De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Indien - zoo - want.

11 minuten leestijd

Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die Boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die Boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw Leven is met Christus verborgen in God. Coloss. 3 vers 1—3.

Zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, n.l. die in Zijnen Naam gelooven ; welke niet uit den bloede, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn (Joh. 1 vers 12, 13). Aangrijpend woord ! Dat moet toch wel iets wonderbaars zijn : uit God geboren ! Dat is nog geheel iets an­ders, dan geboren te zijn uit den mensch. Och, wij hebben het soms wel over verbetering, over de ontplooiing van het in ons besloten liggende goede, over het helpen om karakterfouten weg te nemen en dergelijke dingen meer. Maar de Heere heeft het over vernieuwing, over wedergeboorte. Dat is een groot onderscheid. Het eerste is de oude mensch met wat opsiering, niet ongelijk aan de kunstbloem ; het tweede is de nieuwe mensch, nog vol zwakheid en met veel kleingeloof en vreeze, maar een planting Gods. Zoo leert ons de Heilige Schrift. Over dat tweede nu handelt de Apostel Paulus in bovenstaand tekstwoord.
Indien d.w.z. zoo het waar is. De Apostel ziet hier terug op hetgeen hij in het vorige Hoofdstuk heeft geschreven, vgl. Coll. 2 vers 6, 7, 10 enz., vooral vers 20. In den geest der liefde beschouwt hij de gemeente te Colosse in haar geheel als een gemeente van Jezus Christus. Hij weet wel, dat ook daar niet „alles Israël is, wat uit Israël is". Maar de Apostel wil niet doen aan scheiden en uitbannen ; hij begeert niet de in onzen tijd door sommigen zoo geliefde groepeering van meer of minder gevorderden, van die er eigenlijk wèl of geen deel aan hebben, enz. Hij richt zijn brief aan de heilige en geloovige broederen, van wier geloof in Christus Jezus hij gehoord heeft en van de liefde, die zij hebben tot alle heiligen. Hij rekent heel de gemeente naar de besten onder hen. Hij mag het gelooven, dat zij met Christus opgewekt zijn. Die gedachte is voor hem zoo vertroostend, bemoedigend. Zoo is het ook voor den godzaligen prediker. Welk een vreugde, zoo hij verzekerd mag zijn, dat onder zijne hoorders gevonden worden, dien het ernstig om den dierb'ren Christus te doen is.
Opgewekt met Christus ! Heerlijke gedachte : „En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden" (Efeze 2 vers 1). Dat opgewekt zijn wijst dus op een anderen staat, n.l. hunnen doodsstaat. Gij waart dood in de misdaden en in de voorhuid uws vleesches (Hoofdstuk 2 vers. 13). Dood, d.i. beroofd, onmachtig, buiten alle leven en schoonheid. Hoe treurig was dat toch ! Het was voor de menschen misschien niet zoo te zien. Het uitwendige is soms mooi genoeg. Gelijk de afgesneden olijftak de vruchten nog draagt ; de rozentak met knoppen voorzien is, maar zij olie noch bloemen geven en straks verlept neer liggen, zoo is de mensch in zijn doodsstaat. Trotsch gaat hij wel daarheen en meent een rijk, waardevol leven te leven, maar wat is het ? Wat is het ook bij ons ?
Indien ....... nu is het anders geworden. Hoe is het anders geworden ? Ja, dat is onbegrijpelijk. In 2 Tim. 1 vers 9, 10, schrijft Paulus : Die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met eene heilige .roeping ; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen, doch nu geopenbaard is door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, die den dood heeft te niet gedaan en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie. Zie ook Titus 3 vers 4—7. De blindgeboorne is ziende geworden. Hij vraagt zich af : Wat is er toch gebeurd ? De kreupele wandelt. Hij stamelt : Hoe komt dat toch ? De melaatsche is genezen. Hij ziet zijn vleesch: Vanwaar dit ? Welke wonderbare krachten werkten er ? Zoo is het met dat anders geworden zijn. Het is een „met Christus opgewekt zijn".
„Met Christus opgewekt". Moet dat er bij ? Gewis ! Omdat het zonder Christus niet gaat. Daarvan hebben we ons goed rekenschap te geven. Het gaat nooit zonder Hem. Hij heeft Zelf gezegd en het bevestigd door Zijne opstanding uit de dooden : Ik ben de opstanding en het leven (Joh. 11 vers 25). O, konden we, lieve lezers, dit maar in uwe harten schrijven, zooals het in ons hart geschreven staat.
Opgewekt — dat is passief. Dat wil zeggen : Het gaat van een ander uit. Rom. 8 vers 11 : „En indien de Geest desgenen, die Jezus uit de dooden opgewekt heeft, in u woont, zoo zal Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken door Zijnen Geest die in u woont". Daar laagt ge in den slaap der zonden en misdaden. Gelijk Jona lag in dat schip. Toen kwam de storm en de stem riep : „Wat is u, gij hardslapende ? Sta op, roep tot uwen God !" Zoo riep de stemme des Heeren : Ontwaakt gij die slaapt, en staat op uit de dooden en Christus zal over u lichten (Ef 5 vers 14). Toen zijt ge ontwaakt : de oogen der ziele gingen open. Ge zaagt, ja, ge zaagt alles. Zonde, schuld, dood, verdoemenis ! Ook genade, verzoening. Ge zaagt Christus aan het vloekhout ! Ge hoordet Zijn woord : „Het is volbracht". Er werd een wonder aan en in u gewerkt. En ge zegt het juichend den Apostel na : ,,Het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden". (2 Cor. 5 vers 17).
Indien gij nu alzoo opgewekt zijt, zoo ........... Zoo zoekt de dingen, die boven zijn zoo bedenkt de dingen, die boven zijn !
De opgewekte zondaar richt zich op iets. Het is de eigenschap van het oog om te zien, van het oor om te hooren, van het verstand om te denken. Zoo is het de eigenschap van den wedergeborene om zich te richten op de dingen, die boven zijn. Een nieuw leven eischt een nieuwe verhouding. De aardsche mensch richt zich op het aardsche en de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes zijn. Zijn er ook onder ons, die de geestelijke dingen nog maar weinig verstaan ? Omdat zij nog natuurlijke, onherboren menschen zijn ? De met Christus opgewekte mensch is één plant met Hem geworden en richt zich op dien wortel, op dien waren wijnstok. De bloem keert zich nu eenmaal naar het licht, en het verderf wandelt nu eenmaal in de donkerheid. Wat vraagt de mensch zonder Christus naar 't hoogere leven ? Ach, het is slechts zoeken hetgeen der aarde is. De Apostel wil, dat de gemeente te Colosse niet vergeet met welke hooge roeping ze geroepen is, en niet verflauwt en bezwijkt in hare zielen.
De dingen, die Boven zijn ! Boven! Wat bedoelt Paulus daarmede ? Hij wijst op een bepaalde plaats. Neemt de tegenstelling met hetgeen beneden is, het aardsche. Wij weten niet, waar God woont. De aarde is als een zandkorrel in 't heelal. Wij staan verbijsterd bij de onmetelijkheden. Maar toch, wij slaan als vanzelf het oog omhoog. Onder ons de aarde, boven ons de hemel, het oneindige, het eeuwige. Daar zoekt de Apostel het, daar zijn de dingen de dingen!
Niet maar „dingen", doch bepaald „de dingen"! Er is een plaats ; in die plaats een volheid ; en dat alles is hemelsch. De Apostel wijst het aan, als hij er bij voegt : daar is Christus, daar is God. Dat is hem het hoogste. Waar God de Vader is, en waar Zijn Zoon Jezus Christus is, daar zijn de dingen, voor Gods kinderen het meest begeerlijk. Daarheen gaat hun vurigst verlangen uit. Zullen wij ze opnoemen, die dingen? Maar zijn ze niet, waar Jezus Christus is, zijn ze niet in Zijn hand ? Staat er niet geschreven : „De Vader heeft den Zoon lief en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven" (Joh. 3 vs. 35). Hoe kan het ook anders, dan dat Gods kind de dingen, die zijn hart boven alles dierbaar zijn, zoekt bij dien Christus, in Wiens doorboorde handen alles is, wat Zijn volk zalig maakt ? Ach, dan gevoelen we wel, dat we niet moeten beproeven de waarde en heerlijkheid van die dingen te beschrijven. Daartoe zijn we onmachtig. Paulus mocht eens opgetrokken zijn in den derden hemel, in het paradijs, maar hij kon niet uitspreken, wat hij zag en hoorde. Johannes op Patmos zag door een geopende deur in den hemel en heeft ons beschreven hetgeen hij gezien heeft. Maar hoe weinig kunnen wij daar ook bij ! Hetgeen geen oog heeft gezien, geen oor gehoord ; hetgeen in geen menschenhart is opgeklommen, dat heeft God bereid, dien die Hem liefhebben.
De dingen, die Boven zijn ! Daar is de troon van God en de troon van het Lam. Daar het nieuwe Jeruzalem, de eeuwige stad. Daar zijn de harpen en de liederen ; daar de hemelsche heirscharen. Daar is de zoetste vrede, de rust, de liefde zonder vrees en smart. Maar dat alles is nog gering in vergelijking met Hem, Die op den troon zit. En de ziele, die de paarlen poorten ziet en de gouden straten, en dan de oogen mag opheffen tot Jezus Christus, zittende aan de rechterhand Gods, roept het uit : ,, Bij U, mijn Koning en mijn God, verwacht mijn ziel een heilrijk lot".
De dingen, die Boven zijn. Dat zijn ook van die dingen, die van Boven af op Gods volk afdalen. Dat zijn de kristallijnen vensters, de Jacobsladders, de vattende rechterhand, de troostende beloften, het zaligend Evangelie.
Zoo zoekt zoo bedenkt ! Och, kind Gods, het zou kunnen zijn, dat ge het naliet En we weten, dat wij het menigmaal nagelaten hebben en nog nalaten. Want naast het nieuwe leven ligt de oude dood, naast den nieuwen scheut de afgesneden tak, naast de fontein des levens vinden we de vuile bron van wanbedrijven, naast de vrucht des Heiligen Geestes de vrucht der zonde. Het nieuwe leven op aarde is nog geen volkomen, volmaakt leven. We hebben nog den strijd, niet tegen vleesch en bloed. De dingen, die Boven zijn Want in de aardsche dingen ligt niets, dat uw ziel zaligt. Het is alles zoo ver van het waarachtige aL Op Gods Thabor is alles klein,
Zoo zoekt zoo bedenkt !
Want.gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Hier komt de Apostel terug op het groote werk der genade Gods. Ge zijt gestorven. De dood maakt altijd scheiding. Er is iets gebroken, afgerukt Het oude is voorbijgegaan. Ge kunt daarin uw leven niet meer vinden. Dat aardsche, lagere is in beginsel weg. Nu is het leven er wel. Maar het is verborgen in God. Met Christus verborgen. Alweer : zonder Christus is het niet mogelijk. Want uw leven behoort ook tot de dingen, die in Christus' hand zijn. Hij draagt uw leven in zich. En alle dingen brengt Christus tot den Vader. Ook ons, ook ons leven. Petrus 3 vers 18 : „Opdat Hij ons tot God zou brengen". Ons waarachtig leven is in Hem. En met Hem is het in God. Zoo vast en zoo veilig. Geen Satan, geen dood kan het ons ontrukken. Zooals de diamant veilig in de safe ligt verborgen. Maar nu moet ge het ook daar zoeken, waar het is. Nu moet ge er aan denken. Niet vergeten, dat alles wat werkelijke waarde heeft, bij God is. (Romeinen 5 vers 1).
Dat is nu de roeping van Gods kinderen. Dat begeeren ze ook in die uren, wanneer de Geest in hen werkt. Wij denken altijd, wij zoeken altijd. Geen leven gaat er zonder dat zoeken, denken, voorbij. Evenwel geeft dat zoeken en denken aan millioenen maar weinig troost, vrede, voldoening. Want en dat is ook een ,,want" want de wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid. We vliegen den hemel niet in met aardsche vliegmachines, noch met de vleugelen van onze kennis, deugd, vermogen.
Maar die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden. (Jesaja 40 vers 31).
Indien — zoo — want ! Een drietal woorden. Ieder woord in ons tekstverband brengt een vraag in het hart en op de lippen. Deze : Ben ik met Christus opgewekt ? Bedenk ik de dingen, die Boven zijn ? Is mijn leven met Christus verborgen bij God ? Aan die vragen gaan weer andere vooraf, en op die vragen volgen weer andere. En de antwoorden zijn vaak zoo moeilijk. De tranen komen er ons bij in de oogen. En toch, onder dat alles fluistert mijn hart : Wien heb ik nevens U in den hemel ? Nevens U lust mij ook niets op de aarde ! En zoo is het toch licht ; licht en vrede !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's