles weg.
Daar ligt, voor den Christen de eenige troost, zoowel voor het léven als voor het sterven. , Dat ik niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor al mijne zonden volkomen betaald heeft en mij van alle geweld des duivels verlost heeft", zegt de Christ-geloovige.
Aan verlorenheid overtuigd, na Christus gevonden te hebben, aan de gemeente van Corinthe schrijft : „Ik heb mij niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus en die gekruisigd" (l.Cor. 2 vers 2). Geen ander Evangelie !

Dc Verkiezing en de prediking.
De praedestinatie is een besluit, een handeling Gods, waarin God Almachtig, Schepper des hemels, en der aarde, handelend optreedt. Achter alles staat niet het Fatalisme, met het toevalligheidselement, met het blinde noodlot, noch ook 't Determinisme, met het machinale element en het harde raderwerk, dat machinaal het een doet volgen op het ander, maar achter en boven alles staat de Souvereine God, van Wien de Christen belijdt dat Hij de hoogste Wijsheid is. Die alles doet naar Zijn raad en welbehagen. Weten doen wij, menschen, alles niet. Begrijpen nog veel minder. Maar wat zich aan ons van Godswege openbaart, doet ons telkens gelooven en belijden : „O diepte des.rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen, hoe onnaspeurlijk Zijne wegen".
Tot op den bodem van de diepste diepte is het goddelijke wijsheid ; Zijns verstands is geen getal !
Het woord praedestinatie beteekent : voorbeschikking, vóórverordineering.
Het is dan ook niet alleen een vóórwetenschap (Remonstranten), maar een handelende daad Gods in de vóórverordineerlng. Het is niet alleen een zien aankomen van wat de tijd brengen zal, maar alle hoogheid des menschen neerslaande is het een prediking van Gods souverein welbehagen, waarbij Hij alle dingen doet om Zijns Zelfs wil.
Niet de mensch is het doel en de norm. God is de oorsprong en het einde. „Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen ; Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen".
Liever dan alles te leggen in de handen van den mensch of in het gebeuren van den tijd, legt de Christen alles in de handen van den eeuwigen God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.
Liever dan te staren op het Fatum of blinde Noodlot, of te sidderen voor het De terminisme of harde machinale oorzaak-en-gevolg systeem, roemt de Christen In den eeuwigen en alwijzen God, Die te prijzen is tot in eeuwigheid en Wiens Naam in het midden van een zondige wereld Ontfermer is. Neen — begrijpen kunnen wij het niet. Wij, nietige stervelingen, kunnen Gods groote daden niet doorgronden noch verklaren.
Maar de grond van de behoudenis ligt geenszins in den mensch, maar in Gods welbehagen.
Vraagt men ons : waarom niet alle menschen behouden worden ? dan antwoorden wij : wij weten het niet ; God weet het !
En vraagt men ons dan verder : wie heeft er recht op, om behouden te worden ? dan antwoorden wij : niemand !
En vraagt men ons dan verder : wat is de weg om zalig te worden ? dan zeggen wij, voor arme, verlorene zondaren is Jezus Christus in de wereld gekomen, om te zoeken wat verloren is, om zondaren zalig te maken. En wij getuigen van den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker, Jezus Christus, dat Hij bevolen heeft : predikt het Evangelie aan alle creaturen. Dan prediken wij Hem, Die gezegd heeft : Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven.
Niemand weet van te voren of hij uitverkoren is of niet. „De verborgene dingen zijn voor den Heere, onzen God", lezen we in Deut. 29 vers 29. De prediking moet dan oók gaan tot allen, die verloren, verdoemelijke zondaren zijn. En de prediking moet zijn : Jezus Christus en Die gekruisigd. Die een algenoegzaam, juist gepast en zeer gewillig Borg en Middelaar is voor een iegelijk, die Hem leert aanroepen in den nood en Hem om genade smeekt. Dan heeft Hij gezegd : die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.
Dan is Zijn prediking : vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten zullen de eersten wezen.
En van achteren wordt dan in de kenmerken zekerheid verkregen over onze verkiezing, wanneer er bij ons gevonden mag worden — wat de Dordtsche Leerregels zoo schoon beschrijven : „de onfeilbare vruchten der verkiezing, in het Woord Gods aangewezen, als daar zijn : het waar geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid enz." (Dordtsche Leerregels, Hoofdst. 1, 12).
De Dordtsche Leerregels zeggen in dit verband zoo nadrukkelijk, dat we „niet van de verkiezing Gods verzekerd worden door het curieuselijk (nieuwsgierig) doorzoeken van de verborgenheden en diepten Gods" (hoofdstuk 1, 12). En de leer van de goddelijke verkiezing moet dan ook „in de Kerke Gods" voorgesteld worden, met den geest  heiliglijk, zonder nieuwsgierige onderzoeking van de wegen des Alierhoogsten, ter eere van Gods heiligen naam en tot een levendigen troost van Zijn volk" (hoofdstuk 1, 14).
Teer, gevoelig, vol mededoogen en heilige bewogenheid moet altijd over dit geweldige en zware stuk gesproken worden in Gods Kerk. En de Dordtsche Leerregels (kent men ze wel genoegzaam, die mooie stukken van ons Gereformeerd geloof zeggen : „Die het levend geloof in Christus, of het zeker vertrouwen des harten, den vrede der consciëntie, de betrachting van de kinderlijke gehoorzaamheid, den roem in God door Christus, in zich nog niet krachtiglijk gevoelen en nochthans de middelen gebruiken, door welke God beloofd heeft deze dingen in ons te werken, die moeten niet mismoedig worden, wanneer zij van de Verwerping hooren gewagen, noch zichzelven onder de verworpenen rekenen, maar in het waarnemen der middelen vlijtig voortgaan, naar den tijd van overvloediger genade vuriglijk verlangen en dien met eerbiedigheid en ootmoedigheid verwachten".
Is het niet teer, is het niet uitlokkend, is het niet bemoedigend wat de Dordtsche Leerregels (die zoo weinig gekend worden en nochtans zoo dikwijls veroordeeld en belasterd worden) hier "zeggen ?
Zou het niet heerlijk zijn, indien deze stem van onze Gereformeerde Vaderen overal werd gehoord en veel meer, dan dikwijls het geval is, werd gepredikt ?
En alsof het nog niet uitlokkend en bemoedigend genoeg is te midden van arme zondaarszielen, wat reeds gezegd is, gaan de Dordtsche Leerregels dan nog verder, met dit nadrukkelijk te zeggen : „Veel minder behooren voor deze leer van de Verwerping verschrikt te worden degenen, die ernstiglijk begeeren zich tot God te bekeeren. Hem alleen Ie behagen, en van het lichaam des doods verlost te worden, en nochtans in den weg der godzaligheid en des geloofs zóó ver nog niet kunnen komen, als zij wel wilden ; aangezien de barmhartige God beloofd heeft dat Hij de rookende vlaswiek niet zal uitblusschen en het gekrookte riet niet zal verbreken".
„Maar deze leer is met recht schrikkelijk voor degenen, die God en Christus den Zaligmaker niet achtende, zichzelven aan de zorgvuldigheden der wereld en aan de wellusten des vleesches geheel hebben overgegeven, zoo lang zij zich niet met ernst tot God bekeeren". (Dordtsche Leerregels, hoofdstuk I, 16).
Onmiddellijk laten de Dordtsche Leerregels dan volgen, wat de vroeg gestorven kinderen der geloovigen betreft:
„Nademaal wij van den wille Gods uit Zijn Woord moeten oordeelen, hetwelk getuigt dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hunne ouders begrepen zijn, zoo moeten de godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hunne kindsheid uit dit leven wegneemt" (Hoofdstuk I, 17).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's