Herdenkingssamenkomsten
Ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned.Hervormde (Gereformeerde) Kerk
Wijdingsure in de Nieuwe Kerk (Julianankerk) te Veenendaal.
Woensdag 15 april
1. Openingswoord van Ds. S. C. van Wijngaarden, te Veenendaal.
Toen mij door den Secretaris van het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging der Waarheid in de Ned. Hervormde Kerk voor enkele maanden gevraagd werd in deze herdenkingssamenkomst als oudste plaatselijke predikant een openingswoord te willen spreken, was het niet zonder schroom, dat ik een toestemmend antwoord heb gegeven.
En de ontroering, die er ongetwijfeld in deze ure bij velen Uwer gevonden zal worden, leefde ook in mijn hart, toen ik dacht : Wat zal ik daar staan, in de plaats van wijlen ds. Jongebreur !
Wat zou hij, indien hij dit oogenblik had mogen beleven, het een mijlpaal hebben geacht te zijn, niet alleen in het bestaan van den Gereformeerden Bond, maar ook in zijn eigen leven, dat immers zoo van meet af aan bij dien Bond was betrokken. Was hij niet de medeoprichter er van en heeft hij niet met de gaven, hem door God geschonken, lange jaren eerst als Secretaris en daarna als Penningmeester den Bond gediend. Met wat een vaderlijke zorg koesterde hij, de kinderlooze, de door hem met zooveel liefde aangenomen kinderen : het Leerstoel en het Studiefonds !
Toch — het heeft niet zoo mogen zijn — God heeft gesproken en wij hebben de hand op de lippen te leggen en Gode te zwijgen En als dan vanavond bij het terugzien op vijf en twintig jaren Kerkgeschiedenis, vijf en twintig jaren, waarin ook de Gereformeerde Bond het leven van de Ned. Hervormde Kerk heeft zoeken te beïnvloeden, opdat het zou worden meer en meer een zuivere openbaring van het lichaam van Christus — als dan, zeg ik — hier door verschillende sprekers het zoeklicht zal geworpen worden op het kerkelijk gebeuren in de laatste kwart eeuw, dan zal, zij het in verschillende modulatie, het thema van den 27en Psalm de grondtoon zijn van het lied, dat ze ons daarbij zullen voorzingen. God, de eenige Troost en Toeverlaat in alle gevaren, onder alle moeiten zich sterkende door geloof en geduldig wachten Op de vervulling van Gods beloften — dit is de samenvatting van den inhoud , van dezen Psalm van David.
't Was de samenvatting van het leven ook van ds Jongebreur : „Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik „zoeken : dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in „het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te „aanschouwen en te onderzoeken in zijnen tempel".
Daarom was de Gereformeerde Bond hem zoo lief, om dat hij hem zag als een middel om de oude Kerk der Vaderen zoo goed mogelijk te doen beantwoorden aan het ideaal : te zijn het instituut, waar allen, die de Waarheid Gods, in Christus haar hoogste openbaring hebbende. Het hebben, zich zouden kunnen legeren onder het geklank des Woords.
Daarom is het ook voor mij een eere, deze herdenkingssamenkomst te mogen openen, en ik wil dit doen met het uitspreken van de bede, dat God het werk van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Hervormde Kerk ook in de toekomst moge zegenen, Zijn naam tot verheerlijking en tot bevordering van de komst van Zijn eeuwig en onbeweeglijk Koninkrijk, het Rijk der Waarheid en des Vredes.
Zoo zij het.
2. Rede van den Voorzitter van de Herdenkings-Commissie, Ds. J. C. Wolthers, te Onstwedde. Onderwerp: Tempelbouwers.
Zoo zijn we dan samen aan deze plaats in verband met het zilveren jubileum van onzen Bond.
Het is reeds meerdere malen opgemerkt — en dat terecht — dat er voor feestjubel en feestvertoon niet eenige oorzaak is. Onze Bond toch bedoelt de Waarheid te verbreiden en te verdedigen in der Vaderen Kerk.
Te verbreiden — daar zijn dus plaatsen, waar die Waarheid niet gevonden wordt — gemeenten, waar der Waarheid tekort wordt gedaan.
En te verdedigen — daar zijn dus menschen, die die Waarheid aanranden en begeeren haar te vernietigen en uit te roeien.
Neen — zoo beschouwd is er waarlijk geen motief de vaandels te verheffen in feestelijk gedenken en op te gaan in breed vreugdebetoon, want het ware ons liever geweest, wanneer de kerk vol was geweest van de kennis des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. Het ware ons liever geweest, wanneer allen, die tot die Kerk behooren, als één man streden voor het geloof, dat eenmaal den heiligen is overgeleverd.
Wij zijn hier samen in deze Nieuwe Kerk van Veenendaal. De omgeving, waarin we zijn, roept ons het beeld op van den man, die eenmaal genoemd werd : „de hand van den Bond".
Die hand is weggenomen. Die hand is niet langzaam aan verdord, maar die hand is eensklaps afgehouwen. Zooveel heeft hij gedaan voor dien arbeid, die hem lief was.
God nam ds. Jongebreur weg naar Zijn ondoorgrondelijk bestel, en we moeten Gode zwijgen. Maar zijn gemis, dat onder ons nog steeds gevoeld wordt, is mede oorzaak, dat wij niet feestelijk gestemd kunnen zijn.
Op een avond als deze zien we als vanzelf achterom. We hebben het reeds gedaan toen we gedachten aan onzen heengeganen Penningmeester, daarbij niet vergetende wijlen den heer Fliehe, als Penningmeester door iemand genoemd : „een gave Gods".
We zeiden reeds, dat onze Ned. Hervormde Kerk als Kerk nog niet teruggebracht is tot haar oude belijdenis. Neen, daaraan ontbreekt nog veel.
Er worden nog zooveel meeningen verkondigd, die met het getuigenis Gods niets van doen hebben. Gij weet zoo goed als ik dat van denzelfden kansel het ja en neen beluisterd kan worden.
Ik zal straks nog gelegenheid hebben van deze dingen iets meer te zeggen, maar ik stel dan nu de vraag : „Wijst nu al dat gebrek inzake de oplossing van het kerkelijk vraagstuk heen naar gebrek aan kracht in de actie van den Gereformeerden Bond ? "
Is het beginsel, dat door ons gehuldigd wordt, dan geen kracht gebleken, waarmee men rekening heeft te houden in het midden van onze Hervormde Kerk ?
Is er dan niets gebeurd — is er dan niets veranderd in de jaren, die voorbij zijn gegaan ? Gode zij dank, daar is wel iets gebeurd, daar is wel iets veranderd.
Het oogenblik van herdenking is aangebroken. Dat oogenblik mogen wij aangrijpen — wij mogen ons rekenschap geven van hetgeen de Heere in het verleden ons schonk, gedachtig aan het woord van Goethe :
„Was du ererbt von deinen Vatern hast, erwirb es um es zu besitzen".
Verwerf der vaderen erfenis, opdat gij haar bezitten moogt.
Bij mijlpalen moeten we stilstaan, in bezinning op het verleden en de toekomst. Wanneer wij dan zien naar het verleden en acht geven op de zegeningen, die ons deel waren, dan is er alle reden tot dankbaarheid.
Men beweert wel eens, dat groote getallen niet altijd wijzen op grooten zegen. Daar is in dat zeggen iets waars. Maar het getuigt toch zeker óók niet van zegen, wanneer het getal stilstaat of achteruitgaat.
Welnu — meerderen hebben getoond dat ze vertrouwen hadden in die mannen, die nu een kwart eeuw geleden tezamen kwamen en die de oprichting van den Gereformeerden Bond hebben aangedurfd.
Zoo bezien, werd de zegen niet gemist.
En dat zij, die bij den Bond zich aansloten, ook voor het meerendeel mannen en vrouwen waren van goed gehalte, dat bleek wel uit de offervaardigheid dier menschen.
Vele waren toch in den loop der jaren de gaven, die geschonken werden voor de instandhouding van het Leerstoel en Studiefonds.
Is dat eerste niet van belang ontbloot, de groote massa begreep al spoedig de hooge waardij van dat laatste — van het Studiefonds.
Daarvoor met name werd met groote liefde het offer gebracht. Want zoo immers werd menigeen de weg geopend tot de studie voor dienaar des Evangelies — zoo ook mocht menige gemeente een dienaar ontvangen, die kwam, niet om te pleisteren met looze kalk, maar om den vollen raad Gods te ontvouwen, Zijn Woord te brengen in Wet en Evangelie beide.
Zoo aanstonds hoopt de volgende spreker ons er nader op te wijzen, dat we vóór alles hebben te zorgen voor de vorming van dienaren des Goddelijken Woords, staande op den grondslag der Schriften, naar uitwijzen der belijdenis.
Wij zeggen dus daarvan niet meer, doch mogen dankbaar gedenken, dat ook in deze dingen zich de Heere niet onbetuigd heeft gelaten.
Daar is verder de arbeid der Evangelisatie, mede in de laatste jaren door den Bond ter hand genomen.
Het wordt zeker daar ondervonden, dat alle begin moeilijk is. Moeilijk is 't om hiervoor de rechte belangstelling te wekken, die bij velen gemist wordt als gevolg van gebrek aan inzicht in de belangrijkheid ook van dezen arbeid.
Waar dan nog bij komt, dat we leven in voor menigeen zorgvolle tijden.
Nochtans — ook dit werk breidt zich gestadig uit, daar zijn kiemen, die beloften in zich dragen van vrucht.
Wij mogen, ziende op alles, de daden des Heeren gedenken — wij mogen gedenken Zijne wonderen van oudsher — wij mogen al Zijne werken betrachten en van Zijne daden spreken.
Wij mogen Hem loven. Die alleen wonderen doet.
Wanneer wij dezen avond achterom zien, dan is daar het smartelijke, dat ons stil doet zijn van droefenis.
Maar - daar is ook de stille vreugd over zooveel onverdiende zegeningen, die God nog schenken wilde, niettegenstaande vele zonden en tekortkomingen, die ons mogen verootmoedigen voor Hem.
Wat zijn vijf en twintig jaren in de historie der Kerk? En toch — in zoo korte spanne tijds is er niet alleen gezaaid, maar ook geoogst.
Soli Deo Gloria ! Gode alleen de eer !
Deze avond moge ons stemmen tot dank aan Hem, van Wien alle goede en volmaakte gift afdalende is — maar wij worden ook opgeroepen tot hernieuwde activiteit.
Daar moet bezinning zijn, zoo zeiden we, ook met het oog op de toekomst.
Het is een uitnemend voorrecht Gods, dat onze Bond in het heden nog bestaat.
Dat had ook anders kunnen zijn. Maar dat voorrecht legt ook plichten op. De strijd blijft ons wachten.
Het verbreiden der Waarheid is nog evenzeer noodig als het verdedigen daarvan.
En dat alles wordt vereischt naar twee fronten. Niet alleen naar het linker, maar ook naar het zoogenaamde uiterst rechtsche front.
Want ook daar wordt de Waarheid Gods veranderd in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend boven den Schepper, die te prijzen is in der eeuwigheid.
Een boek als „Neveldijk" teekent ons de afglijding aan dat front in ontroerenden ernst. Niet minder ernstig heeft prof. Visscher in zijn bekend referaat, twee jaren geleden op den Bondsdag gehouden, gewaarschuwd tegen het mysticisme, waardoor een gezonde, Schriftuurlijke prediking onmogelijk gemaakt en de schare afgevoerd wordt van den weg der Waarheid, van het leven uit en met Gods Woord. De strijd blijft dus wachten — ook naar links.
In eigen omgeving aanschouw ik het, hoe door de modernen met ijver gewerkt wordt om wat men noemt „het rijke evangelie te brengen en te bewaren voor dogmatische verstarring".
Men verstaat niet hoe onder den kouden greep van het modernisme alles versterft, hoe de bedehuizen leeg loopen, hoe het volk van Kerk en Bijbel en Christus beroofd wordt. De onkunde omtrent den eenigen troost in leven en sterven is daar groot.
Men lastert dat zij, die vast wenschen te houden aan den Christus der Schriften, den strijd voeren met tucht — dat de zielen met de wapens van hel en verdoemenis gedreven worden om in te gaan.
Men prijst zichzelven gelukkig met de liefdeleer van een Jezus, die ons toestaat om van de schoonheid dezer wereld te genieten, en die nochtans steunen wil, waar de ziel worstelt met hangen twijfel.
Welk een leven die leer veelal met zich brengt, weten allen die wonen in moderne sfeer.
Dat alles moge ons — ziende op den toestand der Kerk -— eene aansporing zijn, dat het werk in de komende jaren moet worden voortgezet, met meer kracht en met meer trouw — meer practisch en meer stelselmatig.
De Herdenkings-Commissie heeft bij haar arbeid bemerkt dat daar in veel gemeenten weinig gebeurt, waar het actieve arbeid geldt. Wat ligt alles braak, zoo merkte een der leden op, om straks met alle macht aan het werk te gaan. Neen, we hebben niet stil te zitten in den komenden tijd, maar daar is veel arbeid, die roept.
Die arbeid moet niet overgelaten aan enkelen, maar allen moeten de schouders er onder zetten.
't Gaat niet om onzen Bond, maar het gaat om onze Ned. Hervormde Kerk. Dat die Kerk weer uit haar diepen val worde opgericht en de plaats weer verkrijge onder ons volk, haar door God gewezen. Dat is het doel, waaraan allen hebben mede te werken.
Wij lezen bij Haggaï, dat zij allen kwamen om den tempel te bouwen. Op bevel des Heeren kwamen zij. Naar menschenoordeel was de tijd er niet rijp voor. Men had wel zijn eigen huis gebouwd, maar, aan den tempel des Heeren niet gedacht. Maar dan — op bevel des Heeren, door het woord des profeten, kwamen ze allen.
Daar kwam leven in de trage massa ; men zette zich aan den arbeid. Daar was niemand onder hen, die ledig was. , Een elk was met den bouw in eenig opzicht bezig.
Als eertijds in de woestijn van Sinaï : „toen de mannen en de vrouwen kwamen, alle vrijwilligen van hart, om het hunne tot het werk bij te dragen".
Als later, toen de pas geboren Kerk des Nieuwen Testaments in de opperzaal vereenigd was, en zij allen vervuld werden met den Heiligen Geest.
Zooals het eertijds en later was, zoo moet het ook nu zijn bij onzen tempelbouw, bij onzen arbeid tot verbreiding en verdediging der Waarheid.
Daar mag niemand zijn, die zich onttrekt. Maar vreugde moet men aan dien arbeid zich geven. met ik weet wel, dat daar velen zijn, die tot de tragen niet behooren, maar er zijn toch ook, die al te veel zich onttrekken.
Dat is vastgesteld aan de hand van nauwgezet onderzoek. De oorzaak van dat onttrekken kan velerlei zijn.
Men acht zich onbekwaam ; maar geldt het dan ook hier, niet, dat Gods genade genoeg zal zijn, omdat Zijn kracht in zwakheid wordt volbracht ?
Men is bevreesd, dat de uitwerking teleur stellen zal, maar vermaant dan de Prediker niet; „alles, wat uwe hand vindt om te doen, doe dat met uwe macht"?
De Psalmist vraagt, wat hij den Heere vergelden zal voor al de weldaden, hem bewezen. Die Gods weldaad gesmaakt heeft, die zal gedrongen worden door de liefde van Christus ook in dezen onzen arbeid.
Daar ligt de kern.
Die naar het woord van Petrus gekomen zijn tot den Levenden Steen, van de menschen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar, die daarop als levende steenen gebouwd zijn tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, die zullen ook hun roeping verstaan.
Van de dooden gaat geen werking uit - tenzij de werking der ontbinding.
Maar van de levenden mag het goede verwacht worden. Zij hebben hun Kerk hartelijk lief. Zij doen wat zij kunnen tot heil van die Kerk, een elk op de plaats, door den Heere hem gewezen.
Zij komen aan om het werk te verrichten. Niet maar bij wijze van tijdpasseering, maar werkende, eerlijk en met ernst, wetende dat hun werk een werk Gods is.
Van Christus staat geschreven : „de ijver van Uw huis heeft Mij verslonden".
De apostelen waren menschen vol geestdrift. Apollos was vurig van geest.
Dat vuur en die geestdrift moge gevonden worden bij allen, die gevoelen voor het streven van onzen Bond ook in de naaste toekomst.
Maar zal die arbeid dan met zegen bekroond worden ? Weet ge hoe het ging met den tempelbouw van Haggaï ? Daar was reeds aanstonds tegenstand, waardoor men eerst den moed liet zakken. Doch later werd de arbeid hervat en rustte men niet eer de tempel gebouwd was.
Maar de vervulling der beloften van den zegen Gods bleef uit.
De jaren gingen voort, en alles bleef zooals het was.
Ging daar dan geen zegen uit van dien tempelbouw ?
Was dan de tempel tevergeefs herbouwd ?
Neen — niet tevergeefs ! Want wat zou Israël geworden zijn zonder dien tempel ?
Wat wordt er van een volk zonder Kerk, van een stad zonder tempel ?
Alles verbrokkelt en valt uiteen — men gaat duizenderlei wegen, maar niet den eenig goeden weg des levens.
Zal onze arbeid met zegen bekroond worden ? Ziende op den omvang van dien arbeid, vragen we : „hoe zal dit alles kunnen geschieden ? "
Daar was veel tegenstand in het verleden. Daar is veel tegenstand in het heden. Daar zal veel tegenstand zijn in de toekomst. Het zal aan verdachtmaking niet ontbreken. Maar daarom den moed niet verloren !
Of we ons doel ooit zullen bereiken — ons ideaal ooit verwezenlijkt zullen zien — onze Kerk ooit hersteld zullen weten — wij weten het niet. God weet het alleen.
Maar dit zal altijd een zegen zijn, dat daar één doel is, waaromheen allen geconcentreerd blijven, die de Kerk en de belijdenis liefhebben.
Nu blijft onze geestelijke schat bewaard bij allen, die zich saam verbonden weten tot één zelfde doel. Naar de bereiking van dat doel moge dan onze arbeid ook verder gericht zijn.
Dat wij krachtig mogen zijn in den Heere en in de sterkte Zijner macht.
Ons vertrouwen stellende op Hem, Die beloofd dat Hij zijn zal met de Zijnen. heeft,
Neen — zulk een arbeid gaat niet om buiten het gebed. Maar zulk een arbeid wordt gedragen door het gebed. Salomo's tempel werd gebouwd in de stilte. Geen hamerslag, noch bijl werd gehoord in het huis, als het gebouwd werd. Zoo moge het zijn onder ons.
Arbeiden —in 't openbaar — maar die arbeid gedragen door een arbeid in de stilte.
Door het gebed in de: stilte van het bidvertrek.
God leide velen naar die plaats.
Want die daaruit uitgaan, gaan uit niet in eigen kracht.
Zij gaan uit in de wapenrusting Gods, omgord met de waarheid, en het borstwapen der gerechtigheid, en de voeten geschoeid met bereidheid van het evangelie des vredes, bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, den helm der zaligheid en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods. Woord.
God schenke voor de toekomst veel van zulke strijders. Dan zal de Heere den zegen niet achterhouden.
En zullen zij het mogelijk in den aardschen tempel niet aanschouwen dat alle knie zich buigt voor den Koning der Kerk en alle tong Hem belijdt.
hiernamaals mogen zij ingaan in den eeuwigen tempel Gods, waar alles vervuld zal zijn van Hem, .Die de weg| is, de Waarheid en het Leven.
Ik heb gezegd.
J. C. WOLTHERS, Onstwedde. Voorz. Herd. Comm.
3. Herdenkingsrede van Ds. J. Goslinga, te Utrecht, lid van het Hoofdbestuur.
Op den morgen, die voorafging aan de vergadering, waarop de Gereformeerde Bond in het openbare leven zijn intrede zou doen, zat een jong Bedienaar des Woords in een der nabije pastorieën van de Bisschopsstad. Hem werd een pen aangeboden met deze woorden : „wanneer ge soms uw doodvonnis wilt onderteekenen als Predikant bij de Ned. Hervormde Kerk, doe het dan hier en niet elders. Want tot doleantie voert de vergadering van heden per sé".
Dit gevoelen stond niet op zichzelf. Het leefde in zeer vele harten, 't Spreekt vanzelf dat dit niet weinig, in de hand werd gewerkt door de voorstelling welke de kringen, die de Gereformeerde beginselen niet sympathiek waren, er aan gaven.
Een nieuwe doleantie, een nieuwe scheuring, zoo werd van verschillende kanten de inzet van den Gereformeerden Bond genoemd.
Het gevolg van een en ander was dat verreweg de meeste gemeenten van Gereformeerde belijdenis, met hare predikers, op eenigen afstand bleven staan.
Nu is zulk een verschijnsel aan onzen landaard niet heelemaal vreemd. Spreekwoorden als „voorzichtig aan", „Niet gaan over ijs van eenen nacht", „Eerst eens afkijken", „'t Kan later nog gedaan", zeggen genoeg. Wat men niet kent, en wat men niet van alle kanten heeft bezien, wordt maar niet zoo dadelijk aanvaard.
Voorzeker is deze trek niet al te zeer af te keuren. Zou hierdoor niet veel goeds zijn bewaard gebleven? Heeft de moderne tijdstroom al niet genoeg weggespoeld ? Elke verandering is nog lang geen verbetering. Een voorzichtig beleid mag veeleer, worden geprezen dan gelaakt.
Toch zijn ook hier, gelijk aan alles op deze zondige wereld, zekere grenzen gesteld. Het booze en verkeerde zou bij deze voorstelling van zaken een al te gemakkelijke bestaanszekerheid verkrijgen. Dat is zekerlijk naar den Woorde Gods niet. Dit moet worden bestreden. Daartegen moet de strijd worden aangebonden. De werkelijkheid leert ons dit, dat een zaak zoo kan verworden, dat de oorspronkelijke opzet en bedoeling geheel verloren dreigt te gaan. Zoo komt het voor, dat iets wat schijnbaar nieuw is, toch in den grond niet anders mag heeten dan de strijd om het oude. Het oorspronkelijke wordt dan weer opgediept. Om dit met een voorbeeld uit het dagelijksche leven toe te lichten.
Telkens maken de bladen melding van een of andere vondst op het kunstgebied. Een schilderstuk is ontdekt van een vermaarden kunstenaar. Een langen tijd heeft het gesluimerd, niemand weet waar.' 't Hing in eene omgeving, waarin niemand ook maar het flauwste vermoeden had van deszelfs waarde. Een dikke verflaag had een onkundige weten aan te brengen, meenende het hierdoor in waarde te doen stijgen. Eilacie, het was verdorven, geheel. Totdat een kenner het zag, en na een grondige bewerking het weer in onvergelijkelijken glans liet schitteren.
Deze laatste bewerking, was wel iets nieuws, maar bedoelde niet anders dan het oude weer in het juiste licht te plaatsen. Zoo en niet anders was het doel en de opzet van den Gereformeerden Bond tot vrijmaking van de aloude Ned. Hervormde (Geref.) Kerk in dezen lande. Geen ander doel zat bij deze mannen voor dan kerkherstel, dan waarachtige kerkopbouw. Wij denken er zelfs niet aan in onze herinnering terug te roepen de schampere woorden en de grove verdachtmakingen, waaraan de voortrekkers en leiders van den Gereformeerden Bond langen tijd hebben blootgestaan. Het antwoord in de kwarteeuw, daarop gegeven, spreekt duidelijk genoeg. Men zocht vrij te worden, vrij in den zin van Gods Woord, vrij zooals onze vaderen dit altijd hadden verstaan door gehoorzaamheid alleen aan het Woord des Heeren." Het eerste en het laatste "beroep in alles moet immer zijn en blijven : „daar staat geschreven". Elke afwijking hiervan levert onnoemelijke schade. Op elk terrein des levens blijkt dit, vandaar dat inzonderheid hier, op het kerkelijk erf, bij alles wat; aan den Woorde Gods zich gebonden voelt nooit of te nimmer een stilzitten gevonden wordt.
Onze Gereformeerde voormannen riepen het volk tezaam om, zoo het Gode beliefde, te komen tot wederoprichting van de Kerk, aan welke we door de teerste banden verbonden zijn, uit haar diepen val. Zij ligt n.l. vast aan banden, welke niet in overeenstemming zijn met haar wezen. Deze moeten worden losgestrikt.
Niet zonder eenig opzet kozen wij dit laatste woord. Want van meer dan één kant werd met meer dan gewone belangstelling afgewacht wat nu stond te gebeuren. Werd met vrijmaking niet bedoeld wat door meerderen was gedaan? Eenvoudig de kerkelijke banden verscheuren — of wilt ge het in een bekenden term : afwerping van het juk ?
Neen, daaraan werd zelfs niet gedacht in dit kamp. Gezien de uitkomsten, geleerd door de ervaring, onderwezen door hooger Hand, werd onmiddellijk het woord doorgegeven „geen scheiding, maar vrijmaking".
Werd door een regeeringsdaad deze band aangelegd, door een nieuwe regeeringsdaad moest deze ook wederom worden losgemaakt. Wij maken niet vrij, maar wij kloppen als lieden, die langs den weg van onderworpenheid en afhankelijkheidszin den klopper op de poorte zullen laten vallen van den hoogsten Regeerder en bij hen die over ons zijn gesteld , 't Is niet zonder 's Hoogsten bevel, en wel mede door onze schuld, dat wij in dezen treurigen toestand zijn gekomen. Onze Bond is met gebed begonnen. Niet licht zal ik vergeten met welke klanken de huidige Pastor van Houten, ds. Dekking, bij het sluiten der vergadering den Heere ons pogen voorlegde, 't Was in den geest van Psalm 74.
Geef 't wild gediert, dat niets in 't woên ontziet, De ziele van uw tortelduif niet over ; Laat, groote God! om een gehaten roover, Uw kwijnend volk niet eeuwig in 't verdriet. Rijs op, o God ! rijs op, toon uw gezag; Betwist uw zaak, wees onze pleitbeslechter ; 't Is meer dan tijd: gedenk, o hoogste Rechter! Wat smaad de dwaas U aandoet dag op dag.
Daar trilde iets niet alleen in mijne ziel, maar in die van talloos velen, 't Ging om Gods zaak. Zijn Naam werd smaadheid aangedaan. Daarom werd Zijn genadige hulpe afgesmeekt.
't Is wel eens noodig, deze teere herinneringen nog eens opnieuw aan onzen geest te doen Voorbij gaan. Een herdenkingsure in dezen zin is zelfs gebiedend. De Heere wil het. Wij mogen niet enkel leven in het heden, begeerig zijnde om in te zien in de toekomst, maar wij moeten het aandurven om eens aan het allerkleinste begin te worden herinnerd. In het kleinste schuilt vaak juist het groote. Daaraan moet het heden worden getoetst. Immers dan zal ook met vertrouwen de toekomst kunnen worden tegengeblikt. Als de Heere de eerste is, zal Hij zorg dragen voor den voortgang en het einde, 't Beginsel, dat wij Gereformeerd noemen, heeft toch niet anders in, dan dat God alles doet. Wij moeten dit eiken dag weer opnieuw leeren het in Zijne hand te stellen.
Dit zijn de grondslagen waarop de Gereformeerde Bond is opgetrokken. Niets anders werd door onze voortrekkers bedoeld dan in biddend opzien, en dan schouder aan schouder, en knie naast knie achter den Heere aan te gaan. Wie dit verstaan mag heeft het ook geleerd, dat niet naar een systeem, door menschenhand ontworpen, aan den opbouw kan worden begonnen of hiermede.worden voortgegaan. God, als de Bouwheer weet het, wij weten 't niet.Telkens en telkens worden er bevelen uitgereikt, waarvan wij de beteekenis niet vatten. Ieder oogenblik komt er iets anders uit dan wij hadden gedacht en verwacht. Noem dit teleurstelling of: wilt ge een krasser woord : er wordt weer afgebroken wat ge gebouwd hebt — het feit voert u telkenmale tegemoet : de Heere opent en Hij sluit. Zult ge in Zijn dienst staan, zoo moet gij u laten gorden. Wat gij gedacht hebt en gehoopt, is voor geene verwezenlijking vooralsnog vatbaar.
Zo is het nu precies met onzen Gereformeerden Bond gegaan, 't Is geen verbeelding, maar letterlijke weergave van de feiten. Gij, zoo sprak de Allerhoogste, ziet uit naar het moment — en dat is alleszins te verstaan — dat de strikken zullen worden losgestrikt door dezelfde hand, die ze heeft aangelegd. Bij Mij ligt het vermogen, bij Mij is ook het recht, doch ik doe het niet. Gij zult moeten leeren wachten. Ik open voor u vooralsnog geen andere deuren, dan het Woord. Mijne verlossing komt altijd van een andere zijde dan ge denkt. Laat Mijn Woord eens spreken. Speurt Mijn gangen maar na. Hoe waren Mijn daden van ouds ? Weet ge wat immer voorafgaat ? „Mijn Woord". — Zie dat heb Ik u gelaten, onverminkt. Dit is voor u vastgelegd. Daarbij heb Ik u de werking Mijns Geestes getoond. Hoe was ik in uw midden in de dagen van voorheen ? Als Een, Die met geestelijke en tijdelijke goederen overlaadt. Zijn er kostelijker blijken van Mijn gunst denkbaar ? Nu, Mijn gangen in het midden van Mijn volk in de heirbaan des heils, zijn nog voor u zichtbaar in de belijdenis. Wees trouw in datgene, waarin ik u, met voorbijgaan schier van elk volk ter wereld, nog vrij liet Gij hebt nog de onverminkte belijdenis. Waaraan de vijand, in de dagen die vervloten, zich ook heeft vergrepen, daarvan weerde Ik met eigen hand zijne vingeren af. Draag zorg dat deze wederom in het volk worden ingedragen. Begin daar, waar ook het bederf het eerste uitbrak : op de katheders van de Hoogeschool. Predik het Woord, door mannen, die Ik daartoe bekwaamd heb. Ik zal zorgdragen èn voor het een èn voor het ander.
Zoo is gekomen een Leerstoelfonds en een Professor. Ja, zou aan de waarheid niet te kort worden gedaan, wanneer de laatste niet in het meervoud werd genomen. Op deze plaats wordt nog een eerbiedige herinnering gewijd aan den helaas te vroeg verscheiden prof. van Leeuwen. Ook zijn arbeid stond in het teeken geheel van de Gereformeerde belijdenis.
Wonderlijk zijn Gods gangen.
In die dagen, dat aan oprichting werd gedacht en een voorbereiden tot een Leerstoelfonds volle aandacht vroeg, stond in ons midden nog onze vriend Fliehe. Hij was heelemaal geen mensch van de studeerkamer. Zooals hij het zelf telkens uitdrukte : ik heb niet het minste verstand van Professoren. En toch vloeiden de giften voor den op te richten Leerstoel vanzelf. God deed het. 't Was beschamend. Men werd er klein onder. En zooals het ging met het fonds voor den Leerstoel ging het precies ook met den Professor. Waar wij meenden, dat er kans was van slagen, wiekte de mogelijkheid weg, en toen wij op tal van vragen geen antwoord wisten, stond hij opeens voor ons en in ons midden.
Wij hadden een Professor. Doch daarbij zou het niet blijven. Door wie het eerst het idee is geopperd, 'k zou 't u waarlijk niet kunnen vertellen, 'k Vermeen dat het haast voor de hand ligt, dat deze vraag is gekomen van uit de Gemeenten zelf. Of zou het nog anders moeten worden geformuleerd : God riep weer iets nieuws in het leven. Zorg er voor, dat er predikers worden gevormd. Een Leerstoelfonds is prachtig, een Professor te hebben, 't wordt door zeer velen u benijd, maar waar naar talloos vacante gemeenten in ons vaderland uitzien is Gereformeerde candidaten.
Zouden de eischen niet te hoog worden gesteld, en de zorgen te zeer groeien, zoo werd van meer dan één kant gevraagd ? |
Welneen, waar God honger wakker roept, zorgt Hij ook voor brood. Met geen cent bezit zijn wij uitgegaan. Alles moest van giften en gaven komen. Aan een balans opmaken werd niet eens gedacht. God deed het. Hij maakte het voor wie de zorg hadden, zoo gemakkelijk, dat hier niet aan zorgen doch aan lusten nog alleen werd gedacht. De uitgaven van het laatste fonds bedroegen in het laatste jaar een kleine 25000 gulden.
Laten we de dingen eens zien in hooger licht. De zichtbare dingen zijn voor ons tolken van onzichtbare genade. Gods Naam zij groot gemaakt. Zijn voorlichting in deze blijve ons in gunst nabij.
't Zou alleszins te verklaren zijn, dat van meer dan een zijde de opmerking gemaakt werd : nu zou ik toch maar niet naar meerdere werkzaamheden omzien, de zaak zou anders wel eens al te zeer kunnen worden overladen. Te verklaren zou het zijn, maar wat moet worden geantwoord aan die gemeenten, waar de Bediening des Woords zoo alleszins droevig is, dat men als vanzelf zich genoodzaakt ziet om te zien naar eenig hulpmiddel. Help ons toch aan godsdienstonderwijzers. Help ons toch, om onze zaak, die toch niet anders bedoelt dan de verbreiding en verdediging der Waarheid in onze naaste omgeving, in het leven te houden.
Daar staan in ons midden tal van Evangelisaties, welke roepen om geestelijken en stoffelijken steun. Onttrekt u eens als ge durft, ge kunt niet.
Zou het hierbij nu voorloopig niet blijven kunnen ? Wij twijfelen als we hooren hoe niet alleen naar godsdienstonderwijzers wordt omgezien maar nog veel sterker naar onderwijskrachten in de gewone lagere school. Geef ons een school, voor opleiding, zoo hoort ge van verre en van nabij.
Vooralsnog werk te over. Vooralsnog arbeid genoeg. 't Is alsof wij des Heeren eigen stem beluisteren : gordt den gebedsriem om, en laat uwe gezamenlijke bede rijzen : stoot uit in uwen wijngaard, Heere, nieuwe arbeidsliên. Laat al hun bekwaamheid, van hoog tot laag, al hun bezieling ontleend worden aan U. Want bij U zijn krachten te over. Dat wij tezamen blijven bedenken, wij vormen een bond, die alleen de samenbindende kracht ontleent aan God Zelf. Wij vormen een bond, waarop veler oogen zijn gericht, van vriend en vijand.
Schoone deviezen leggen hooge verplichtingen op. Verbreiding en verdediging van de Waarheid klinkt schoon. Vrijmaking moge niet worden afgelezen in zichtbaren klankvorm, zij staat er nog evenwel. Vrijmaking van banden, losgesp van strikken door zondige menschenhand aangelegd, blijve onze dagelijksche bede, opdat het eens worden moge eene belijdende Kerk, welke de Waarheid Gods laat flonkeren naar alle zijden en waarin de vrienden der Waarheid elkander begroeten met deze bekentenis : onze samenbindende kracht vloeit uit - één Christus, wordt geleid door één Geest, is Gode verheerlijkend. Amen.
4. Slotwoord van Ds. M. van Grieken, te Rotterdam, Voorzitter van den Geref. Bond.
Nu ik een enkel woord mag spreken in deze gewijde ure, is hoofd en hart vol van vele herinneringen. Allereerst omdat onze samenkomst hier in Veenendaal wordt gehouden, in het kerkgebouw, dat een zoo waardige en heilige herinnering is aan onzen onvergetelijken vriend ds. Jongebreur. Maar meer nog omdat dit samenzijn bedoelt het feit te gedenken, dal de Gereformeerde Bond nu vijf en twintig jaar bestaat.
Groote, blijde dankbaarheid is nu in mijn hart. En dat niet allereerst, omdat ik vijf en twintig jaar lid van den Gereformeerden Bond ben, ook niet omdat ik bijna vijf en twintig jaar als voorzitter, eerst officieus en later officieel, gefungeerd heb. Ook dat is voor mij oorzaak om God oodmoedig te danken.
Maar mijn innige dankbaarheid en vreugd spruit voornameiijk hieruit voort, dat de Gereformeerde Bond er mag zijn, in het midden van de Ned. Hervormde (Geref.) Kerk, nu vijf en twintig jaar.
Dat bewijst, dat onder ons min of meer bewust gevoeld wordt, dat we de Kerk noodig hebben ; de Gereformeerde Kerk, levend uit de groote heerlijke reformatorische beginselen. En dat we die Kerk des Heeren, levend uit haar verheerlijkt Hoofd Jezus Christus, noodig hebben als Kerk in het midden van ons volk, met de gezinnen, met de geslachten op het nauwst verbonden.
We moeten niet hebben het geestelijk drie- of viertal, dat in tabernakelen woont op den berg der verheerlijking, hoe verleidelijk ook voor individiualistische geesten. We moeten niet hebben sectarisme, dat afgesneden is van het groote geheel, hoe zoetelijk streelend het samenwonen met lieve geestverwanten in eigen kring of club kan zijn (zoo lang het duurt). We moeten hebben de Kerk van Christus, die door den God des Verbonds is vastgemaakt aan ons volk en die door Christus wordt vergaderd, beschermd en bewaard, door Zijn Geest en Woord.
Die Kerk van Christus is misvormd onder ons geweest, is hervormd onder ons geworden, is ook weer ontvormd, moet hersteld worden, moet herbouwd, moet gereorganiseerd, moet gereformeerd worden.
En vijf en twintig jaar nu hebben we in en met onzen Gereformeerden Bond nu mogen worstelen om het herstel en den opbouw van de aloude Gereformeerde Kerk, waarbij we anderen andere wegen hebben zien inslaan, maar waarbij wij, met duizenden in den lande, hebben geworsteld, gewerkt, gezocht, gebeden : om het herstel van het huis onzer Vaderen.
Groote smart is gevoeld over den grooten afval all wegen. Stil bewonderend hebben we aanschouwd de talloos vele bemoeienissen van trouw des Heeren die, als de God des Eeds en des Verbonds, trouwe houdt tot in eeuwigheid. Veel scheuring, veel verbrokkeling hebben we gezien ; veel strijd en moeite hebben we doorgemaakt en onze ziel heeft er niet zelden pijnlijk onder geleden. Maar groote, innige dankbaarheid is er in ons hart, nu, in dezen stond vol van gewijde herinnering, nu we geloovig mogen getuigen: de Heere heeft de Kerk, van ouds onder ons geplant, den scheidsbrief niet gegeven ; de Heere, de God des Verbonds, heeft ons volk en vaderland nog niet verlaten, wat we op de meest vertroostende wijze meer dan eens hebben ervaren.
Wanneer de Gereformeerde Bond iets heeft mogen zijn voor Kerk en Volk, dan is het niet uit en door ons. Dan is het een wonder van Gods liefde en trouw. En daarin ligt tegelijk de oorzaak van ons blij geloof, dat de Heere onzen Gereformeerden. Bond ook in de toekomst niet zal begeven noch verlaten. Ging het alles om onzentwille, dan zou het einde van Gods liefderijk bemoeienissen spoedig aanstaande zijn, maar juist nu we mogen weten en telkens hebben ervaren, dat Hij het doet om Zijns Zelfs wil, gaan we met blij .vertrouwen de tweede vijf en twintig jaar van ons Bondsleven in.
En vallen de menschen weg — zullen ook wij weldra niet meer zijn, de Heere telt bij Zijn werk niet met jaren. Hij is de eeuwige. En waar Hij door menschen werkt, is Hij aan menschen niet gebonden. Hij roept ze. Hij gebruikt ze. Hij lost ze af, Hij zendt anderen weer om de ledige plaats in te nemen. Zóó zijn de gangen des Heeren vanuit Zijn heiligdom.
Zoo is het het werk Gods, en van niemand anders. Zoo moet het blijven ! Hem willen we dan ook dezen avond eeren en danken met de belijdenis uit 's harten diepsten grond : Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der Eeuwigheid. Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's