De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIEN

9 minuten leestijd

Op den tweeden Paaschdag zet ik me om m'n wekelijksch praatje te gaan houden met de lezers van „De Waarheidsvriend". Morgen zal ik er geen tijd voor hebben, zodat ik een gedeelte van dezen Feestdag er voor gebruiken moet. En 'k meen dat het met het slechtste werk is om op 't feest der Opstanding elkander op te wekken aan de fondsen te gedenken en daardoor aan het heil der Kerk. Zoo'n dag is er juist toe aangewezen, om van de Opstandingskracht te spreken, die uit den Levensvorst vloeie in Zijn Kerk. Hierop komt het toch aan. Of wij nu van kerkopbouw of van kerkherstel of van oprichting der Kerk spreken uit haren diepen val. Om die benaming gaat het niet in de eerste plaats. Maar er moet een opstaan der Kerk zijn uit haar zonde, doordat de verrezen Christus Zijn leven in haar openbaart. Als onze Catechismus het heeft over de Kerk, dan is de laatste zin : dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven. Dus de Zone Gods vergadert de levende gemeente. Of anders : Daar waar het leven is, bewijst Hij, Die opstond. Zijn vergaderende, bewarende en onderhoudende kracht. Er kan dus nooit te veel worden aangedrongen op het zoeken naar de gemeenschap met den levenden Zaligmaker. Door die persoonlijke aanraking der leden zal de Kerk opstaan. Daardoor zal zij uit haren diepen val worden opgericht, daardoor wordt zij hersteld en opgebouwd.
'k Hoop dat er geen enkele dominee was, die den levenden Christus naar de Schriften, met lust en liefde op het Paaschfeest verkondigde, die zweeg van den verwarden toestand, waarin Christus' Kerk verkeert en van de teekenen harer doodigheid. Neen, neen, 't gaat niet aan om van den verrezen Heiland, Die heden in heerlijkheid leeft en met Zijn Woord en Geest nimmer van ons wijkt, te getuigen en tegelijkertijd den huldigen toestand van Zijn duurgekochte Gemeente in hare openbaring maar blauw-blauw te laten. Dan was de preek maar half-af, ook al duurde de kerk twee uren. Al had men de ,,toepassing" zuiver in drieën, toepasselijk was .de Paaschpreek niet. De levende lidmaten moeten het leven van het Lichaam van Christus openbaren in den door den Heere Zelf verordenden weg. Dan is daar de weg des Heiligen Geestes.
Mochten er soms collega's zijn, die van het opstaan der Kerk niet gesproken hebben, terwijl dan toch de Paascollecte wel gehouden werd, zij kunnen hun verzuim zoo schoon herstellen, bij de prediking uit de verschijningen van den Heiland. Het kan zoo toepasselijk gebeuren bij de belijdenis van Petrus : Heere, Gij weet dat ik U liefheb. Toen kwam het antwoord van den verrezen Koning der Kerk : Hoed mijne schapen Er is geen liefde voor des Heeren Gemeente, als er door genade geen liefde is voor den Heere Zelf. De Heere vertrouwt het hoeden en het weiden Zijner schapen alleen toe aan hen die Hem liefkregen Ja, collega's, breidt in dezen geest de toepassing maar uit. Gij zult voor uw eigen ziel gezegend preeken. Uw prediking zal gezegend zijn voor de Kerk, die gij nog eenigen tijd dienen moogt. Het gebed zal dan misschien uit menig ,,meelevend lid" rijzen : „Dat er maar vele leeraars hun ambt mochten aanvaarden en daarin lang mochten werkzaam zijn, die tot den levenden Christus gedurig zeggen : Gij weet dat ik U liefheb".
Ge begrijpt me nu wel. Een goede Paaschpreek is tegelijkertijd een hartelijke aanbeveling van onze fondsen, al worden zij er niet bij genoemd. 'kVind het niet verkeerd als zij met naam genoemd worden. Neen, zoo moet ge het niet opvatten. De menschen zijn soms al zoo heel gauw bang dat er iets „ongeestelijks" in de preek gezegd wordt, terwijl het inderdaad iets heel practisch was. De Heilige Geest — de Schrift leert 't ons wel — wijst de dingen vaak heel gewoon aan. De Heiland zeide maar gewoon : „Kom ! Toon Mij eens een penning", toen de menschen Hem met een ernstig gezicht wilden verzaken.
Toen 'k een paar weken geleden m'n catechisanten iets vroeg voor de Herdenkingscommissie, antwoordde er eene : ,,'k Heb gisteren m'n portemonnaie reeds leeg gestort", 'k Vroeg : Hoe kwam dat ? „Wel" — was 't antwoord — „de dominee heeft 't gezegd dat het zoo moest voor de Zending". Gij raadt wel welke dominee dat is die zoo echt hengelen kan en die hier voor de Zending preekte. Hij had gezegd, dat een landman die ging zaaien, zijn geheelen zak op den akker uitstrooide en daarvan niets mee naar huis nam. Wilt ge mee helpen zaaien ? Wel, dan moet de beurs leeg ! Zoo was de toepassing, 't Is waar, ik kan niet zoo bedelen als die ons allen wel­ bekende dominee. Maar ik wil van hetgeen ik hierboven schreef over de Opstandingskracht des Heeren in het midden Zijner Kerk, toch gaarne ook deze toepassing maken : Steun met een milde hand, voor zoover God u zegende, het werk van onzen Gereformeerden Bond.
'k Kom nu hoe langer hoe meer afdalen naar de practijk. Over geldzendingen moet ik iets zeggen. Eerst een briefje beantwoorden, dat 'k ruim 8 dagen geleden ontving, ongeteekend uit S. De briefschrijver had in Januari tien gulden gestuurd aan de Evangelisatie-Commissie. Die gift vond hij verantwoord. Hij zond ook tien gulden akn den Geref. Zendingsbond en had daarvan in „Financiën" niets gezien. Nu een vraag : Is die laatste gift aan mij gezonden, of aan ds. Bieshaar te 's-Gravenhage ? In dit laatste geval moet de onbekende gever in ,,Alle den Volke" de verantwoording zoeken. Heeft hij die gift naar Veenendaal gezonden, dan vrees ik dat zij „verloren" is geraakt. Laat de briefschrijver mij in ieder geval nog even antwoorden hoe het geld verzonden is, in een brief, of per postwissel of girobiljet. Als hij zijn naam wil noemen, behoeft hij niet bang te zijn dat ik dien zal bekend maken, 'k Heb behalve een laatje ook nog een grooten doofpot, waarin alle namen gaan die ik niet mag bekend maken, alle brieven, waarover ik niet mag schrijven, alle zaken, ook uit m'n gemeente, die maar 't best daarin thuis behooren.
Over geldzendingen dan nog dit. Men zij daarin zeer voorzichtig. Als men het geld in 'n brief wil doen, goed ! Maar dan den brief laten „aanteekenen" op het postkantoor. Er staat boete op als het ontdekt wordt dat men zoo maar geld in een gewonen brief verzendt. Het „aanteekenen" kost slechts vijftien cent boven het gewone port. Met een girobiljet gaat het op z'n, goedkoopst. Per postwissel is het ook secuur.
Gortel. Van M. K. ƒ 2.—.
Dirksland. Door ds. C. v. d. Wal ƒ 3.—, n.l. een gift van ƒ 2.— voor Leerstoel-en Studiefonds, en een van ƒ 1—voor het Leerstoelfonds.
Kralingen. Door ds. G. A. Pott ƒ 7.50, nagiften voor de gehouden collecte van de laatste Bijbellezing. Ja, ik dacht het wel dat er nog wel wat vischjes overgebleven waren in het daar „door de Herdenkingscommissie afgevischte vischwater" 't Valt telkens mee. Het water is niet zoo spoedig leeggevischt. Weet ge waar ik altijd 't meest bang voor ben ? Dat er slechte bestanddeelen in 't water komen. Dan gaat de visch dood. Dat is in menige gemeente zoo geworden. Dan krijgt de Penningmeester geen enkel vischje meer. Maar in Kralingen is 't water nog frisch. Daar tieren de visschen. 'k Kreeg een paar dagen geleden nog een groote van ƒ 10.—, van mej. N.N. 'kMoet hem met ds. Lans deelen. Dus ƒ 5.— gaat naar de Evangelisatie-Commissie en ƒ5.— komt in mijn laatje.
Veenendaal. In letterlijken zin is hier geen vischje te vangen. Een hengelaar heeft hier geen pleizier. Die vuile Grift neen, daarin kan geen visch leven. Maar in figuuriijken zin is 't hier goed visschen. Laat dan de fabrieken hun vuil afvoerwater maar in het rivierke werpen. Hoe meer zij dat doen, "hoe meer het den menschen goed gaat en des te beter varen Kerk en Armen en onze fondsen daarbij. Voor de Herdenkingscommissie is al ongeveer ƒ1070.— naar den grooten pot van 0ldebroek gebracht en 'k verwacht dat er in de volgende weken nog wel heel wat vischjes zullen binnen komen. Hoe ik er toe kom om over Veenendaal te schrijven ? De Ned. Herv. Jongel. Vereen. „Pred. 12 : l.a" heeft door middel van haren penningmeester ƒ 10.— mij afgedragen, ontvangst uit Busjes, voor Leerstoelfonds en Studiefonds. Goed voorbeeld doet goed volgen. Als alle vereenigingen, die zich hier door hun namen zoo geheel aan onze zijde plaatsen, mij als Penningmeester zoo nu en dan eens bedenken, dan heb ik nog veel te wachten. „Troffel en Zwaard" is reeds lang daarin voorgegaan en omdat zij dezen keer geen „jaarfeest" wilde vieren, om begrijpelijke redenen, ging de som, voor zoo'n feest noodig, naar Oldebroek. Daardoor eerde zij zeker de nagedachtenis van haren overleden Voorzitter.
Zeist. Door ds. R. Bartlema ƒ 29.50, verschillende giften voor het Studiefonds, n.l. 27 Dec. N.N. ƒ2.50 ; 31 Dec. N.N. (deel gift) ƒ10.— ; 2 Jan. van een zuster der gemeente ƒ2.50 ; 13 Jan. helft van een gift ƒ2.50; 2 Febr. deel gift ƒ!.—; 5 Maart deel gift ƒ 10.— ; 25 Maart deel gift ƒ 1.—. 'k Vind het wel mooi dat ik in Zeist een Hulp-Penningmeester heb gekregen. Laat men hem maar veel brengen. Om de paar maanden draagt hij mij het af.
Hazerswoude. Door J. van Pijlen ontving ik ƒ 5.— van den heer f. d. Br. van Hazerswoude-Rijndijk, voor 't Studiefonds.
Zegveld. Uit het busje van C. Bardelmeijer ƒ2.72, opbrengst van de maand Maart.
Vlaardingen. Van het vischwater daar zou ik heel wat kunnen schrijven. Het water is daar best. Alleen... ik vermoed... zéker weet ik het niet, dat de netten niet goed uitgezet worden. Daar hangt veel van af. Dat weten de Vlaardingsche visschers wel ! Ds. Heijer weet nog wel wat te vangen. Zoo zond mij Z.Eerw. weer ƒ 8.35 uit het busje van de Fam. B., no. 244, voor de beide fondsen.
Als ik nu aan het optellen ga, krijg ik de som van f 73.07.
'k Had het wel vermoed dat het in de „stille week" stil voor den Penningmeester zou zijn. 't Viel mij nog mee dat ik zooveel kreeg. 'kDank er de gevers en geefsters hartelijk voor.

De Penningmeester

Ds. N. VAN DER SNOEK.

Veenendaal, 6 April 1931.

POSTZ., CAPSULES EN ZILVERPAPIER.
Ontvangen van :
Ie. Mej. S. Bosma, Tietjerk, caps., postz. zilverpapier, benevens ƒ1.— ;
2e. G. W. Beekenkamp, Veenendaal, een zak zilverpapier, . verzameld door de leerlingen der Vrije Chr. School aldaar ;
3e. nievr. Verbeek, Arnhem, een pak zilverpapier ;
4e. H. Gracht, Doetinchem, zilverpapier en postzegels ;
5e. mej. H. de Wit, Rotterdam, postz., caps, en zilverpapier.
Met zeer hartelijken dank en aanbeveling.

Mej. J. DEN HARTOG.

Krommedijk 60, Dordrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's