De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

1906-1931 Herdenkingssamenkomsten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

1906-1931 Herdenkingssamenkomsten

89 minuten leestijd

ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk
II.
Herdenkingssamenkomst in het Jaarbeursgebouw te Utrecht, Donderdag 16 April.

MORGENVERGADERING.
Het was een groote schare van mannen en vrouwen, allen leden van den Gereformeerden Bond, die om kwart voor elf de dinerzaal van het Jaarbeursrestaurant te Utrecht geheel met belangstellenden gevuld deed zijn. Thans was dan de dag gekomen, die reeds lang was voorbereid en waarnaar velen meelevend hadden uitgezien. Nu was de dag voor de officieele herdenkingsvergadering bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in het midden van de Ned. Hervormde (Geref.) Kerk.
De Voorzitter, Ds. M. van Grieken, van Rotterdam, opende de bijeenkomst precies op den aangegeven tijd door te laten zingen Psalm 103 vers 9 : „M!aar 's Heeren gunst zal over die Hem vreezen, in eeuwigheid altoos dezelfde wezen", waarna hij voorlas een gedeelte uit Epheze 4 en voorging in gebed. In zijn uitvoerige openingsrede gedacht hij vervolgens in vogelvlucht de voorbijgegane jaren en wierp hij een blik vooruit in de toekomst. Als thema had hij gekozen :

HERINNERINGEN EN PERSPECTIEVEN.
Zijn openingswoord luidde aldus :
Geachte Vergadering, Broeders en Zusters, leden van onzen Gereformeerden Bond.
Het 25-jarig bestaan van onzen Gereformeerden Bond roept ons een oogenblik stil te staan op den weg ; en wij hebben allen gaarne gehoor gegeven aan de uitnoodiging om hier in Herdenkingssamenkomst met elkander te vergaderen.
Dat herdenken is heilige plicht.
God heeft ons daarvoor ook met Zijne goede gaven toegerust. De onbewuste schepping mist dat voorrecht. Maar den mensch gaf God dat wonder vermogen, dat hij in de herinnering kan vastknoopen het verleden met het heden, om nog eens te doorwandelen de wegen die ver achter ons liggen, om nog eens te doorleven hetgeen dat voorbij is gegaan, om nog eens te doorvoelen hetgeen reeds lang geleden geschied is.
Bij die herinnering kan voor den mensch óf de vreugd of de smart overheerschen, al naar mate er blijde of droeve gebeurtenissen te gedenken zijn. Hoe het ook zij, toch zal bij den Christen nooit de dankbaarheid mogen ontbreken, omdat de Heere altijd veel meer heeft geschonken, dan wij verdiend hebben.
In onzen kring mag blijdschap en dankbaarheid worden gevonden, omdat de herinnering op een dag als heden, aan onzen geest doet voorbijgaan, dat de Heere onzen Gereformeerden Bond niet alleen 25 jaren gespaard heeft en ons in het leven bewaard, maar Hij heeft onzen Bond doen groeien in omvang, doen toenemen in kracht, en heeft ons zooveel arbeid en zooveel invloed gegeven, dat we waarlijk geen reden hebben, asch op ons hoofd te leggen en een zak om onze lendenen te slaan, maar blij van hart mogen we vandaag het vreugdekleed dragen.
O, zeker ! Wij weten het allen wel en we willen er dadelijk uiting aan geven, de hand des Heeren is zwaar op ons geweest en de slagen, de verliezen zijn ons niet gespaard.
Wat zou het een vreugd geweest zijn voor onzen besten vriend FLIEHE om dit zilveren feest van onzen Bond mee te vieren. Wat zou onze tweelingbroeder Ds. JONGEBREUR hebben geglunderd, wanneer hij had mogen beleven om vandaag en gisterenavond in ons midden te verkeeren en met ons te mogen gedenken wat de Heere aan onzen Bond gegeven heeft en door onzen Bond heeft willen doen. Ook denken we aan Ds. BEEKENKAMP, wiens graf nog versch gedolven is, aan Ds. BOONSTRA, den heer Smit, ds. VAN DER SLUIS, bestuursleden, die den Bond door den dood ontnomen werden.
Ja — de verliezen zijn wel heel groot en heel pijnlijk geweest. Waarbij het plotselinge, het vreeselijke, het geweldige van het sterven van Ds. JONGEBREUR, eerst zoo: ; vele jaren Secretaris en daarna op zoo voortreffelijke wijze Penningmeester van onzen Bond, ons nog als in het bloed zit; zoodat we bij tijden nog huiveren en de traan in het oog gevoeld wordt.
Maar, zij die gestorven zijn, zouden ons op een dag als vandaag toeroepen, wanneer zij in ons midden waren, dat wij vast en zeker verkeerd zouden doen, indien we om hunnentwil zouden zwijgen en niet blij zouden getuigen met dankbare erkentenis wat goeds de Heere aan ons gedaan heeft. „Laat er geen stilzwijgen bij U zijn" — hooren wij hen ons toeroepen.
En neen, wij zullen niet stilzwijgen. Wij willen spreken en getuigen. Want wij achten het een goede gave van onzen God, dat wij met elkander in deze Herdenkingssamenkomst als broeders en zusters van hetzelfde huis mogen gedenken, hoe nu 25 jaar ons de Heere heeft gunst bewezen en wij willen de wonderen gadeslaan, die Hij onder ons heeft verricht.
Wel is er een spreekwoord : „Spreken is zilver, maar zwijgen is goud" ; en spreekwoorden kunnen dikwijls kernachtig geweldige dingen, uit de practijk des levens genomen, ons voor oogen stellen, zoodat het goed is ze niet roekeloos in den wind te slaan ; maar al zijn er tijden, die onze levenswijsheid zeer op de proef kunnen stellen, waarbij er meer karakter en meer Christenzin openbaar wordt, wanneer we zwijgen? dan dat we de woorden tusschen onze lippen laten ontglippen, omdat de duivel zelf gereed staat om er bitterheid en verwarring door uit te zaaien — zoo voelen we nu in het diepst van onze ziel, dat we voor het goud van het zwijgen het zilver van het spreken niet behoeven, ja, niet mogen ongebruikt laten. Daarom zal er ook geen stilzwijgen onder ons zijn, maar we zullen des Heeren lof verkondigen en dankbaar gedenken wat Hij aan goeds onder ons heeft gedaan.
In de herinnering — zeiden we — heeft de Heere aan den mensch die wondere en heerlijke gave gegeven, dat hij in het heden nog weer terug leven kan in de dagen en jaren, die lang voorbij zijn gegaan. En we zien ons vergaderd, nu 25 jaar terug, in het Tehuis voor Militairen ; we zien ons terug in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen 18 April 1906 in de zij-zaal beneden ; we hooren en zien Prof. Visscher oreeren ; we zien Ds. Gewin staan in de avondsamenkomst in de groote Concertzaal en we hooren de stem van Dr. De Lind van Wijngaarden, , , we zien den heer Duymaer van Twist in actieven dienst, om, warm van hart en welsprekend door liefde de schare op te wekken tot bidden, arbeiden en strijden. Zelf hebben we toen gesproken over het onderwerp : „Geen Kerkgemeenschap zonder waarborgen van geloofsgemeenschap", in aansluiting aan een woord van Mr. Groen van Prinsterer, uit zijn boekje : „De Maatregelen tegen de Afgescheidenen".
Toen was „De Gereformeerde Bond tot vrijmaking van de Nederl. Hervormde Kerken" opgericht.
Heel voorspoedig ging het toen met onzen Bond niet. Het woord „Vrijmaking", de omschrijving „Ned. Hervormde Kerken", uitdrukkingen als „Verdelen en Scheiden" en het overgooien van den wissel van het kerkelijk terrein naar het terrein van de politiek om daar de „vrijmaking" te verkrijgen, benevens het verheerlijken van het splitsingsproces — en ook nog wel andere dingen — werden oorzaak, dat velen, zeer velen, die we toch niet konden en wilden missen, zich niet alleen afzijdig hielden, maar zich tegen verklaarden en van verre bleven staan.
Bezwaarschriften, mondeling en schriftelijk voorgedragen en toegelicht, kwamen in. Conferenties werden aangevraagd en gehouden, maar het ging niet. Ook in den kring van het Hoofdbestuur was niet de noodige eenheid in gevoelens en gezindheid. En toen de eene bedankbrief na den andere binnenkwam, waren van de oprichters de heeren Duymaer van Twist, Ds. Jongebreur, van de Westeringh en ondergeteekende alleen nog maar overgebleven, intusschen aangevuld met de heeren Ds. Prins in de vacature Ds. van Mastrigt, Ds. van der Sluis in de vacature Dr. De Lind van Wijngaarden en Ds. Goslinga in de vacature prof. Visscher.
Op een buitengewone ledenvergadering 7 October 1909, drie jaar dus na de oprichting, gehouden in „Irene" alhier is beraadslaagd over de vraag : Ontbinden of Voortgaan ? Gelukkig is toen met algemeene stemmen — een honderdtal leden waren op de vergadering aanwezig — besloten tot voortgang, maar onder een anderen naam en in gewijzigden vorm. Als naam werd gekozen „Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in het midden van de Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk".
De doelstelling werd in art. 4 aldus omschreven : „Om mede daardoor te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar van ouds door den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619".
Het object, het voorwerp, waaraan al de aandacht zou worden geschonken, was de Hervormde Kerk, die zoozeer in verval was ; en het herstel, de wederoprichting van die Kerk zou worden gezocht in den weg van de verbreiding van de Waarheid, met verdediging waar het plicht is en pas geeft. Daarbij stond de presbyteriale wijze van kerkregeering en kerkelijk samenleven ons voor oogen, gelijk de Dordtsche Kerkorde dat in beginsel aangeeft.
Uitgesproken is, dat we het herstel van die Kerk begeeren en zullen zoeken. Dat wij van scheiding of doleantie niet willen weten. Dat wij niet willen weten van kunstmatig uiteengaan en verdeelen, maar dat we zullen staan en strijden voor het herstel van de Ned. Hervormde Kerk, waar van we belijden, dat de Heere haar den scheidsbrief niet heeft gegeven, terwijl Hij Zijne bemoeienissen vele maakt.
Op die buitengewone vergadering 7 Oct. 1909 in „Irene" is als bestuurslid in onzen kring gekomen de jonge dominé van Vinkeveen, Ds. J. H. F. Remme, nu de waardige pastor van Amsterdam. Naast ds. Remme, den oud-Delvenaar, trad in onzen kring binnen de heer J C. Fliehe uit de Prinsenstad, waar hij een niet onbelangrijke plaats innam in den kring der Herv. Gereformeerden, in welke hoedanigheid wij hem later hebben leeren kennen en waardeeren en liefhebben, toen wij ook zelf Delvenaar waren geworden (1910).
De heer Fliehe is aanstonds in 1909 penningmeester geworden en wij hebben in den loop der jaren gevoeld en het ook gaarne getuigd, dat hij ons als een gave Gods is geschonken. Zelf heeft hij een groote vreugd mogen ontvangen in zijn leven door het werk van den Gereformeerden Bond en wat heeft hij velen tot vreugd en zegen mogen zijn, door zijn bondsarbeid, waarvoor hij zeldzame gaven van den Heere had ontvangen. Penningmeester bij de gratie Gods kon hij bedelen zooals niemand, hij kon bidden als een gezalfd Christen. Werken kon hij voor tien, geven met een blijmoedig hart en hij kon vergaderen en bewaren als een goed rentmeester. En mee door zijn arbeid is de Gereformeerde Bond tot groei en bloei gekomen, ook omdat men voelde, dat het doel eerlijk en trouw voor oogen werd gehouden, om te werken in het belang van de Ned. Hervormde Kerk. Het hoog en heilig ideaal was saam te arbeiden aan haar herstel en wederoprichting, niet om als een sectekerk afgesneden van het groote geheel te staan, maar als de Kerk onzer Vaderen, de aloude Gereformeerde Kerk, in het midden des volks. Zooals Calvijn in Geneve het een voorrecht achtte uit onderscheidene landen jonge menschen rondom zich te vergaderen, om ze na een bepaalden studietijd als dienaren des Woords terug te zenden, zoo beschouwde Fliehe gymnasiasten, studenten en candidaten, die de waarheid liefhadden en predikant in de Ned. Herv. Kerk wenschten te worden, als zijn geestelijke kinderen. En aan hem hebben wij het te danken, dat naast het Leerstoelfonds al spoedig het Studiefonds in het centrum van onze Bondsactie en in het midden van de liefde van duizenden kwam staan. Wie weet er in ons vaderland niet van het Studiefonds van den Gereformeerden Bond ? En het is voornamelijk door het werk van Fliehe. Hij was een buitengewoon verstandig en schrander man, een filosoof bij de gratie Gods, die dwars door allerlei kwesties en ook dwars door personen heen keek. Als vriend van Kohlbrugge droeg hij er leed over, dat de Hervormde Kerk de schande over zich gehaald had om een godzalig man, van zoo buitengewone Schriftkennis en zeldzaam inzicht in de geestelijke waarheden, op zoo geniepige wijze te verhinderen predikant te worden. En FLIEHE wilde de wraak eens Christens smaken, door aan de Hervormde Kerk een groote bezending Gereformeerde Dominees thuis te sturen. Op voorbeeldige wijze heeft Ds. JONGEBREUR het werk van FLIEHE voortgezet, terwijl we nu in Ds. VAN DER SNOEK een waardig opvolger hebben gevonden.
Door de besprekingen en de besluiten van de buitengewone ledenvergadering in October 1909, is ook nog iemand anders in onzen kring gekomen. „DE WAARHEIDSVRIEND", ons wekelijksch orgaan. In het begin van onze Bondsactie hadden we een gedeelte van het Gereformeerd Weekblad, staande onder redactie van Dr. De Lind van Wijngaarden en Prof. Visscher, tot onze beschikking ge» kregen. De heer Duymaer van Twist, ons bestuurslid, om zijn trouw en toewijding onder ons vermaard en bemind, schreef daar geregeld in, ook ondergeteekende, ook zoo nu en dan Ds. Jongebreur. Maar toen er zooveel strubbelingen kwamen in onzen kring, ontviel onzen Bond ook het Gereformeerd Weekblad en waren we zonder pers. En wat is nu een Bond zonder orgaan ? Dat is als een mensch zonder mond. Daarom werd ook besloten een eigen orgaan op te richten en wel een Weekblad, om week aan week met de leden van den Gereformeerden Bond en vele anderen te kunnen spreken. In den heer FORTUIN, directeur van de N.V. Maassluissche Boekhandel en Drukkerij, vonden we een uitgever, en we hebben er nooit spijt van gehad, dat we anderen afgeslagen hebben en met hem een contract hebben gesloten. Keurig werk is ons week aan week geleverd en nooit is er in al de jaren van December 1909 tot nu toe ook maar één klacht over de drukkerij gevallen. Den heer FORTUIN en zijn personeel brengen we daarvoor op deze onze Herdenkingssamenkomst onzen dank.
Hulpe van God verkregen hebbende, staan we dan tot op dezen oogenblik en groote dankbaarheid vervult ons hart. De Heere is ons grootelijks genadig geweest, Hij heeft ons niet gedaan naar onze zonden, maar mildelijk Zijn barmhartigheden doen ervaren.
En nu de toekomst ?
Bij onze herinneringen komen perspectieven; die zich aansluiten bij wat we hebben. Misschien weet de heer Duymaer van Twist het zélf niet meer, maar 25 jaar geleden opereerde hij met een spin in de groote Concertzaal van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen op de avondvergadering, waar de stichtingsacte van onzen Gereformeerden Bond, die 's middags geteekend was, bezegeld is geworden.
Toen sprak hij de organisator bij uitnemendheid, die nooit te lui geweest is, om méér, om véél meer te doen dan recht toe zijn taak en werk was, de schare belangstellenden toe en bezwoer hen, dat zij nu huistoe zouden gaan, met dit ernstig voornemen, om voor onzen Gereformeerden Bond en voor onze Hervormde Kerk te bidden, te arbeiden en te strijden. En toen gebruikte hij het beeld van de spin, die zijn webbe maakt waar zij maar eenigszins een steunpunt vinden kan, om zoo haar woning kunstig te maken en haar voorraadschuur te bouwen. Zoo moesten nu vanuit Utrecht, het centraal punt van ons land en de zetel van onzen Gereformeerden Bond, over alle provincies en over geheel ons land de vangarmen worden uitgestoken, om velen voor onzen Bond te winnen. En daar is op gewerkt, niet het minst ook in den laatsten tijd door de Herdenkingscommissie, die zich buitengewoon verdienstelijk heeft gemaakt. De leden wonen in Noord en Zuid, in Oost en West.
„DE WAARHEIDSVRIEND" wandelt week aan week door alle streken van ons Vaderland, om mede te werken tot geestelijken opbouw, tot onderrichting in het Woord, tot oriënteering in de kerkelijke toestanden, om de belangen van Staat en Maatschappij te dienen, om te doen meeleven met school en vereeniging, om in „Financiën" met de allerbelangrijkste dingen te worden bezig gehouden en om uit te lokken tot offeranden, die Gode tot eer zijn, onze Bondsactie steunen en als een zegen wederkeeren voor velen. Duizenden en duizenden worden geofferd, zoo dat we steeds verbaasd staan — en waarlijk wij niet alleen — over de groote offervaardigheid die in onze Bondskringen, onder jongen en ouden wordt aangetroffen. Hierin komt de groote liefde uit, die duizenden hebben voor onze aloude Gereformeerde Kerk, die daar nog altijd staat in het midden des volks als een planting van Gods hand. Men heeft dien boom willen uitroeien, omhakken, afkappen — en kreupelhout zou welig opschieten hier en overal, zooals er reeds zooveel kreupelhout is. Maar de boom staat er nog door Gods genade. En waar er niet weinigen zijn die hem willen doen versterven, om hem te doen verschrompelen en te doen vergaan, zoo is er kennelijk eene bijzondere zorge Gods, om haar levenssappen en levenskrachten toe te voegen, waarin ook bijzonder onze Gereformeerde Bond zich verblijdt. Alle berekeningen ten spijt, staat onze Hervormde Kerk nog als een krachtig bewijs van Gods ondersteunende genade. En het is te betreuren, dat er zoo velen zijn, die niet opmerken dat bij al hun redeneeringen en al hun berekeningen telkens weer deze eene zaak ontbreekt: dat er nog een God des Eeds en des Verbonds is, die trouwe houdt tot in eeuwigheid, die het gebed Zijns volks hoort en zoo genadevol zegt: Wentel uwen weg op Mij en Ik zal het maken.
Wij weten het ook wel, dat deze factor tusschen de menschelijke berekeningen een dwaas figuur maakt. Want die menschelijke berekeningen sluiten als een bus en met zekerheid weet men het u te verzekeren, dat het hopeloos staat met onze Hervormde Kerk, maar dan doet de Heere onze God ons dwars door deze wijze redeneeringen des menschen hooren die wondere stem : Ik, de Heere, zal het maken ; Ik doe het niet om uwentwil, maar om Mijnentwil; Heere is Mijn naam.
De leden van den Gereformeerden Bond en allen buiten onzen Bond weten, kunnen en moeten weten, ons doel en streven. En ons perspectief hebben we als we staan voor het open venster dat uitzicht geeft op Jeruzalem. Niet, dat de aanblik dan zoo vol lieflijkheid is, want de muren zijn veelszins verwoest en we mogen wel medelijden hebben met het gruis van Sion. Maar staande voor het open venster, zien we in wonder lichtend schrift geschreven, telkens weer bij vernieuwing : Want de Heere zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijne erve niet verlaten. (Psalm 93 vers 14). Daarom ook ons Leerstoelfonds, om onze Hervormde studenten te helpen en beter toe te rusten tot de vervulling van hun ambt in de Kerk onzer Vaderen. Daarom ons Studiefonds, om het aantal Gereformeerde predikanten in de Hervormde Kerk te vermeerderen. Daarom ook onze Evangelisatie Commissie, die bedoelt Hervormde gemeenten, waar de Waarheid van den kansel is verdreven, te helpen tot opbouw en niet tot afbreken van die Kerk.
Hadden we die geestelijke geloofssperspectieven niet en bestond voor ons het uitzicht voor het geopende venster op Jeruzalem niet meer, dan zouden we den arbeid staken en een onderdak vragen elders, waar het beter is dan bij ons.
Maar door Gods genade zijn we daar nog niet aan toe ; integendeel, de sterke belangstelling in den tijd die achter ons ligt en het hartelijk meeleven van velen, ook onder de jongeren, die als met nieuw vuur bezield zijn en met nieuwe belangstelling willen voortarbeiden, geeft ons moed en krachten om geloovig voort te gaan.
Daarbij is in den laatsten tijd de belangstelling gekomen voor het stichten van een Hervormde Kweekschool tot opleiding van Hervormde onderwijzers en onderwijzeressen van Gereformeerde levensovertuiging, om onze Hervormde Scholen met den Bijbel te dienen met geschikte leerkrachten en het opkomend geslacht op te voeden, zoó, dat ze ook voor den opbouw, het herstel, de wederoprichting van onze Ned. Hervormde Kerk doelen.
Hulpe van God verkregen hebbende, staan we tot op dezen dag. En na 25 jaar getuigen we dankbaar en blij, dat onze arbeid niet ijdel is geweest in den Heere. De vraag naar de Waarheid en naar Gereformeerde prediking groeit en neemt toe. Het vraagstuk der Kerk staat meer en meer in het centrum van de belangstelling en te midden van de armoede des levens komt er bewust of onbewust weer meer een zoeken van de Kerk, die men meende te kunnen missen, maar die haar kracht en haar invloed toch weer bewust of onbewust bij velen doet gelden. In kringen waar men er jaren geleden niet aan dacht om over de Kerk te spreken, vraagt men nu telkens weer wat toch de beteekenis van de Kerk is. En niemand zal kunnen en mogen zeggen : dat de Hervormde Kerk minder Gereformeerd is dan 25 jaar geleden. En als men met de Gereformeerden rekening houdt is het door Gods goedheid mee door den Gereformeerden Bond. En hadden we op dit oogenblik 25, zeg gerust 50 jonge Gereformeerde predikanten, zoo zouden ze in het midden van onze Hervormde Kerk een misschien wel moeilijk, maar dankbaar arbeidsveld vinden. Als we ons willen geven en we zijn niet te lui om te werken, dan is er voor ons nog een breede plaats in de Kerk onzer Vaderen.
Zoo willen we dan ook moedig voortgaan met onzen arbeid, zoo lang het God belieft om te verbreiden, om te verdedigen de Waarheid, en ons doel en ons streven is en blijft, naar luid van Artikel 4 van onze Statuten, dat zij weder mag komen staan als de Kerk des Heeren in het midden des volks.
Ik heb gezegd.
De Voorzitter deed, nadat hij zijn openingsrede gehouden had enkele mededeelingen aangaande de samenstelling van het programma. Oorspronkelijk was Prof. Dr. H. Visscher uitgenoodigd om de eigenlijke rede te houden, op deze voor ons allen zoo gedenkwaardige samenkomst; maar deze meende daarvoor te moeten bedanken. Door het Hoofdbestuur is toen Ds. J. H. F. Remme, van Amsterdam, aangezocht, die zich daartoe bereid verklaarde en dan ook in de middagvergadering zal spreken.
Geruimen tijd nadat Prof. Visscher voor de uitnoodiging bedankt had, gaf hij te kennen dat hij toch wel een enkel woord zou willen spreken, waartoe hem dan ook gaarne straks gelegenheid zal worden geboden. We krijgen dus geen „rede" van den Professor, want dat is aan Ds. Remme opgedragen ; we krijgen wel een „woord van hart tot hart".
Voorts kon de verblijdende mededeeling worden gedaan, dat Zijne Excellentie Dr. H. Colijn hedenmiddag ook aanwezig hoopt te zijn en alsdan ook de vergadering zal toespreken.
De Voorzitter richtte vervolgens ook een hartelijk woord van welkom tot Prof. Dr. A. Noordtzij, Hoogleeraar aan de Rijks Universiteit te Utrecht, die, daar hij hedenmiddag in verband met de voorbereiding voor zijn reis naar Palestina en Egypte, niet aanwezig kan zijn, thans gelegenheid kreeg om de vergadering toe te spreken.

TOESPRAAK PROF. DR. A. NOORDTZIJ.
Gaarne maakt Prof. Noordtzij gebruik van de hem geboden gelegenheid om zijn broeders en zusters toe te spreken. Hij verklaarde er prijs op te stellen in deze vergadering tegenwoordig te zijn. Want al wonen we niet in hetzelfde huis, we zijn wel van dezelfde familie en staan wel op denzelfden grondslag van de belijdenis van den Heiland der wereld ; in zekeren zin hebben we ook één en hetzelfde doel en streven. Als hij gedenkt de geschiedenis van den Gereformeerden Bond, komt hij diep onder den indruk van den rijkdom der zegeningen Gods. Hij is er van overtuigd, dat zijn overgrootvader, Ds. H. de Cock, in 1834, en ook de mannen der Doleantie in 1886, hun uittreden zagen als het eenig mogelijke. En toch — heeft God het sindsdien zoo heel anders geleid. Zijn de Gereformeerden, die overgebleven waren, niet uitgebreid tot duizenden en tienduizenden ? En heeft God hun niet vele tientallen predikers gegeven, die tot honderden zijn uitgegroeid ? Hartelijk met U meelevend slaan wij gaarne acht op wat er in Uw kring gebeurt en wij verheugen ons mee op dezen dag, ziende de zegeningen onzes Gods. Vreugd en dankbaarheid mag er bij Uwe voortrekkers zijn en blij moogt ge heden allen uwen God danken. God geeft Zijn rijkdommen niet, om die naast ons neer te leggen, maar om ze te benutten en uit te dragen. Nu wil spreker in dezen kring met name op één ding wijzen : niet alleen studenten en dienaren des Woords zijn noodig, maar ook Hoogleeraren. De tijd, dat die werden geïmproviseerd, is voorbij. Het moeten beginselvaste mannen zijn, die ook tegelijkertijd mannen van wetenschap moeten wezen. Daarom denkt spreker aan de jonge mannen, die nu nog studeeren en de gaven hebben ontvangen om den wetenschappelijken arbeid verder voort te zetten. Hij hoopte dat zulken jongemannen, die daartoe de gaven hebben, de gelegenheid zal kunnen worden gegeven verder te studeeren. Wanneer dan de plaats van hen, die nu onderwijs geven, straks ledig zal zijn, kunnen anderen deze open plaats innemen. Hij vroeg ook, om voor hen te bidden, dat ze te midden van de vele, vaak moeilijke vragen, staande mogen blijven, om straks als beginselvaste mannen, die ook tegelijkertijd mannen van wetenschap zijn, taak en roeping in de Hervormde Kerk te kunnen vervullen.
Spreker eindigde met de herinnering aan een woord van Ds. de Cock : dat hij zich afscheidde, totdat de Hervormde Kerk weer zal terugkeeren tot de belijdenis der Vaderen. Draagt daarom de Gereformeerde beginselen uit in Uw Kerk, opdat deze haar steeds meer doordringen en tenslotte haar geheel mogen beheerschen. De Heere zegene daartoe uwen Bond, naar den rijkdom Zijner genade. (Applaus).
Ds. Van Grieken dankte Prof. Noordtzij voor zijn warm, diep geestelijk woord, dat getuigde van hartelijk meeleven en van hooge waardeering van hetgeen de Bond heeft verricht. Dat Prof. Noordtzij, die in zoo nauw contact staat met zoovele van onze studenten, aldus gesproken heeft, heeft ons goed gedaan. Het was een bemoedigend woord. De Voorzitter wijst er in dit verband op, dat er gelukkig velen zijn, al leven we kerkelijk gescheiden, die de beste wenschen in hun hart hebben voor den arbeid van onzen Bond en voor de Hervormde Kerk, waaraan hun hart nog altijd zeer gehecht is. Zij verlangen met ons naar de wederoprichting van de Kerk onzer Vaderen in het midden van ons volk. Ds. Van Grieken zegt, dat hij ongeveer 25 jaar geleden het genoegen had bij den vader van Prof. Noordtzij te Kampen te mogen logeeren en dat deze toen tot hem zeide : Mijn jonge vriend, wat ik je mag toebidden is : ga nooit uit de Hervormde Kerk (applaus). Spreker kan zich dat woord van een echten stoeren afgescheidene indenken en hij verlangt mee naar het heelen van de breuken die geslagen zijn. Hij kan Prof. Noordtzij verzekeren, dat bij het Hoofdbestuur dezelfde gedachten leven ten opzichte van studenten, aan wie God meer dan gewone gaven heeft toebetrouwd ; zulke jonge menschen zullen gaarne geholpen worden om hun studie verder te kunnen voortzetten, indien ze met ons leven uit een Gereformeerde levensbeschouwing. In dat verband wenscht hij Prof. Noordtzij Gods zegen toe op zijn arbeid bij de vorming der jonge predikanten en onderstreept het gaarne, dat zoovele moeilijke vragen, die den levensstrijd van jeugdige studeerenden zoo moeilijk en zwaar kunnen maken, ook de persoonlijke belangstelhng en het hartelijk meeleven der professoren zoo gewenscht doet zijn.
Vervolgens werd nu aan Prof. Visscher gelegenheid gegeven de vergadering toe te spreken.

REDE VAN PROF. DR. H. VISSCHER.
HEDEN EN TOEKOMST.

Geachte Vergadering,
De eerste herinnering, die De Waarheidsvriend bracht aan dit zilverfeest, onderscheidde zich door ééne opmerking, welker juistheid en openhartigheid ook buiten onzen kring de aandacht trok. Van feestelijk gedenken, zoo luidde het, kon eigenlijk geene sprake zijn. Hadden niet ontroerende verliezen nog kort geleden ons getroffen ? Inderdaad aan den indruk daarvan kan niemand onzer zich ontworstelen.
Aan deze zoo juiste opmerking is echter nog eene andere zijde, waarop ik nu het licht zal laten vallen, als ik de vraag u voorleg : heeft de Bond als zoodanig met het oog op het doel, dat bij de oprichting voorzat, bereikt wat redelijker wijze mocht worden verwacht ? Is de functie, die hij in deze 25 jaren in onzen kerkdijken strijd, in de worsteling om de volksziel gehad heeft, bevredigend te noemen ?
Uit 't antwoord op deze vragen kan blijken, of wij reden hebben voor feestvreugde. En deze vragen zijn het, die mij er toe gebracht hebben om in dit samenzijn voor u op te treden. Als wij zullen feestvieren, dan moeten in dit heden de gronden aanwijsbaar zijn, die vreugde wekken en recht geven hoopvol uit te zien naar de toekomst.
Ik zal natuurlijk niet in vogelvlucht deze 25 jaren met u overzien, noch ook profetisch den sluier trachten op te heffen, die de toekomst omhult. Ik zal slechts zeggen, wat wij allen weten en vragen wat ons dit bekende leeren kan over hetgeen morgen wellicht zal zijn. Ik spreek slechts over twee vragen : Wat leert dit heden ? Welke eischen stelt het ons voor morgen ?
WAT LEERT DIT HEDEN ?
Ik stel voorop, dat er met het oog op de zaak, waarom het bij de oprichting van onzen Bond ging, geen grond voor feestjubel is. Dat zal ik toelichten.
De oprichting van den Bond is voortgesproten uit de ellende der Kerk, uit het conflict, waarin alle richtingen betrokken zijn. Onder deze is er echter geen, die het dieper voelt dan wij Gereformeerden, die meer dan anderen gezond kerkelijk leven behoeven, daar het wezen der Kerk door ons wel bewust en ook historisch vertegenwoordigd wordt. Dit conflict nu komt noodwendig op uit de geweldadige, onrechtmatige oplegging der Synodale organisatie, zooals het ook nooit tot eene oplossing kan komen dan alleen door eene opheffing dezer organisatie, of, let wel, door een zoodanige besnoeiing van haar geestelijken invloed, dat zij hare noodlottige beklemming op de ontwikkeling van het kerkelijk leven verliest. Zoolang dit niet geschiedt, kan er van beslechting van het kerkelijk confhct geene sprake zijn, nu niet en nooit.
Het conflict, dat voor 25 jaren beroering wekte en veler pen in beweging bracht, wekte opstand in het hart vooral van hen, die de Hervormde Kerk als Gods stichting waardeerden, als een Vaderlijk erfgoed, als de met de natie zelve geboren Kerk.
't Was dan ook allerminst een nieuw conflict; feitelijk slechts de oude prikkel, die diep in het levend vleesch van het lichaam der Kerk drong en die telkens pijnlijk gevoeld wordt, als hare tuchteloosheid en karakterloosheid onder den druk dezer onnatuurlijke organisatie van kwaad tot erger voortschrijden. Als een Zaalberg in 1864 door zijn modernisme Den Haag opschrikt, of een Bahler door zijn Buddhisme ontsteltenis wekt en welke ergernissen er verder mogen zijn of komen, zij stammen alle uit hetzelfde conflict, dat met de oplegging der organisatie gegeven is.
De Classis Amsterdam heeft in haar protest tegen de oplegging het terstond helder en juist geformuleerd en in enkele groote lijnen profetisch den lijdensweg omschreven.
Zou men, zoo zeide zij tot den Koning, „eene andere eenheid in geloofs- en leerpunten willen daarstellen ; wij bidden U Sire ! te overwegen, hoezeer daardoor inbreuk zou geschieden niet alleen op de regten van ons geweten, maar ook op die van zoovele duizenden, — voor het behoud van welker dierbaar eigendom wij de bescherming van Uwe Majesteit inroepen". De Classis sprak van hare bekommering over de gevolgen van het Reglement en ontroerend is hare klacht over de worstelingen, verdrietelijkheden en de geestelijke inzinking. Zij profeteert over den strijd, die komen zal, smeekt om afwending der gevaren, waarschuwt tegen het gaan buiten „de inrigtingen, die de wijsheid der Vaderen heeft vastgesteld, tegen de verandering der leer, tegen de buitensporige begeerte naar nieuwigheden, die „den godsdienst in de hartader aantasten". Het mocht niet baten en deze profetieën zijn vervuld. Niet door verander ring in de leer, maar door alle belijdenisschriften en alle liturgische geschriften op nonactiviteit te stellen en dus feitelijk af te schaffen. Zoo verschijnt dus, om dan nu eens de woorden van Dr. Kromsigt te bezigen „de Synode en heel de Synodale organisatie als een betreurenswaardig monument van de willekeurige machtsoverschrijding der regeering in 1816" (zie over dit protest der Classis Amsterdam Een honderdjarig protest enz., door Dr. P. J. Kromsigt, Amsterdam, 1916). En ik voeg er aan toe, dat dit betreurenswaardig monument van onrecht door alle opvolgende regeeringen en de Nederlandsche justitie angstvallig werd en wordt in stand gehouden en bij het steeds voortschrijdende onrecht, dat deze organisatie pleegt, wordt gesteund door de rechtspraak. Het staat dan ook feitelijk zóó, dat er voor ons, Hervormde Gereformeerden in Nederland geen recht te verkrijgen is. Dat was zoo in 1834, dat was zoo in 1886 en dat is nog zoo. De regeering sloot de Kerk eerst in een dwangbuis en zette haar toen rechteloos op straat. Geen wonder, dat telkens wanneer dit onrecht pijnlijk gevoeld wordt, onwil, opstand en verzet zich juist daar openbaren, waar het geestelijk leven der kerk nog klopt. De geschiedenis van 1816 tot heden is dan ook eene aaneenschakehng van confhcten, van scheuring en scheiding, van partijwoelingen en strijd.
Val er niemand hard over, maar in den loop der jaren zijn duizenden afgevloeid, want het is niemand geraden iets tegen de conscientie te doen of te laten. Doch deze donkere geschiedenis heeft een lichtzijde, die gij ontdekt, als gij gelooft in Gods leiding met Zijne kerk. Vraag eens wat er van het Gereformeerde leven onder ons volk zou zijn overgebleven, indien er eens geene afscheidingen geweest waren ? Ondanks al onze verdeeldheid is de beteekenis van het Gereformeerd beginsel thans hier te lande veel grooter dan voor eene eeuw of zelfs in mijne jeugd. Gods wegen zijn hooger dan de onze, ook in de geschiedenis van Zijne kerk.
Maar wij Gereformeerde Bonders zijn niet afgevloeid, niet gescheiden. Wij bleven tegen hope op hope gelooven, dat God machtig is het Gereformeerde volk uit de ballingschap terug te brengen in de ééne, het nationale leven bezielende Kerk. Daarom worstelden wij en in die worsteling werden de leidende Broeders vóór 25 jaren gedrongen tot de oprichting van den Bond.
Waarom bleven of gingen zij niet bij de Confessioneele Vereeniging ? Omdat, en daarover waren wij het allen eens, daarvan voor den invloed der Gereformeerde beginselen op ons volk, en ook voor het kerkelijk vraagstuk niets te verwachten was. Deze vereeniging droeg de Confessie in haar naam, maar zij was in werkelijkheid een verzameloord voor al wat zich orthodox noemde en vóór alles benepen kerkistisch. De Confessie was voor haar een soort mystieke term, evenals op de predikantenvergadering, waar men „onbekrompen" en „ondubbelzinnig" mee instemt. Doch voor ons. Gereformeerden, is de Confessie geen ijdele, ledige formule, maar de expressie van het leven der ware Kerk Gods.
Daarbij kwam een tweede bezwaar. Hare kerkelijke politiek ging uit van een waan, evenals het pas met zooveel ophef aangekondigd Hervormd Verbond, dat eigenlijk slechts eene nieuwe, nog niet eens eene verbeterde, editie is der Confessioneele Vereeniging. Deze ijdele waan, waarvan dit streven uitgaat, is de alle inzicht van meetaf vertroebelende vereenzelviging der Kerk Gods, in de Belijdenis omschreven, met de reglementaire gemeente. Er is een principieel onderscheid tusschen de Kerk der Belijdenis en wat de kerk is in het licht van het Synodaal Reglement. En over deze onderscheiding waren de meesten onzer destijds tot klaarheid gekomen. Met name ds. Gewin was er dan ook diep van doordrongen, dat er geen heil kon zijn in een streven naar reorganisatie.
En ik kan niet inzien, dat dit Hervormde Verbond iets anders nastreeft dan door de Confessioneele Vereeniging een eeuw lang te vergeefs nagestreefd werd. Moet dan reorganisatie niet begeerlijk worden geacht ? Niemand zal het mij ten kwade duiden, als ik de levensbelangen van ons Gereformeerde volk als maatstaf neem bij de beoordeeling dezer beweging. Was het niet Dr. Hoedemaker, die zich eens liet ontvallen : „God beware ons voor eene orthodoxe Synode ? " Welnu, met een variant daarop, zeg ik van het streven van dit Hervormd Verbond naar reorganisatie : „God beware ons voor die reorganisatie". Wij als Gereformeerde mannen hebben alleen van doen met Gods Woord en de Belijdenis. Als Gereformeerden kunnen wij geen andere kerk begeeren dan alleen eene Gereformeerde Kerk. Met homoeopathisch verdunde belijdenissen, met een ontkenning der onfeilbaarheid van Gods Woord, hebben wij geen vrede. Over Gods waarheid sluiten wij geen compromissen. Wij willen slechts eene kerk, die in gehoorzaamheid aan Gods Woord bukt onder Christus haren eeuwigen Koning. Wij willen geen kerk voor ethischen ruim genoeg, maar de.Kerk met de onvervalschte leer der Vaderen, met hare tucht over leer en leven, met hare uitbanning van wie zelven begrijpen moesten, dat zij tot haar niet behooren en in haar niet kunnen leven. Op dat stuk zijn wij onverzettelijk. Is dat dan niet bekrompen, niet koppig, hebben wij geen gebrek aan soepelheid ? Als Gereformeerde mannen kunnen wij niet anders. Wij gelooven in Gods Woord en daarom in Gods souvereine Majesteit. Valsche schijn is voor ons de kerk, die niet belijdt wat de Heilige Geest aan Gods Kerk heeft geleerd in het onfeilbaar Woord van God. Zoals wie struikelt in één gebod, overtreder is der gansche Wet, zoo is prijsgeving van iets der Waarheid Gods een principieele negatie van het gansche beginsel. Een compromis op dit gebied met andersdenkenden zou zijn erkenning van het goed recht der anderen om af te doen of toe te doen aan Gods Woord. Een Gereformeerd man kan dat recht aan niemand toekennen. Een compromis in beginselen kan niet door ons worden aanvaard, nu niet en nooit. Hier heeft Gods Woord alleen zeggingschap. Daarom moet deze politiek van het Hervormd Verbond absoluut, als met de de Gereformeerde beginselen onvereenigbaar, verworpen worden.
Maar daarbij komt nu nog dit. Het streven naar reorganisatie als poging tot oplossing van het kerkelijk vraagstuk is tot volkomen onvruchtbaarheid gedoemd. Luister slechts : de Synodale organisatie is geen product van het leven der kerk, maar gewelddadig opgelegd. Zij is als een stolp over een plant gezet, die de levensexpansie drukt en het lichaam der Kerk doet verkankeren. Maar zij is van buiten opgezet, vreemd dus aan het wezen der Kerk. Hoe zou zij dan door de Kerk getransformeerd kunnen worden in eene andere organisatie, die wel uit haar leven voortvloeien moet ? Er zijn maar twee mogelijkheden : zij moet worden weggenomen of althans onschadelijk gemaakt, óf zij zal noodzakelijk moeten leiden tot oneindige scheiding en verdeeling. Maar zij kan niet worden weggereorganiseerd, naar het woord van den Heere Jezus, die ons geleerd heeft, dat de duivel door Beëlzebul niet kan worden uitgeworpen.
Al deze pogingen zijn volmaakt onvruchtbaar. Zeker wel, evenals de daad des Konings in 1816, goed bedoeld, maar absoluut onaannemelijk, daar zij streven naar een doel, dat door Schrift en Belijdenis geoordeeld wordt.
Welnu, als wij dit alles nu zien, is er dan voor jubileeren grond ? Wij zijn kerkelijk er niet beter aan toe dan voor 25 jaren. Ja, wij zijn achteruit geboerd, want de druk der organisatie is in dien tijd nog verzwaard, niet het minst ook door toedoen van hen, die reorganisatie van het monument van onrecht als reddingsmiddel steeds propageerden. Ik ben van oordeel, dat onze kerkelijke toestand hachelijk is. De verzwaarde Synodale druk drijft het levensbloed uit de Hervormde kerk. Gelijk een pers werkt op de citroen, werkt nu de organisatie. De jongeren, beu van den richtingstrijd, worden onverschillig, en anderzijds zien wij allerlei kleine independente Kerkgemeenschappen met autodidakte predikers vermenigvuldigen als paddestoelen. Ook dient de politiek daarbij als hulpmiddel, op eene wijze, die afgezien van den schijn, wezenlijk niet verschilt van die der kinderen dezer wereld. De verdeeldheid neemt alzoo toe. Maar de grondoorzaak daarvan is het keurslijf der organisatie, dat al maar vaster toegeregen wordt, zoodat de Synodale organisatie het instrument wordt, waardoor de katastrophe mede wordt ingeluid, waarin een ingrijpende ommekeer in het volksleven het oordeel zal voltrekken over het onrecht, dat aan de kerk werd aangedaan en nog aangedaan wordt. 
Inderdaad is dus het heden weinig moedgevend en stemt het niet hoopvol. En onze somberheid wordt nog gmoter, als wij vragen naar de oorzaken van onzen achteruitgang.
Allereerst betaamt ons daarbij belijdenis van schuld. Wij stonden als Bond niet steeds trouw op den post des beginsels. Naar de Schrift is het eerste de hand te steken in eigen boezem. Een andere Nathan kan tot ons allen en ook tot onzen Bond zeggen : „die man zijt gij".
Maar er zijn ook algemeene oorzaken voor de verzwaring van den druk, en deze mogen ons met vreeze en ontroering vervullen. Ons Westersch cultuurleven met zijne wetenschap en kunst, met de wonderen zijner techniek, met zijne verfijnde beschaving, verkeert in een toestand van zedelijke ontwrichting en decadentie. Ik kan het u niet beter toelichten dan met eene correspondentie uit Berlijn in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 22 Maart 1.1. (blad D.), handelende over den invloed der Russische godloozen in Duitschland. Ik laat den schrijver zelf tot u spreken :
„Ik herinner mij", zoo zegt hij, „dat ik eens in Friesland in een stillen nacht een dof geluid vernam, waarvan ik de oorzaak niet verklaren kon. Het was een regelmatig stampen, alsof telkens iets heel zwaars op de aarde viel. Het was, veraf, de zee. Wij hoorden niet het bruisen en het koken van de branding, het aanzwellen en verruischen van het levende water, den eeuwigen zang der oneindige wateren. Zoo hooren wij hier (in Berlijn) wel vervormd en niet onmiddellijk herkenbaar, van verre het breken van den bolsjewiekschen vloed. En wat we zien ? Wij zien het kwelwater stijgen. Als gij u inbeeldt nog door een sterken dijk van het water gescheiden te zijn, dan rijst het onder uwe voeten op. Het is dikwijls niet dadelijk als kwelwater te herkennen. Het schijnt ons uit een geheel zelfstandige bron voort te komen en niets met den stijgenden vloed uit het Oosten te maken te hebben". Zoo wijst deze correspondent er op, dat in Duitschland, maar ook in Nederland de gisting is te speuren, die ons direct aangaat, ook onder ons werkt. Ja, ook onder ons volk werkt de geest der godloozen met verborgen kracht. Die correspondent noemt hem „het geloof aan het ongeloof, dat star dogmatisch en bovenal in hoogé mate onverdraagzaam is". Maar ik zal het u in mijne woorden zeggen: de tyrannic van den Antichrist bedreigt onze cultuur met ondergang. Het evolutionistisch historisch materialisme, dat in Rusland tot zijne volle consequenties doorwerkt, leeft ook in het Westen, is van het Westen zelf naar het Oosten gebracht. Onze cultuur is er reeds lang door vermolmd en het gevaar is groot, dat het ook onder ons te eeniger tijd, misschien spoediger dan wij vermoeden, de volheid zijner verdervende kracht zal openbaren.
Dit toch is een benauwend symptoom : in de laatste 25 jaren hebben ook de principieelste Christelijke groepen, die voorheen in lum insolement immuun bleven voor dien geest, in sterke mate zijne zuigkracht ervaren. De doodelijke adem van dezen geest heeft alle Gereformeerde groepen, die der Gereformeerde, Christelijk Gereformeeerde en zelfs der zoogenaamd vrije Gereformeerde gemeenten zonder onder* scheid aangetast. Ja, ook bij de laatsten wordt een bange strijd gestreden met wereldgelijkvormigheid en roept men anderzijds om een pensioen voor allen uit de staatsruif. Als Gereformeerde actie staan wij allen, waar wij ook kerkelijk huizen, in. het kwelwater van dezen geestelijken vloed van den Antichrist. Zedelijke en Westelijke verwording ook onder het Gereformeerde volk. En wie niet willens blind was, kon het voor jaren reeds speuren. En nu wij 25 jaren terug mogen zien, moeten wij het erkennen, dat ook het Bondsstreven mede heeft geleden onder die zuigkracht. En ook daarmede is een oorzaak gegeven, waardoor de toekomst in somberheid zich omnevelt.
Is er dan geen lichtpunt, geen dankensstof ? Wij zouden geen Gereformeerde mannen zijn, als wij naast oorzaak tot verootmoediging, den Heere voor niets te danken hadden. Ja, God heeft ons, al kwamen we niet nader tot het einddoel, toch ook nog veel goeds geschonken voor de verbreiding en verdediging der Waarheid. Veel is er verkregen, dat anderen tot jaloerschheid kan verwekken. God schonk ons in onzen Broeder Fliehe een penningmeester bij de gratie Gods en in wijlen ds. Jongebreur een tweeden, die op voortreffelijke wijze dit werk volbracht. En wij mogen er voor danken, dat Hij nog weer den juisten man op de juiste plaats ons schonk tot op dezen dag. Door hun arbeid is de Bond verwaardigd geworden, om dienaren des Woords aan onze verweesde gemeenten te bereiden, en zooveel meer te doen, dat oogst belooft. Dat alles mogen wij dankbaar gedenken. Maar deze dankbaarheid leidt ons vanzelf tot die andere vraag, waarbij ik nog even wil stilstaan.

II.
WAT SPELT DIT HEDEN VOOR DEN DAG VAN MORGEN?
Er is ongetwijfeld in dit heden veel, dat moedeloos stemmen kan. De toekomst schijnt troosteloos, donkerder dan vóór 25 jaren. Als wij met den Profeet vragen : Wachter, wat is er van den nacht der vrijmaking onzer Hervormde kerk ? dan moeten wij zeggen : het is nog nacht. Waarom nog nacht ? Ja, het is goed die vraag te stellen. Onder de Synodale organisatie huist een hopeloos verdeeld mengelmoes. Maar ééne zaak hebben deze allen gemeen, waardoor zij van ons, Gereformeerden, onderscheiden zijn. Hunne eenheid ligt in de vrees over wat er gebeuren zou, als deze stop der organisatie werd gelicht van de flesch, waarin deze wremelende groepen tieren. Zij denken allen slechts aan zichzelven naar de norm : ieder voor zich. Daarnaar richten zij zich allen, want het gaat voor hen om levensbehoud. Let maar op de ethischen en zelfs op modernen, die nu roepen om „Kerkopbouw", hoewel zij geen begrip van de kerk hebben, haar slechts als missie instituut waardeerden of als propagandamiddel, nooit om de Kerk als zoodanig gaven en haar eigenlijk steeds hebben afgebroken. En merk nu op, daarin zijn zij allen één, dat zij diezelfde organisatie, dat „monument van onrecht", welks schadelijke gevolgen zij moeten erkennen, welks druk zij meer of minder voelen, toch altijd met alle macht in stand houden. Wie maar wijst naar die organisatie en aan „het monument van onrecht" de hand schijnt te willen leggen, hem wordt luide toegeroepen : „des Heeren tempel, des Heeren tempel, eene nieuwe doleantie !"
De vrees was steeds een slechte raadgeefster. Zij maakt als de liefde blind. Laat ons de waarheid zien. Wie kan nu ontkennen, dat de uiteenvloeiïng der Hervormde kerk in vollen gang is ? Zijn niet de duizenden, die van ons gescheiden zijn en de velen, die dagelijks van ons scheiden, gekomen uit onze. Hervormde kerk ? Dat proces . van oplossing der kerk gaat steeds door, grijpt al verder om zich. Zie naar ons kerkelijk leven en gij ziet de Hervormde kerk, die zich voor uwe oogen opsplijt. Dat kan niemand ontkennen. Het proces gaat door, hoewel er niets is, dat op vrijmaking wijst. Deze Hervormde kerk gaat voor onze oogen uiteen. Zij verdeelt en versnippert, maakt het Protestantisme tot eene aanfluiting. Diezelfde organisatie, die alles bij elkaar wil houden, drijft juist alles uitéén. En wat het ergste is, zij dient de revolutie, want zij is als de Grieksche Zeus, die zijn eigen kinderen verslond. Als de macht van het materialisme onze cultuur genoegzaam heeft uitgehold, dan zal diezelfde organisatie, die aan de revolutionaire richtingen de grootste diensten bewees, vallen in den kuil, - door haar zelve gedolven. Nooit was de Kerk onschuldig aan de revolutie. Ook de onze niet in 1785. En de Synodale organisatie zal eveneens schuldig blijken aan de revolutie, waarvan zij zelve een kind is en die zij koestert aan haar boezem. Zij werkt haar eigen val. En die val zal niet eens groot zijn, want is de kerk onder de Synodale organisatie reeds niet overgebleven als een oude matrone, die buiten het leven des volks staat ? Is zij reeds nu niet de wrijfen. schandpaal dikwijls, waarvoor niemand meer eerbied toont ? Onder den druk des tij ds zal zij zeker vallen, zij verdwijnt en wordt niet beklaagd dan alleen misschien door de weinigen, die blind voor het onderscheid tusschen deze doodende organisatie en de levende Kerk Gods, dit „monument van Onrecht" het leven hielpen rekken als was het Gods tempel zelf.
Doch vast staat: God oordeelt voor de vierschaar der historie deze Synodale organisatie. Hij weegt haar en zij wordt te licht bevonden. Door deze dingen te zeggen, zal ik sommigen ergeren, anderen verschrikken, velen de schouders doen ophalen in schamperen twijfel. Ik weet het, de Ouden beeldden de waarheid af als eene afzichtelijke oude vrouw, die ieder schuwde. Doch de waarheid alleen zal ten laatste bestaan. Wie met minder zich tevreden stelt pleegt zelfbedrog.
Maar laat ons daarbij dit weten. Niets kan ons ooit ontslaan van de roeping om in gehoorzaamheid aan Gods Woord te blijven worstelen om vrijmaking der Kerk. Die vrijmaking zal gewisselijk komen, misschien langs bange wegen en door donkere tijden. Maar wij. Gereformeerden, mogen, als anderen haar vreezen, hare komst met blijdschap begroeten. Wij gelooven, dat God zijne Kerk in stand houdt zelfs onder het woeden van de hel. Voor het Gereformeerde volk zal die vrijmaking zijn de dageraad van een nieuwen dag.
Maar om dezen tegen te gaan is voor alles noodig, dat wij ons karakter als Gereformeerden rein bewaren door vast te houden aan de waarheid Gods, aan Schrift en belijdenis beide. Wij mogen ons niet vermengen met eenige andere richting. Wij hebben trouwens van geene andere richting iets te wachten. Vermenging baart slechts vervloeiïng, vervloeiïng verslapping, verslapping ondergang. Wij moes ten den moed hebben onszelf te zijn en te blijven. Sterkte is er nu op kerkelijk gebied alleen in isolement.
Bovendien, wees daarvan zeker, met ons. Gereformeerden, kunnen en willen zij, als het er op aankomt, toch niet leven, al willen zij ons wel gebruiken. Er is voor ons geen heil in bondgenootschap, voor een Gereformeerd man geen mogelijkheid van compromis. Verwachten wij het niet van slimmigheidjes en kleine politieke berekening. Voor ons,Gereformeerden, is er in dezen angstigen tijd en ook in het kerkelijk vraagstuk alleen verwachting uit de genade des geloofs, uit het waarachtig levend geloof in den Heere onzen God en zijn Woord. Dat geloof overwint naar Gods belofte de wereld, ook die der Synodale organisatie.
Maar daarbij leg ik nu ook hierop nadruk. Op den grondslag des geloofs moet onze eenheid staan. Het Hervormd Gereformeerde volk behoeft eenheid, kerkelijk en ook politiek. De weelde der verdeeldheid mogen wij ons niet veroorlooven op geen enkel gebied. Als het goed zal zijn, moeten wij op elk gebied als één man met elkander staan, bij elkander blijven in den Gereformeerden Bond. En deze Bond zal gehoorzaam moeten wezen, moeten vasthouden aan Gods onfeilbaar Woord en de onbesnoeide Confessie onzer Kerk. De Bondsbazuin mag geene onzuivere klanken uitstooten. Als wij één zijn in het geloof in Gods Souvereine Majesteit over kerk en staat, dan zullen wij mede kunnen vormen een vaste kern in het volksleven, behooren bij de ruggegraat van het maatschappelijk leven, staan mede voor Koningin en Vaderland. Vast en aaneengesloten kan het kwelwater der god4oozen ons niet doen vreezen, geplant als wij zijn met de beide voeten op het Woord, dat vleesch geworden is. De moker der revolutie zal het Geres formeerde volk niet kunnen vermorzelen, als het één is en getrouw. Eenheid kan alleen redden, eenheid in geloof, in gebed, in betooning des Geestes en der kracht.
Broeders, wij zullen ons zilverfeest toch nog met blijde schap kunnen vieren, als wij heden het verbond vernieuwen mogen met den Heere onzen God. Dan zal er een licht glansen over de toekomst en haar wolk zal een lichtzoom hebben. Geestdrift zal dan mogen tintelen door onze ziel. Die genade Gods in de hernieuwing des verbonds zal zelve de lichtende streep zijn, die de belofte verkondigt: Het is nog nacht, maar de dag wordt aan de kim gewacht, waarop eene herboren kerk der Vaderen het Gereformeerde volk wenkt uit de verdrukking der Synodale organisatie naar hereenigd leven.
Daarom, sluit u aaneen, houdt vast aan Woord en belijdenis. Dan zullen wij. Hervormde Gereformeerden, één in geloof, in trouw aan beginsel, eene stalen kracht zijn in de worsteling om het behoud voor heel de Kerk van God en heel ons volk. 
De Voorzitter zeide, dat Prof. Visscher, die de uitnoodiging om de Herdenkingsrede te houden, had afgewezen, later zijn begeerte had te kennen gegeven toch vandaag een enkel woord te mogen spreken. Dat enkele woord is intusschen een uitvoerige rede geworden. Wij zijn vandaag jarig ; en dan wordt men gaarne gefeliciteerd. Daar hebben we bij het spreken van Prof. Visscher ook op gewacht; en tenslotte kwam er ook wel zooiets, maar wel wat in een eigenaardigen vorm! Wij achten er onwillekeurig aan, dat één van onze kinderen jarig is, en dat vader of moeder dan op die manier het kind op den blijden dag tegemoet treedt. Is het dan wel het moment, om den profeet Nathan op die manier thuis te sturen ? Onwillekeurig dachten we — aldus de Voorzitter — aan de mogelijkheid dat b.v. de Anti Rev. Staatspartij jubileerde en dat ons gevraagd was de vergadering een oogenblik toe te spreken. Stel eens, dat wij dan een geweldige philippica hielden tegen de Christelijk Historischen en spraken van Beëlzebul enz. Vermoedelijk zou de Voorzitter, Z.Ex. Dr. Colijn, dan zeggen : Even goede vrienden, maar dat is niet de bedoeling van de uitnoodiging geweest. Of, om nog even ons bij de politiek te blijven bepalen : wat zou het voor Ds. Kersten gemakkelijk vallen, om over beginsels verzaking, compromis, misleiding en over Beëlzebul te spreken, als hij mannen als Prof. Visscher en zijn mede Kamerleden voor zich zag! Misschien zou er dan voor menschen als Schoonderbeek e.a. nog wel applaus te behalen zijn. De Voorzitter betreurt het dan ook, dat op deze jubileumsvergadering over de Confessioneele Vereeniging en het Nederlandsch Hervormd Verbond tot Kerkherstel gesproken is, zooals dat nu door Prof. Visscher nog al in gepeperde taal is gedaan. Hij ontzegt hem volstrekt niet het recht om deze dingen te zeggen, maar op deze jubileumvergadering hoorde het niet thuis. Wij worden er toch niet minder van, als we anderen in hun eer laten !
Prof. Visscher heeft, 22 jaar nu rustig aan den kant staande, het werk van den Bond gadegeslagen. Hij heeft gezien, hoe wij hebben gewerkt, geworsteld, gebeden en gestreden, en nu hadden we van hem verwacht, dat hij ons vandaag een hart onder den riem zou steken. Spreker had ook liever gehad, dat hij de Ned. Hervormde Kerk niet had genoemd en vergeleken met „een oude matrone". De Ned. Hervormde Kerk is zeker méér dan dat! En dat moet aangegrepen worden door jongen en ouden, omdat God ons nog zoovele kansen geeft. Spreker, die nu ruim 30 jaar midden in den practischen arbeid staat, waarvan een groot gedeelte in een van de grootste steden is doorgebracht, zegt dat met grooten ernst, opdat het niet als suggestie over velen gaat, dat het met de Hervormde Kerk „toch niets meer gedaan is". Het is zeer de vraag of de menschen, die gedurig zeggen, dat het met den Gereformeerden Bond niets is, en dat het met de Hervormde Kerk niets is, wel recht hebben op onzen dank en op ons vertrouwen.
Weer is 't bekende woord van Dr. Hoedemaker gebruikt. Het is wel opvallend, dat men altijd weer zegt, dat Dr. Hoedemaker absoluut niet is te begrijpen ; ook is hij niet te vertrouwen. Maar één woord begrijpt men dan wèl, en dat vertrouwt men ook met heel zijn hart. Dat is dan dat gevleugelde woord: „God beware ons voor een orthodoxe Synode". Dan bewijst men echter klaar, dat men zelfs dit eene woord ook nog niet begrijpt. En dat gaat nu al 25 jaar lang zoo ! Want het is toch zoo klaar als de dag, dat Dr. Hoedemaker niet bedoeld heeft, dat we van God moeten afbidden, dat we nooit orthodoxe menschen in de Synode krijgen. Want dat moeten we juist wèl hebben. Maar het zou een vloek worden, wanneer de orthodoxen dan als Synode zich voelden en als Synode in de Besturen Organisatie wilden fungeeren en blijven zitten. De vloek zou wezen : als de orthodoxen als Synode wilden blijven fungeeren !
De Synode, de orthodoxe Synode, die juist omdat ze orthodox is geen Synode wil zijn en blijven in het kader van de Besturen*Organisatie, moet ons van de huidige Synode afhelpen ! En wat nu wel ten opzichte van Prof. Visscher opmerkelijk is, dat blijft het feit, dat hij, die de pogingen, welke gedaan zijn en worden om van de ellendige Synodale Organisatie af te komen, zoo zeer veroordeelt en in dat verband de Confessioneele Vereeniging en het Ned. Hervormd Verbond tot Kerkherstel met Belial's kinderen vergelijkt, in bond met Modernen en Ethischen tot de Synode is gegaan met een voorstel tot Modus Vivendi. De menschen „die nooit eenig begrip gehad hebben van wat de Kerk is" moeten dan bij een dergelijk voorstel, met behulp van een linkssgeoriënteerde Synode, van de Hervormde Kerk afhelpen, zoodat zij van den aardbodem verdwijnt. Hierbij treedt het in zoo'n eigenaardig licht, dat Prof. Visscher nu vandaag hier komt zeggen, dat van de oprichters — 25 jaar geleden — met name Ds. Gewin, zoo goed begreep, wat „de vrijmaking" bedoelde. Want het is toch een publiek geheim, dat hij juist de man was, die het oog had op „doleantie". Toen dat niet lukken wilde, ging hij weg en bedankte hier in Utrecht het gansche bestuur van de afdeeling. Deze dingen zijn dus waarlijk niet zoo onschuldig en zoo eenvoudig, als men het nu voorstelt. Spreker betreurt het, dat deze dingen op onze jubileumvergadering op deze manier aan de orde zijn. Wij hadden recht op een woord „van hart tot hart". Ook moeten we niet vergeten, dat het juist de farizeën zijn, die Beëlzebul ten tooneele voeren, en wat het verschrikkelijke daarbij is, is het feit, dat onze Heiland en Zaligmaker dan met dien verschrikkelijken naam door hen wordt aangeduid en getypeerd. Laten we over onze Hervormde Kerk anders spreken dan over een „oude matrone" en als dan, óók naar het woord van Prof. Visscher, het Gereformeerde beginsel in de Kerk onzer Vaderen nog zoo heerlijk is bewaard, daar geve God, dat zij niet slechts als wrijfpaal dienst doet en tot eene aanfluiting wordt, maar dat de verdeeldheid mag worden bezworen en we rondom den standaard der waarheid jongen en ouden vergaderen, om voor de erve onzer vaderen den goeden strijd te strijden. De voorzitter is dankbaar, dat Prof. Visscher ons zoo buitengewoon ernstig gewezen heeft op den grooten strijd dezer dagen, zoo als hij dat zoo bij uitstek indrukwekkend gedaan heeft met woorden ontleend aan de N. Rott. Ct. en met zijn eigen woorden. Daarvoor zeggen we onzen Professor hartelijk dank en de Heere geve als een zegen hiervan, dat we meer en meer schouder aan schouder te zamen den grooten strijd mogen strijden in het belang van Kerk en Volk, opdat mede daardoor onze Hervormde Kerk weer mag worden opgericht uit haar diepen val en weer mag komen staan in het midden van ons nationale leven. God sterke Prof. Visscher — aldus besloot de voorzitter — voor zijn belangrijke taak in de opleiding der studenten, die straks met ons moeten staan in het midden van onze Hervormde Kerk, om haar te dienen met al hun krachten en met ons te strijden voor ons vaderlijk erfgoed !
Nadat vervolgens voorlezing was gedaan van een telegram van gelukwensch van de Afdeeling Zwolle, werd gezongen Psalm 98 vers 7, waarna prof. Noordtzij de drukbezochte morgenvergadering om één uur met dankgebed beëindigde.

MIDDAGVERGADERING.
Om twee uur was een schare, nog grooter dan 's morgens weer in de Jaarbeurs bijeen.
Ds. van Grieken heropende de bijeenkomst met te laten zingen Psalm 118 vers 8 en voor te gaan in gebed.
Onder applaus werd besloten het volgende telegram te verzenden aan Hare Majesteit de Koningin :
De Gereformeerde Bond in herdenkingsvergadering bij gelegenheid van zijn 25*jarig bestaan bijeen te Utrecht, brengt Uwe Majesteit eerbiedig hulde en spreekt haar wensch uit dat de Heere Uwe Majesteit en Haar huis Zijn zegen rijkelijk schenke.

VAN GRIEKEN, Voorzitter.
BATELAAN, Secretaris.

Daarna kwam, terwijl allen zich van hun zetel verhieven. Zijne Excellentie dr. H. Colijn binnen, die na begroet te zijn door den voorzitter naast dezen plaats nam.
Hierop was het woord aan ds. J. H. F. Remme van Amsterdam, voor het houden van de herdenkingsrede, getiteld :
BEWAAR HET PAND.
De gedachten vermenigvuldigen zich in ons, nu wij een mijlpaal oprichten langs den weg van onzen Gereformeerden Bond. En het zijn geen onvermengde gevoelens, die ons vervullen in deze dagen van gedenking.
Uitbundige vreugde, dat is vreugde, die uit den band springt, is altijd en overal misplaatst; maar hier zal niemand onzer daar zelfs aan denken kunnen. Wie vlak achter zich een versche groeve weet, vanwaar een aangrijpend „memento mori" zijn ernstig vermaan doet klinken, die voelt het schrijnen van den jubeltoon en vraagt om stiller lied. Hoe noode missen wij in onzen kring den trouw toegewijden Broeder, die vele jaren den veder voerde en vervolgens onze groeiende geldmiddelen zoo kostelijk verzorgde.
Maar daar is meer, dat — naar ik meen — den al te blijden jubel verbiedt. Deze Bond werd nu een kwart eeuw geleden niet uit kerkelijke of geestelijke weelde opgericht. Naar onze diepe overtuiging dankt onze Bond zijn recht van ontstaan en voortbestaan aan den hangen nood onzer Vaderlandsche Kerk.
Als een kostelijk monument van voorvaderlijke bouw; kunst ommanteld wordt met steigerwerk, waarachter de schoone lijnen voor een tijd schuilgaan, dan moet er wat haperen ; dan heeft blijkbaar droef verval zijn stempel gedrukt op den schat van het voorgeslacht. O zeker, dan mag de aanblik van dit steigerwerk voldoening wekken, wijl bewijs van ernstig pogen tot herstel, maar het oogenblik van ongemengden vreugdejubel is toch pas gekomen, als de mantel van palen en planken wordt weggeruimd en het oude bouwwerk in verjongde pracht het oog bekoort.
Doe ik onzen Gereformeerden Bond onrecht, als ik hem aanzie als een mantel van steigerwerk, opgetrokken bij de Kerk, die Gods hand in dit goede land voor eeuwen heeft geplant ? Maar dan weet ik ook, dat naar ons inzicht, droef verval den bloei van weleer heeft verdrongen ; dat breuk en brokkeling het schoon der lijnen van dit Godsgebouw ontsieren kwam ; dan weet ik, dat al wie de instandhouding van dit kosteMjk monument van de heilige bouwkunst des Geestes Gods ter harte gaat, reden heeft zich nederig te verheugen over dezen steigermantel, die getuigt hoe God in het hart Zijner knechten deernis wekte met Sions gruis ; en ijver opriep die aanspoort tot herstel; maar dan zal dit toch zeker de schoonste dag worden, als de koorden worden losgeknoopt en de planken neergelaten en de palen gestreken omdat het restauratiewerk zijn voltooiing bereikte en het oude bouwwerk zijn ongerepte schoonheid herwon.
Dan, als onze Bond zichzelf overbodig heeft gemaakt, zullen wij den hoogsten juichtoon inzetten. Tot zoolang willen wij ons met beving verheugen, dat de koorden van dit steigerwerk houden en de planken niet losschieten en de palen niet wegglijden. Want het is er ver vandaan, dat deze ommanteling kan worden gemist.
Wie zich nog iets herinnert van het levendig élan, waarmede de oprichters van den Gereformeerden Bond dit werk ter hand namen, kan moeilijk loskomen van een ietwat spijtig gevoel, dat het vurig gehoopte succes zich liet wachten. 't Waren toen de dagen van den bovenloop dezer rivier. In sierlijken val en behendigen sprong huppelde de jonge stroom over versperrende steenblokken en omgevallen boomstammen. Er werden geniale dingen gezegd en gezien. Maar de vrucht bleef uit. En zeker ware 't stroompje verstikt in het loome zand der ontmoediging, als niet ware opgekomen een meer rustige en eenvoudiger geest, geneigd te luisteren naar de maanstem, die waarschuwde tegen het verachten van den dag der kleine dingen ; en als ik na de dankbare erkenning, dat in dit stille voortvaren tot nederig nuttig werk de goede hand onzes Gods moet worden opgemerkt, zou moeten aangeven, waaraan ik meen te moeten dank weten, dat na die eerste inzinking tengevolge van hét uitblijvend succes, onze Bond heeft standgehouden en tot bloei mocht komen, dan zou ik op twee dingen willen wijzen, n.l. op de trouw van ons meelevend Gereformeerd volk, en — last not least — op den onbezweken moed en de ernstige volharding van onzen Voorzitter, wien het gegeven worde nog langen tijd zijn plaats aan 't roer te mogen innemen.
Daar is 'n verrassend succes, dat is als 't plots bezwijken van den dam die tegenhield ; daar zijn ook stille vruchten, die rijpen in den dag der kleine dingen, maar die. rijpen voor de eeuwige toekomst; gelijk wanneer men most in een bos druiven vindt en men zegt: verderf ze niet, want daar is een zegen in. (Jesaja 65 vers 8).
Er zijn geniale strategen, die voor een hachelijk offensief van 't hoogste nut zijn, maar lukt het den vijand hun weergaloos moedigen storm te stuiten en hen in het afmattend defensief te dringen, dan ziet men ze weldra wankelen en wijken. De jaren, die achter ons liggen, hebben geleerd dat de greep van het genie de oplossing van het kerkelijk probleem niet heeft gebracht. Meer dan één geniaal opgezet, moedig ondernomen offensief is vastgeloopen in afmattenden positiekrijg. Bij zulke ervaringen is het vóór alle dingen zaak, dat men niet van ontmoediging loom den strijd maar opgeeft.
In de kwart eeuw, die voorbij ging, waren wel tijden, waarin alle voorwaarden voor dit kerkelijk defaitisme voor handen waren. Dat het nochtans hiertoe niet kwam, is dank te weten aan het feit, dat wij ons na de ontmoediging der eerste jaren, door de ervaring geleerd, meer sober hebben ingesteld. Het grootsch opgevatte offensief der vrijmaking liep vast; de strategen van dit offensief gaven het op; gelukkig stond een kleine schaar mannen van volharding gereed, die het breed opgezette aanvalsplan der vrijmaking tot den meer bescheiden omvang en opvatting van „verdediging en verbreiding" terugbrachten ; de phase van den positie oorlog was ingetreden, toen phase, die hooge eischen stelt aan weerstands en volhardingsvermogen der manschappen, en van de leiders vraagt, dat zij zullen afzien van eclatante successen en niettemin het vuur van toewijding en moed zullen levendig houden bij den troep.
Ik meen geen tegenspraak te moeten duchten, als ik dankbaar constateer, dat de leiding zich van deze veelszins moeilijke, dikwerf veeleischende, zelden veelgevende taak heeft gekweten, waardoor zij recht heeft op onze warme erkentelijkheid.
De ontmoediging, die op den loer ligt als uitblijven de successen, die opvallen, kan ook in anderen zin gevaarlijk worden. Wie het orgaan mist, dat noodig is om den dag der kleine dingen in zijn juiste waardij te zien, komt er gemakkelijk toe in arren moede aan den omvang den diepgang ten offer te brengen.
De wereld onzer dagen doet graag groot. Ik ken gezinnen, die een heel jaar lang kerk en armen, school en zending te kort doen om des zomers mee te kunnen doen, en enkele weken buiten een vacantieoord te kunnen betrekken ; in den diepsten grond niet, omdat het daarbuiten in bosch en beemd, aan zee of elders, zoo onnoemelijk schoon is, maar meer om mee te doen en niet al te karig af te steken bij anderen.
Het genre menschen, dat Salomo reeds ontmoette en beschrijft in de bekende woorden : „daar is een, die zichzelven rijk maakt, en nietmetal heeft", wordt ook in onzen tijd veelvuldig aangetroffen, allerwegen, op maatschappelijk, kerkelijk en geestelijk gebied. Dat zijn degenen, die zich in den dag der kleine dingen niet thuis gevoelen en alsdan groot willen schijnen.
Als de ebbe lang aanhoudt op ons kerkelijk strand, verdrietig-lang dat breede strooken droog liggen en zich bijkans geen golfje meer verheft, dan wordt het voor sommigen moeilijk hun ziel in lijdzaamheid te bezitten ; zij zien geen voortgang, eer het tegendeel; zelf voelen zij de geestelijke loomheid opkruipen tegen de leden hunner ziel; er moet toch eindelijk eens iets gebeuren; ze gaan vloed maken; 't klinkt potsierlijk, maar wie zal ontkennen dat dit simpel gedoe voorkwam en voorkomt op geestelijk en kerkelijk terrein; ook hier dus die man, op wien Salomo doelde, die zich rijk maakt en nietmetal bezit. Het gevaar is niet denkbeeldig, en onze tijd van geestelijke matheid en inzinking leent er zich bij uitstek toe. Men zij op zijn hoede ; men wake tegen het insluipen van dit surrogaat. Beid uw tijd ! zoo maanden onze ouden, waarschuwend tegen voorbarig forceeren. Beid Gods tijd! en laat Zijn tijd onze tijd moge zijn !
„Dommelpraat! de taal van bloode lieden !", zoo smalen sommigen tegen deze les der wijsheid in ; „de spraak van Sukkoth, dat de handpalmen van Zebah en Tsalmuna wilde zien, eer het Gideon's mannen wou steunen in hun strijd tegen den vijand des volks". Daar zijn er inderdaad, wien het hoogste wijsheid lijkt, zich nooit op glad ijs te wagen, de kat uit den boom te kijken en nooit mee te doen, voor ge weet dat gij er geen kwaad mee kunt. Gideon ontzag hen niet; op hardhandige wijze heeft hij het dezen zonen Israels aan het verstand gebracht, dat zóó Gods zaak niet wordt gediend.
Daar is een geestelijke traagheid, die scherp moet worden tegengestaan ; een zondige lijdelijkheid, waaraan geen kwartier mag worden verleend. Maar daar is ook een werkzaam wachten, dat wellicht meerder inspanning vordert dan een onbesuisd ingrijpen vóór den tijd ; een werkzaam, waakzaam wachten, het geweer bij den voet; „ik zal uitzien naar den Heere ; ik zal wachten op den God mijns heils ; mijn God zal mij hooren". En inmiddels houdt gij uw kruit droog, en uw beginsel zuiver en onvermengd.
Daar is, het werd u duidelijk nietwaar, oorzaak te over om op dezen gewichtigen dag in het leven van onzen Bond met de volle aandacht onzer ziel te luisteren naar het woord des Apostels, dat waardig is ons allen op het hart gebonden te worden : bewaar het pand, u toebetrouwd ! . Ziedaar het. wachtwoord van dezen dag.
Door den ernst dezer opdracht in het hart geraakt, hebben de oprichters van onzen Bond nu een kwart eeuw geleden verzamelen geblazen rondom den ouden veelbeproefden standaard van Gods Waarheid.
De vrijmaking der Kerk, aanvankelijk beoogd, bedoelde niet anders dan dat deze Schatbewaarster zich meer en beter dan tot dusver zou kwijten van haar hooge taak met betrekking tot het toebetrouwde pand.
Een Kerk, die waarheid en dwaling in haar midden gelijke rechten verleent, schiet schromelijk te kort en maakt zich schuldig aan jammerlijke plichtsverzaking, die zich wreekt in versplintering en verval. Haar terug te leiden onder het zachte juk der gehoorzaamheid aan haren Goddelijken Herder en Koning, geen ander was het hooge doel en het juiste uitgangsputit van dezen Gereformeerden Bond.
En zoo is het gebleven.
Door kwaad gerucht en goed gerucht zijn wij heengegaan. Velen hebben ons de wrange eer gegund van een belangstelling, die met argusoogen spiedde naar het bewijs voor hunne onvriendelijke bezorgdheid en achterdocht, dat in den brouwketel van dezen Bond een mengsel werd bereid, dat bedenkelijk veel overeenkomst zou vertoonen met den reuk en den smaak van '86.
Edoch, dit gevreesde of gehoopte bewijs liet zich vrucht teloos wachten. Het is niet gemakkelijk de menschen van hun vooroordeel te genezen. Voor eerlijke misvatting zijn nog wel kruiden ter genezing gewassen, maar daar is zooveel gewild misverstand, zooveel opzettelijk krenken van andermans overtuiging en bedoelen; wie hieraan lijdt, maakt gij het moeilijk naar den zin.
Het zij zoo ; wij gaan verder, door kwaad gerucht en goed gerucht heen.
Onvervaard en onverdroten, ongeschokt en onvermoeid. De zaak, die wij dienen, is het dubbel waard. Wij hebben de eeuwige waardij van het ons toebetrouwde pand onderkend en bidden onzen God, dat Hij het ons steeds meer en dieper doe kennen, hoe groot het goed is, dat Hij weggelegd heeft voor het volk, dat luistert naar Zijn stem en acht geeft op Zijn wegen.
Wij beelden ons niet in, dat wij waarheid en wijsheid in pacht hebben.
Wij drijven geen monopolie en willen ons niet verheffen op het alleen*bezit van des Heeren goed.
Ook de kerkelijke strijd onzer dagen zou er wèl bij varen. Wanneer wat meer aandacht werd geschonken aan het Apostolisch vermaan : Uw bescheidenheid zij allen menschen bekend.
De trouw, die ijvert tot bewaring van het toebetrouwde pand mag niet verward met het volslagen gemis van eiken glimp van waardeering voor hen, die op min of meer l^elangrijke punten een ander inzicht huldigen ; steile onverdraagzaamheid heeft met beginseltrouw niets uitstaande.
Uw ijveren voor de Waarheid kan eerbied wekken, als liefde tot God en den naaste u drijft. Maar ik twijfel niet, of ook zoo nog zal de eeuwigheid menige correctie hebben aan te brengen in uwe Waarheidskennis.
Zoudt ge denken, dat waar alles hier gebrekkig en ten deele is, alleen uw inzicht in den samenhang der eeuwigedingen op dezen vasten regel een uitzondering maakt ?
Deze poging tot het aankweeken van bescheidenheid in het kerkelijk strijdperk heeft niets gemeen met een zeker indifferentisme, dat zich niet druk maakt over de geschillen, „omdat voor het een zoo goed wat te zeggen valt als voor het ander". Neen, maar de historie heeft geleerd, dat ook in deze worstelingen om de Waarheid het booze ik den strijders menigmaal leelijke parten speelt. Mij is gebleken, dat ge op kerkelijke partijnamen niet altijd aan kunt en dat er vandaag den dag nog zeloten zijn, bij wie het ijvervuur wordt gestookt met brandstof, gedolven uit de groeve der zelfzucht, en aangeblazen door de driften van den hoogmoed,
Houdt er u van verzekerd, dat op de markt der geestelijke dingen veel kool wordt aangevoerd ; naar ik hoor, is de prijs laag, omdat de aanvoer zoo groot is.
In den strijd om de Waarheid met een hoofdletter is waarheid met een kleine w nog altijd het beste en het zuiverste wapen.
Daarover zijn wij het eens, nietwaar ? Dan willen wij opnieuw het qor leenen aan den roep van ons parool:
BEWAAR HET PAND.
't Laat zich duidelijk aanvoelen en verstaan, waarop dit woord doelt in ons verband. Hier moet gedacht aan het Woord der Godsopenbaring ; aan wat Hij ons heeft toebetrouwd aan Waarheidskennis en Waarheidsbezit; het geloof, ons van de Vaderen overgeleverd.
Wij zijn in dit opzicht hoog bevoorrechte, rijk beweldadigde menschenkinderen; maar hier geldt het ernstige woord : Wien veel werd gegeven, van dien zal veel worden geëischt.
De Hemelsche Hovenier plant niet voor niets vijgeboomen in Zijn wijngaard. Straks komt Hij en zoekt vrucht van de boomen, die Hij met zoo teeder e zorgen heeft omringd en gekoesterd.
Het woord pand spreekt hier boekdeelen. Het plaatst ons leven en onze levensbestemming in hooger licht, sub specie aeternitatis, onder het licht der eeuwigheid. Het roept ons op te erkennen, dat wij niet voor ons zelf zijn ; wij zijn van een Ander, wij zijn van God.
Wee den vijgeboom, die waant tot eigen heerlijkheid te mogen prijken met een dos van bladeren of zelfs ook met een keur van vruchten. Al het geschapene is er om den Schepper, ook ons leven vindt zijn einddoel in God. Dat geeft mede de richting aan, waarin de beteekenis van 't hier bedoelde bewaren moet worden gekocht. De gelijkenis der talenten wijst hier den veiligen weg. Het is een werkzaam bewaren, waarbij de zweetdoek onbruikbaar is. Zij bewaarden het hun toebetrouwde pand in den geest huns meesters, die „er mee handelden", zoodat onder hun handen het goed huns meesters.
Het was volstrekt geen bloot toeval, evenmin onredelijke bevoorrechting van den een boven den ander, dat deze meester den een een grooter pand toevertrouwde dan den ander ; hij gaf aan een iegelijk naar zijn vermogen; wat paste bij zijn aanleg en gave en omstandigheden.
Dat houde een iegelijk onzer zich voor gezegd; Hij, die ons plaats en taak aanwijst in het leven, vergist zich niet; Hij heeft Zijn goede redenen, waarom Hij den een vijf talenten, den ander slechts één opdraagt; den een voor het voetlicht roept, den ander een weinig opvallende plaats aanwijst in de achterhoede ; niemand morre hiertegen; niemand beklage zich ; de Meester weet wat Hij doet.
Ontstemd over wat hij voelde als achterstelling bij de anderen, ging de man met het eene talent heen „en groef in de aarde en verborg het geld zijns heeren" ; dat is goed be\yaard, meent ge : neen, dat is wel bewaard, maar niet goed bewaard. Zoo is het niet bedoeld. Gods gaven moeten niet opgeborgen in de safe, maar uitgedragen in het leven. De Meester bedoelt een werkzaam en vruchtdragend bewaren van Zijn pand. Op treffend juiste wijze vind ik de bedoeling van dit bewaren weergegeven in den naam van onzen Gereformeerden Bond, die zich krachtens zijn eigen doelstelling opmaakte tot verbreiding en verdediging van de waarheid Gods in en ten bate van de Kerk onzer Vaderen.
Verbreiden en verdedigen ; ik meen, dat de volgorde hier alphabetisch moet worden opgevat, uit hoofde van de welluidendheid ; logisch gedacht moest, naar ik meen, het verdedigen, verdiepen aan het verbreiden, verbreeden vooraf gaan. Maar 't kan ook zoo zijn, dat de mannenbroeders gedacht hebben hieraan : verbreiden door te verdedigen, verdedigen door te verbreiden ; het is ook al zoo lang geleden, dat in deze toevoeging aan den naam het doel van onzen Bond werd gesteld.
Dus verdiepen en verbreeden, en dan wel zeer beslist in deze volgorde ; verdedigen en verbreiden, ziedaar wat met het bewaren van het pand moet bedoeld zijn.
Verdiepen en verbreeden, verdedigen en verbreiden, diepgang en omvang behooren ons gelijkelijk ter harte te gaan. Zoo wil het de eere van onzen Koning, zoo vraagt het ook het welbegrepen belang van eigen en anderer leven en toekomst.
In het hiergewilde bewaren zijn beide weren en werven vervat.
Hier zijn we op nationalen bodem. Immers weren en werven, de ; zucht om 't eens verworven bezit te handhaven en zoo mogelijk uit te breiden, zit ons Hollanders in 't bloed.
Wij zijn goeddeels een poldervolk. Ons landje werd aan de baren ontwoekerd en kon de eeuwen door niet dan ten koste van onnoemelijk zware offers worden behouden. Raadpleeg de geschiedenis, en gij bemerkt, hoe ook de aanwas hunner akkers dit nijvere poldervolk ter harte ging. Daarvoor moet ge niet zijn in de hooger gelegen deelen van ons vaderland, waar de bosschen en de bloemen, de heide en de heuvels zijn; daar doet de waterwolf zijn angstwekkend gehuil nooit hooren ; daar stuift geen grauwend zeeschuim en beuken geen golven de dijken en kaden, die huis en hof beschutten tegen het geweld van den vloed. Neen, als ge met de oogen wilt zien en met de handen wilt tasten hoe het weren en werven gegriffeld staat in de annalen van ons volksbestaan, dan moet gij gaan naar die wijde, lage, vruchtbare polderlanden, die door indijking ontworsteld werden aan de wateren en door steeds zwaarder bedijking beschut en beveiligd moesten worden, opdat de vrucht der akkers, en het vee der stallingen en het huis der vaderen niet jammerlijk zouden omkomen in den vloed.
En bij het weren zit het werven dit volk in het bloed. Daarin is iets wonders : dat zelfde water, dat uw bezit bedreigt, als het aanstormt onder den voortzweependen geeselslag der stormen, draagt het slib aan al hooger en hooger, tot de tijd komt, dat de beschuttende dijkarmen zich verder gaan uitbreiden en de aangeslibde gronden omspannen, dat het nieuw verworven bezit deelen gaat in de zorg, waarmee gij het eens*verkregene verweert en bewaart. Ziedaar, de Bijbelsche zin van het bewaren, waarop het ons toebetrouwde pand recht heeft. Hiermee is een levensbelang gemoeid. Waar die drang tot weren en werven verslapte en uitsleet, daar moet de aanwinst uitblijven en het bezit vervallen, daar slokt de vloed der vernieling op wat verslappende trouw heeft verwaarloosd.
Dit weren en werven is toch eigenlijk de inhaerente drang in al wat leeft. Waar de levensveer aan verlamming lijdt en zich niet meer vermag te spannen, daar treedt verval in. Waar het weren en werven uitslijt en verwaarloozing het bewaren verdringt, daar is niet slechts de bloei voorbij, maar het bestaan zélf komt in gevaar.
De levensdrang in al wat leeft is weren en werven.
Maar dit is in het bijzonder waar van het leven van Gods strijdende Kerk. Elke uiting van het leven dezer Kerk mikt op een van deze twee, of juister wellicht op beide tegelijk.
Als het leven in Christus' gemeente wèl functioneert, dan is het er haar altijd en overal en bij al haar arbeid om te doen, dat het verkregene behouden en uitgebreid worde ; dan weert zij zich in prediking en huisbezoek, in onderwijs en armenzorg om het pand, haar toebetrouwd, te bewaren tegen een wereld van vijanden en dreigende gevaren; van ongeloof en bijgeloof, van versteening in vormendienst en vervlakking tot wereldzin, van inzinking en verdorring, van afval en ontrouw ; maar dan zoekt zij ook in Zending en Evangelisatie en al haar arbeid de pinnen van haar levens* tent verder uit te zetten, opdat haar schuttend doek zich spanne ter schuiling over velen, die eerst verre waren.
Weren en werven, waar het ooit of te immer allereerste levensroeping en levensfunctie moge zijn, zeker hier, waar het gaat om zoo veele schatten, om zoo rijke, onuitsprekelijke heerlijke heilsgoederen, die zoozeer bedreigd en aangevochten worden van allen kant; terwijl een heilige expansieucht klopt in het hart dier Gemeente, die bidden leerde : Uw Koninkrijk kome ; die verstaat dat des Konings eere is een veelheid van onderdanen, en weet dat de wereld zonder den schat, dien zij aandraagt in aarden vaten, voor altijd verhongeren en verkommeren zal.
Waar kan, als het wèl is en Christus' Kerk leeft bij haar hart, waar kan dan het weren en werven van het rechte bewaren zoo krachtig en zoo volhardend worden gevonden als juist bij haar ?
Of wat dunkt u, zijn het geen kostelijke schatten, die haar werden toevertrouwd ? Schatbewaarster bij uitnemendheid is Gods Gemeente op deze aarde. Haar zijn immers de woorden Gods toevertrouwd; die woorden Gods, die als een reddend licht opgaan in duistere nachten ; haar werd het heilgeheim ontsluierd, dat alleen bij machte is het menschenhart te vullen met den vrede, die alles overtreft.
Zij hervond in Christus, haar boven alles geprezen Heiland en Borg, wat door de zonde te loor ging en toch onmisbaar is tot waar geluk : de gemeenschap met den levenden God; verzoening, volkomen schuldvergiffenis in Jezus' bloed, en in Zijn heerlijk Leven een bron van levenskracht en lijdenstroost en stervensmoed.
Vóór alle dingen heeft zij hierop bedacht te zijn, dat allen die aan haar zorgen toebetrouwd werden, geleerd en geleid zullen worden in Gods heilige inzettingen en bewaard bij het allerheiligst geloof. En wie zoo overtuigd is in het bezit te zijn van het afdoend medicijn tegen de kwaal, waaraan de wereld te gronde gaat, het ware harder dan hard, zoo zij haar stem niet deed klinken tegen al het rumoer dezer wereld in : O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren !
Het is onmiskenbaar, in onze dagen klemt de eisch van dit parool met ongewone kracht. Erger dan ooit wordt de geestelijke erve der Vaderen bedreigd. Hoog gaan de golven van ongeloof en afval, van zedelijke verwildering en geestelijke afstomping. Onverpoosd beuken die golven de dijken en dammen, die het geestelijk goed der natie moeten beveiligen.
Wat is er over gebleven van den eerbied voor God en Zijn Woord en Zijn dag ? Wat van het ontzag voor Zijn heilige inzettingen en geboden ?
Van hoog tot laag en van klein tot groot wordt al driester en schaamteloózer verworpen al wat God heeft ingezet. Daar golft een stroom van het meest heilloos anarchisme door het leven der menschheid. Aan minachting en verachting zijn de schoonste goederen van ons leven prijs gegeven.
En zou dan het weren en werven niet met gulden letteren, ja, als het moet met letters van bloed geschreven staan in het levensvaandel van een iegelijk, die den naam van Christus noemt ?
In dit bewaren van het toebetrouwde pand, het lijdt geen twijfel, werd aan Gods Kerk een dure roeping opgedragen.
Onze Bond, die er is omdat de Kerk des Heeren tekort schoot en breede strooken van den akker onbewerkt liet Hggen, zal voortgaan haar den ernst dezer Goddelijke opdracht voor te houden.
En inmiddels zal hij zelf doen wat zijn hand vindt om te doen, en dat met alle macht, waartoe God van den hemel Zijn onmisbaren zegen over ons gebiede, en Zijn Genade aan ons vermenigvuldige.
Hij krone met Zijn Gunst, die alles waard is, heel het werk van dezen Bond.
Hij geve, dat de arbeid van onzen rijkbegaafden Professor velen toekomstigen dienaren van Zijn Goddelijk Woord tot steun en voorlichting en tot een blijvenden zegen strekke. Zijn Kerk ten goede.
Hij schenke onzen onvermoeid volhardenden Voorzitter en zijn mede bestuurders de leiding van Zijn Heiligen Geest en gebiede over de trouw hunner toewijding dien milden zegen, waaraan het al gelegen is.
In de jonge mannen, die met den steun en onder de leiding van onzen Bond zich voorbereiden voor het heilig ambt, plante en verdiepe Hij de rechte biddende keuze om in Zijn wijngaard te mogen arbeiden.
Ons allen, leden, vrienden en voorstanders van den Gereformeerden Bond, schenke God Zijn Genade, opdat wij — waar God ons plaatste en riep — het pand ons toebetrouwd biddend en blijvend mogen bewaren.
Daartoe zal het noodig zijn, dat ons eigent hart gegrepen zij door den rijkdom en de heerlijkheid en den ernst van de Woorden Gods. Slechts wat waarde voor hem heeft, zal een mensch bewaren ; het waardelooze schuift hij achteloos opzij. Maar tot het rechte waarde schatten der dingen is Goddelijke leiding en voorlichting onmisbaar. Velen bewanen, het waardelooze, terwijl het onwaardeerbare door hen wordt verwaarloosd. Daarvoor beware ons God, Wiens waarheid is boven alles.
Ik heb gezegd.

De Voorzitter zegt ds. Remme hartelijk dank voor zijn kostelijk woord, dat gouden appelen op zilveren schalen waren. Hij begrijpt niet waarom Amsterdam niet de moeite doet om inplaats van één zoon bondspredikant er drie te krijgen (vroolijkheid). Het zou Amsterdam slechts voordeel kunnen geven.
Hij betreurt het, dat ds. Remme indertijd bedankt heeft als lid van het Hoofdbestuur. Gelukkig was dat niet uit gebrek aan belangstelling, gelijk hij dan ook steeds met de meest hartelijke sympathie heeft meegeleefd met den Bond. Hij stond altijd klaar om ons te helpen. Spreker zegt hem nog eens vriendelijk dank voor zijn kostelijk, inspireerend woord, dat tot zegen van onzen Bond moge zijn en onzen arbeid ten goede kome.

Daarna verleende de Voorzitter het woord aan Exc. Dr. H. Colijn.
Dr. H. COLIJN SPREEKT DE VERGADERING TOE.

Z. Exc. Dr. H. Colijn het woord nemend, zegt, dat hij onmiddellijk na ontvangst van de uitnoodiging om deze Herdenkingssamenkomst van den Gereformeerden Bond bij te wonen, besloten was om te gaan.
Dat spreker sommigen uit dezen kring tot zijn persoonlijke vrienden mag rekenen en met meerderen op verschillend terrein samenwerkt, was daarvoor reeds aanleiding, maar meer nog, dat hij diepe belangstelling voor het werk van den Bond gevoelt.
Nu hij hier staat, moet eerst een bekentenis worden gedaan ; en wel deze, dat hij de uitnoodiging niet nauwkeurig las, waardoor het pas op het laatste moment tot hem door drong, dat hij hier ook een woord zou moeten spreken ; hij geldt dus niet als een gewaarschuwd man voor twee, maar naar het Engelsche spreekwoord, als een man die iets bij verrassing aannam, voor een halve man.
Zich rekenschap gevend van de gronden, waarom hij zoo warme belangstelling voor het werk van den Bond gevoelt, wees spreker als eersten grond aan zijn waardeering voor allen geestelijken arbeid in onze dagen van verregaande verwarring op geestelijk gebied, terwijl ook in onze kringen een toenemende wereldzin en zucht tot wereldgelijkvormigheid is op te merken, waardoor onze nationale erfgoederen in gevaar komen. Er is meer oog voor het gevaar, dat van buitenaf ons bedreigt, dan voor dat van binnen, n.l. het gevaar, dat de geestelijke kracht in ons leven begint te verslappen.
De tweede grond is dat het geestelijk werk, door den Bond verricht, afsteekt naar de diepte. De Bond werkt in de begeerte om zich te laven aan dezelfde bron, waaraan ook onze vaderen in den bloeitijd onzer historie zich laafden, omdat gij u onderwerpen wilt — aldus spreker — aan de autoriteit van het Woord dat ons gegeven is als richtsnoer voor ons leven en dat de eenige kracht vormt, waarmee wij den booze kunnen weerstaan.
De derde grond is, dat spreker aan het werk van den Gereformeerden Bond een bepaalde hoop verbindt, waarvan de meesten onzer, naar spreker meent, de vervulling niet zullen zien, maar dien wij moeten blijven koesteren.
Spreker herinnert aan de 3 jaartallen : 1834, 1886 en 1892, die een merkteeken zijn voor de verdeeldheid van het Gereformeerde leven in ons land Zelfs zij, die in het diepst van hun ziel overtuigd zijn, dat toen niet anders gehandeld kon worden, zullen toch altijd in hun ziel voelen den weemoed over de breuke die toen is geslagen. De hoop is dat eenmaal de dag aanbreke, dat men weer zal kunnen spreken op onze vaderlandsche erve van een vereenigd gereformeerd leven.
Spreker wil op een dag als deze echter geen klaagtonen doen hooren. Dat klagen over de verdeeldheid kan soms zonde zijn, n.l. als die klacht er toe zou leiden, om moedeloos met de handen in den schoot te gaan zitten. Dat lijkt spreker miskenning van het woord van den Prediker : God heeft alles schoon gemaakt op Zijn tijd.
Tot spreker zegt dit woord dit, dat God ons opdraagt, de werktuigen, die ons op dit oogenblik ter beschikking staan tot de grootst mogelijke nuttigheid aan te wenden. Wij kennen het begin en het einde van Gods werk niet. Wij zien er maar een klein stukje van. Daarom hebben we ook met gebrekkige ludpmiddelen alle krachten in te spannen om te streven naar het groote doel: de eere Gods en de uitbreiding van Zijn Koninkrijk op aarde.
Spreker voegt hier aan toe, dat, al rust op ons de taak, te werken ook met gebrekkige hulpmiddelen, ons niets belet om op de knieën van God af te bidden, daf de dag moge aanbreken, dat de gebrekkige hulpmiddelen, dat de verdeeldheid moge voorbijgaan en het woord van den Heiland vervuld worde : „Dat ze allen één zijn."
Spreker meent niet beter te kunnen wenschen, dan dat ook door den arbeid van den Gereformeerden Bond, die , bede op het tijdstip dat het God behage moge, in vervulling moge gaan.
En inmiddels, al is er dan kerkelijke gedeeldheid onder het volk, dat de Gereformeerde waarheid liefheeft, er is nog veel arbeid buiten de Kerk, waarin we elkander de hand kunnen reiken niet alleen, maar ook hier warm drukken.
In aansluiting hierop wendt spreker zich tot den Voorzitter met wien spreker het voorrecht heeft, in meer dan één college samen te werken. We verbergen daarbij nooit, dat er kerkmuren tusschen ons staan. Maar daarover heen ziende hebben wij beiden dit gevoelen, dat we in de liefde voor de Gereformeerde belijdenis naar de Schriften volkomen één zijn en op dat terrein vinden we de hoogere eenheid, die door de geschiedenis op kerkelijk terrein verstoord is.
Juist uit de mogelijkheid van hartelijke samenwerking put spreker den moed voor het hartelijk vertrouwen, dat de Kerk in ons vaderland, de Kerk der Vaderen weer eens allen zal kunnen omvatten of dat allen, die de Gereformeerde waarheid liefhebben, schouder aan schouder kunnen staan voor het doel, dat zij allen voor oogen hebben en waarvoor ook ons gebed moge opgaan (luid applaus).
De Voorzitter zegt, dat aan Dr. Colijn gaarne „vergiffenis" wordt geschonken, waar Z.Exc. den brief hem toegezonden namens het Hoofdbestuur niet nauwkeurig gelezen heeft. Dr. Colijn heeft waarschijnlijk ook nog wel iets anders te doen dan dergelijke brieven te bestudeeren ! De schaduwzijde is, dat we nu maar een „halven" Colijn in ons midden hadden ; maar we zijn er uitnemend over tevree. (Applaus). Misschien mogen we nog wel dankbaar zijn, dat het zoo gegaan is. Want nu Dr. Colijn „onvoorbereid" sprak, bleek duidelijk, dat het een woord was, dat opkwam uit de heilige begeerte, om een goed woord te spreken in den kring, waarin men zich als broederen en zusteren één gevoelt. Dat was een woord uit het hart, tot het hart !
Deze kring — al heeft ze altijd een excellentie in haar midden — is niet verwend met het bezoek van excellenties, 't Is geen verwijt, maar alleen het constateeren van een feit. Daarom acht spreker het een groot voorrecht, dat de heer Colijn aanwezig was. Spreker acht het een groot voorrecht, dat God ons volk zulke mannen gegeven en gelaten heeft, een man met wereldreputatie tot zegen in een grooten kring. Spreker zou hem Indië zelfs niet misgunnen, als hij daarheen werd teruggeroepen. Spreker hoopt, hoe de weg overigens, zij, dat God hem nog langen tijd spare voor zijn werk.
Dr. Colijn was hier uitgenoodigd als voorzitter van het Centraal Comité der A.R. Partij. Dat was niet het leggen van een onbehóorlijken band tusschen Bond en A.R. partij,  maar omdat de Bond van voor zijn geboorte al A. R. was. Van het eerste oogenblik af heeft hij gestreden rondom die banier, die ook van de vaderen overgeleverd is, dank zij niet het minst het werk van Zijne Exc. Generaal Duymaer van Twist.
Nogmaals dankte spreker Dr. Colijn en bad hem Gods zegen toe. Wij beloven u trouw, aldus spreker, om, als het maar even mogelijk is, als één man achter u op te trekken. Spreker durfde besluiten mét een : den leider getrouw ! (luid applaus).

AANBIEDING JUBILEUMGAVE.
Ds. J. C. Wolthers, van Onstwedde, Voorzitter der Herdenkings Commissie, bood namens die Commissie de jubileumgave aan met de volgende toespraak:
Op mij rust nog de taak het resultaat onzer inzameling aan te bieden, en het spreekt vanzelf, dat ik daarbij kort kan zijn.
In September van het voorgaande jaar zaten we als commissie — na onze installatie — voor het eerst bijeen om te overleggen op welke manier we aan het werk zouden gaan.
In overleg met het Hoofdbestuur waren plannen ontworpen om het vijf en twintig jarig bestaan van onzen Bond op waardige wijze te herdenken. Per circulaire werden die plannen alom in den lande bekend gemaakt.
Zooals daar te lezen stond, werd afgewezen alles wat zweemde naar een „feestelijk samenzijn".... en zou alles een sober en eenvoudig sternpeL dragen.
Ziende op den grooten nood onzer Kerk vonden wij vrijmoedigheid een herdenkingsgave te vragen, een offer voor al den arbeid, uitgaande van onzen Bond.
De eerste vraag was nu : „hoe moet dit aangevat worden ? "
Ds. van der Snoek schreef eens in Financiën dat de regeling daarvan heel goed toevertrouwd was aan den secretaris der Herdenkingscommissie. En zoo was het.
Al spoedig was heel ons „plan de campagne" dank zij zijn voorbereidenden arbeid, in kaart gezet, waarbij het land verdeeld werd in 5 districten en alles classicaal was gerangschikt.
De u bekende circulaires werden verzonden aan al onze Predikanten, Kerkeraden, Kerkvoogdijen, Evangelisten, Afdeelingsbesturen, Hoofden van Scholen, Vereenigingen enz.
De hulp werd gevraagd van plaatselijke comité's en de weg werd gewezen, waarlangs naar onze gedachte het beste resultaat bereikt zou worden.
Dit alles is spoedig gezegd, maar wanneer men bedenkt, dat bijna 400 plaatsen werden aangeschreven, dat 70.000 circulaires verzonden werden plus ettelijke inteekenlijsten en bonboekjes, dan begrijpt men wel, dat ook hier het woord geldt: „gauwer gezegd dan gedaan".
Aan de predikanten van elk district werd een album toegezonden, waarin de heeren hun bijdrage konden teekenen.
Aan de hand van onze gegevens hadden wij gedacht, dat het niet onmogelijk zou zijn honderd duizend gulden te verzamelen, om die vandaag het Hoofdbestuur aan te bieden. De Penningmeester van dat bestuur was met ons van die gedachte. Immers hij schreef : „laat niemand zeggen, dat het onmogelijk is. Als ons Gereformeerde volk maar de handen ineen legt, dan kan er wat gebeuren onder den zegen Gods".
Intusschen zat de Commissie niet stil om maar af te wachten, dat de zilveren vloot binnen zou zeilen, doch persoonlijk bezocht elk lid der Commissie in eigen district zooveel mogelijk personen.
Ook meerdere predikanten werden bezocht om een extra gave te offeren, terwijl allen het verzoek ontvingen om ƒ 15.— te storten uit de bus van de catechisatie.
De Secretaris schreef daarvan : „het geld is er, maar het zit nog in de bussen".
Zoo gingen we het nieuwe jaar in, en begon onze Penningmeester, de heer Van Loo, zich schrap te zetten om de gelden te ontvangen. Immers in de komende maanden zou men in vele gemeenten het eigenlijke werk aanpakken, en dan zou de ton wel gestadig aan Oldebroek binnenrollen.
9 Januari lazen we de Ie lijst van ontvangsten in De Waarheidsvriend. Een week later het blijde bericht, de eerste ƒ 1000.— is er, en nog een week later was de ƒ 1000.— ƒ 2000.— geworden.
Elke week bracht daarna een lijst van den Penningmeester met een inleidend woord, waaruit we vernamen, dat de ton nog zoo hard niet rolde. Waar blijven onze gemeenten, zoo luidde het! Vooral laten onze Kerkeraden nog zoo weinig hooren. Niemand stelle uit óf blijve achter !
Daar werd geschreven van een Kerkeraad, die wel toeliet, dat de voorlezer de inzameling afkondigde, maar er mocht van dien Kerkeraad geen woord van aanbeveling bij.
Tusschen die noodkreten werden echter ook blijde klanken vernomen. Meerderen toch gaven een schoon voorbeeld. Het is niet mogelijk alle namen te noemen, maar wel mag ik opmerken, dat de Commissie op dit moment met de ton was komen aandragen, wanneer men alom had gedaan als bijv. te Rotterdam, Veenendaal, Alphen, Wapenveld. Genemuiden, Den Ham, Hoogeveen, Hilversum, de Bildt, Putten, Delft, Amersfoort, Ouderkerk, Utrecht, Barneveld, Onstwedde, (enz., want dit zijn slechts voorbeelden).
Nu is dat niet het geval. Maar toch is het mij een genoegen dat ik namens onze Commissie naast onze gelukwenschen met dezen dag, u, geacht Hoofdbestuur, de som mag aanbieden van één en dertig duizend gulden, als resultaat van onzen arbeid. (Luid applaus).
U dankend namens ons allen, voolr het vertrouwen in ons gesteld, hebben we ons toch afgevraagd, wat de oorzaak kan zijn dat dit bedrag niet hooger opgevoerd is kunnen worden.
Daar zijn wel vele offers gebracht; daar zijn ook vele abonnees ingeschreven en vele leden gewonnen; "maar daartegenover staat dat vele gemeenten achter bleven. De geestdrift was niet algemeen.
Dat is te begrijpen, van ruim tachtig vacante gemeenten, wanneer als gevolg van dat vacant zijn de stuwkracht ontbrak. Maar dat is niet te begrijpen van gemeenten, die niet vacant waren. En toch waren er daaronder al te vele, die naar het ons voorkomt niet hebben gedaan wat ze konden. Laat het ons maar rechtuit zeggen : daar waren al te veel predikanten, die te weinig actief waren.
30 Maart waren nog maar negen en dertig catechisatiebussen binnen. Dat illustreert veler meeleven in onzen arbeid. Na de laatste opgaaf van den Penningmeester bleek, dat 51 bussen een bedrag hebben opgeleverd van ƒ750.60. Waar zijn de andere ?
Twintig predikanten weigerden absoluut ook maar iets voor ons doel te doen. Van tien anderen is. ons onbekend, hoedanig hun houding is geweest.
Honderd en zes dienaren des Woords brachten gezamenlijk op ƒ1950.— ; dat is gemiddeld nog geen ƒ20.—.
Elf particulieren droegen af ƒ 515.—; dat is gemiddeld bijna ƒ50.—.
En verder heeft ook de algemeene malaise, om dat modewoord te gebruiken, onze inzameling geen goed gedaan. Maar — zooals ik reeds zeide — tegenover teleurstelling stond ook groote verrassing — waren we ook getuige van levende belangstelling. Op onze vergaderingen zaten wij niet bijeen als koude rekenmeesters, maar daar werd een geestelijke achtergrond bespeurd. Ik wil van deze plaats mijn medeleden danken voor hun intensen arbeid en trouwe toewijding. En elk onzer zal het billijken, wanneer met name collega Van der Zee in het bijzonder een woord van dank wordt gebracht.
Wij danken voorts allen, die ons trouw terzijde stonden — een elk in de plaats zijner inwoning —, allen die, op welke wijze dan ook, met ons hebben geijverd.
Wat ik gisteren heb gezegd, herhaal ik thans : we hebben niet stil te zitten in den komenden tijd, maar daar is veel arbeid, die roept. Het Hoofdbestuur bezit nu alle adressen, classicaal gerangschikt. Meerdere gegevens zijn door dezen herdenkingsarbeid verzameld, gegevens, aan de hand waarvan gewerkt kan worden.
Misschien verdient het aanbeveling, dat een blijvende Propagandacommissie benoemd worde, waarin nu niet de leden onzer Commissie, maar waarin andere Bondsleden zitting nemen.
Misschien — zoo overdachten wij — is het gewenscht, dat in elke Classis een soort commissaris worde aangesteld. In elk geval is het van belang, dat alle predikanten leeren inzien : hier ligt een taak, óok voor mij.
Wij eindigen met den wensch, dat onze herdenking blijvende vrucht moge afwerpen, en dat, onder den zegen onzes Gods, onze Bond met kracht arbeidzaam moge blijven aan de verbreiding en verdediging der Waarheid in der Vaderen Kerk.
Ds. Van Grieken dankte de Commissie voor haar kostelijk werk. Hoe meer we arbeiden, hoe meer de Heere ons zijne verrassende zegeningen wil doen genieten. Wat is 't toch makkelijk om maar te zeggen : met den Gereformeerd den Bond is het niets gedaan, en met de Hervormde Kerk is het niets gedaan — om dan zelf óók maar niets te doen ! Maar oneindig heerlijker is het, wanneer we trouw zijn in het doen van hetgeen onze roeping is en we den dag der kleine dingen niet verachten. Dan wordt het kleine tot iets groots ! Deze dag bewijst het, nu de HerdenkingsCommissie de groote som van 31.000 gulden aan het Hoofdbestuur kan en mag aanbieden. Spreker heeft het indertijd wel wat gewaagd gevonden, te spreken van 100.000 gulden als jubileumgave. Maar tenslotte begreep hij wel, dat het met wijze bedoelingen was, om allen aan te sporen 't beste been vóór te zetten. En natuurlijk is de schaduwzijde, dat er wel zullen zijn, die spreken van „mislukking". Misschien zullen zij, die zelf niets gedaan hebben, wel 't heftigst dit uitbazuinen. Maar dat deert ons niet. Wij zijn buitengewoon verblijd. En voor degenen die zich afzijdig hebben gehouden, vinden we het geen eer. Gedenkt men misschien heden z'n zonde ? Spreker brengt dank aan al de leden van de HerdenkingsCommissie, maar bizonder aan Ds. G. van der Zee, van Wapenveld, den geboren organisator, die zoo ontzaglijk veel werk weet te verzetten en dat op zoo accurate wijze, en aan den heer Van Loo, van Oldebroek, den Penningmeester. Ook echter aan al de andere leden, want het is ons bekend, dat ieder zonder onderscheid gewerkt heeft boven onzen lof.
De gedachte, om het werk in het belang van onze Organisatie voort te doen zetten door een Propagandacommissie, zou spreker gaarne in het Hoofdbestuur brengen. Want er is nu zoo'n massa materiaal, dat we moeten benutten. We moeten meer leden voor onzen Bond werven, meer abonnees voor „De Waarheidsvriend" enz. Wellicht is voot dit werk geen betere Commissie te vinden, dan we nu hebben gehad. Maar daarop wil spreker niet vooruitloopen. Dankbaar voor hetgeen we nu hebben bereikt, moeten we voortgaan. Wat de actie voor een eigen Kweekschool voor onderwijzend personeel betreft, zegt de Voorzitter nog eens extra, dat men er nu goed van overtuigd moet zijn, dat dit niet van het Hoofdbestuur moet uitgaan, maar van de Schoolbesturen en degenen, die aan onze Scholen met den Bijbel werkzaam zijn. Dat behoeft volstrekt niet — mag zelfs niet — in een weg te gaan, dat we gaan verscheuren wat we hebben. Maar we moeten als Hervormd Gereformeerden ons in eigen kring voor deze zaak, die onze Hervormde Scholen en onze Hervormde Kerk raakt, gaan interesseeren. Het moet blijken, dat deze zaak onder ons leeft. En dan hebben we werkers noodig.
Als door Ds. Wolthers een brief aan den Voorzitter wordt overhandigd, zoo juist van Ds. Remme ontvangen, waarin het Amsterdamsche bedrag zit van ƒ 1067.50, dan zegt spreker nog eens, dat men in Amsterdam toch wel heel bekrompen en dwaas is, wanneer men met één Bondsdominee tevreê is, ja, er geen tweede bij wil hebben. Als één dominee met z'n kring van stoere werkers met zoo'n bedrag kan komen, zou het Amsterdam geen schade doen, indien er b.v. drie Bondsdominees waren.
Tenslotte zegt spreker, dat hij hoopt dat de 31.000 gulden straks ook inderdaad aan den Penningmeester zullen worden overhandigd ! (Gelach).
Verschillende Corporaties aan het woord.
De Voorzitter verleende daarna het woord aan de afgevaardigden van verschillende organisaties.
Allereerst sprak Ds. W. Bieshaar, van Den Haag, namens de zustervereeniging, den Gereformeerden Zendingsbond. Bij stoffelijke goederen doet 't groote aantal der belanghebbenden schade aan ieders deel, maar op geestelijk terrein is dit juist omgekeerd. De Gereformeerde Zendingsbond verheugt zich van harte op het jubileumfeest van haar jongeren broer en wenscht hem 's Heeren zegen toe op zijn verderen arbeid, opdat het zoo vurig begeerde doel nog eens moge worden bereikt.
Ds. H, A. de Geus, Secretaris van den Bond van Herv. Jongelingsvereenigingen op Goref. grondslag, sprak namens genoemden Bond, in de plaats van den Voorzitter, Ds. G. Lans, van Suawoude (Fr.), die door ziekte is verhinderd. De Jongelings Bond is indertijd door den tegenwoordigen Voorzitter van den Gereformeerden Bond, Ds. Van Grieken, van Delft, opgericht, terwijl Ds. Jongebreur, van Veenendaal Secretaris was. Uit de hand van den laatste heeft spreker de pen overgenomen. Het verblijdt spreker ten zeerste, waar de JongelingsBond een kind is van den Gereformeerden Bond, dat hij met goede berichten mag komen wat betreft den zoon. Het aantal leden verdrievoudigde. Deze Bond, opgericht op initiatief van den Gereformeerden Bond, heeft de rechtmatigheid en nuttigheid van zijn bestaan ruimschoots bewezen. Thans in zekeren zin op bezoek bij den verjaardag van zijn moeder, biedt hij zijn welgemeende gelukwenschen.
Namens den Bond van Ned. Hervormde Meisjesvereenigingen op Geref. grondslag, bracht de Presidente, Mevr. Van der Wal, van Wageningen, de hartelijke felicitaties over. Spreekster zei niet te kunnen uiteenzetten al den arbeid, die is verricht door den Gereformeerden Bond ; ze sprak de hoop uit dat de belangstelling en steun van dien Bond steeds meer moge worden ervaren, opdat de Meisjesbond niet langer als stiefkind worde behandeld, en eindigde met den Bond in deze benarde tijden wijsheid toe te wenschen en zegen op zijn arbeid, die zoo rijk gezegend werd.
De heer Van leperen, van Bunnik, theol. student te Utrecht, sprak namens het Hoofdbestuur van de Hervormde Knapenvereenigingen op Gereformeerden grondslag. De jonge menschen, die in dezen tijd vooral behoeven de leiding van een scherp omlijnd levensbeginsel, mogen in dezen de gezegende gevolgen ervaren van den arbeid van den Gereformeerden Bond. Maar de Knapenbond heeft ook iets aan te bieden aan den Gereformeerden Bond ; immers uit zijn midden moeten straks de mannen komen die zijn werk voortzetten. Spreker eindigde met den wensch, dat al onze bonden steeds meer mogen samen bidden en samen werken.
Vóór de bijeenkomst te beëindigen, wil de Voorzitter nog memoreeren, dat in ons midden is de man, die eigenlijk de allereerste oprichter is van den Bond, n.l. Zijne Exc. L. F. Duymaer van Twist, die gaarne nog een oogenblik het woord voert.
Spreker herinnert zich nog levendig de allereerste samenwerking tusschen Prof.Visscher en hem in zijn woning in Den Haag, die tenslotte heeft geleid tot de oprichting van den Bond, om verzamelen te blazen onder de Gereformeerden in de Hervormde Kerk. Moeilijke tijden werden sinds doorgemaakt, zoodat door sommigen aan opheffing werd gedacht. Dat men volhield, is voor een belangrijk deel het werk van onzen Voorzitter, die 23 jaar deze functie bekleedde.
Zich persoonlijk tot Ds. Van Grieken richtend, wijst hij op de zeer aangename wijze waarop hij steeds met hem mocht samenwerken ; als blijk van persoonlijke waardeering voor al hetgeen de Voorzitter al deze jaren voor hem en voor den Gereformeerden Bond mocht zijn, bood hij hem ter herinnering een gouden potlood aan.
Sluiting.

Ds. Van Grieken spreekt daarop een hartelijk woord van dank.
Staande werd nog gezongen Psalm 72 vers 11, waarna Ds. Van der Snoek van Veenendaal voorging in dankgebed.
En toen was de mooie, hartverheffende en bemoedigende HerdenkingsVergadering voorbij, om voort te leven in de aangename herinnering.
Excelsior ! We moeten vooruit! We moeten groeien en uitbouwen. Waartoe de Heere ons genadig zij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1931

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

1906-1931 Herdenkingssamenkomsten

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1931

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's