De Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
„Je hebt een beste vrouw, Barends. Iemand die algemeen bekend staat als een, die haar best wil doen, maar ik vrees wel eens dat het haar te zwaar wordt ; Syke veroudert in den laatsten tijd hard".
He, dat dominé dat zoo zag. 't Was hem zelf ook al eens een keer of wat opgevallen.
„Ze klaagt ook nog eens, dominé !"
„Geen wonder, daar is een vrouwenlichaam niet voor bestand. Een goede huismoeder vindt binnendeurs werk in overvloed. Ge moest het zoover zien te brengen, dat je vrouw voortaan thuis kan blijven".
,,'t Zegt u wel, dominé, maar hoe ? Ons vak wordt er in de laatste jaren niet beter op".
„Minder praten, en méér dóen, Barends".
Hé, dat was raak. Want zoo dachten alle menschen er over, en spraken daar óók wel van, maar achter zijn rug. Niet één die het hem zei ; tenminste niet zooals dominé, kort, maar krachtig, zonder bitterheid, doch tevens zóó, dat het woord als een pijl trof en met een weerhaak zitten bleef.
Bedremmeld keek Symen voor zich. Als een schoolknaap, die afgestraft wordt. Het scheen dat dominé er meer van wist. Want Symen is het bij zich zelf hier over wel eens, dat de baas hem onder een voorwendsel heeft weggezonden, maar om zoo spoedig mogelijk een andere hulp te zoeken. Als deze ten minste nog niet klaar staat.
Daarop vervolgde dominé : ., wij hebben allen een roeping in dit leven, Barends. Voor ons zélf en voor onze gezinnen, en voor onzen arbeid, en voor allen met wie wij in aanraking komen. Het is mijn plicht om met alle kracht te werken van den morgen tot den avond aan het welzijn van de gemeente, in geestelijk en stoffelijk opzicht, want het hart en de maag liggen nipt zoover van elkaar, en het een kan niet zonder de ander, maar zoo hebt gij te zorgen dat uw werk prompt in orde is. Als de menschen 's Zondags in de kerk komen, dan moeten zij niet kunnen zeggen dat de dominé het deze week met zijn arbeid op een accoordje heeft geworpen, maar dan moet hij de beste preeken leveren, die hij bij het liaht des Geestes Gods maken kan, versch uit de bron, als het kristalheldere water uit een fontein, en wanneer Symen Barends een vat in elkaar slaan moet, dan heeft hij dat zóó af te leveren, dat geen mensch gegronde aanmerking kan maken. Nu kunnen wij beiden dat uit ons zelf niet doen. Ik kan uit mijn eigen geen hemelsche dingen in aardsche klanken vertolken, zoodat die als woorden des Levens, zegen en wasdom verspreiden, en gij hebt uit u zelf de bekwaamheid noch den lust voor de taak, waartoe God je riep. Daarom zegt de Apostel ook : „onze bekwaamheid is uit God". Maar als je die bij Hem zoeken wilt, Barends, gelijk ik dat ook moet doen, dan zal je ervaren hoe rijk Zijn zegen maakt, en welk een vrede dat geeft aan je hart. Dan wérken we, alsof het van ons werken afhing, maar doen het in kinderlijke afhankelijkheid, omdat wij weten dat aan Gods zegen het alles gelegen is".
Nog nooit had Symen zoo'n preek gehoord. Meermalen had hij gezegd, dat de dominé's zoo onbegrijpelijk hoog staan en buiten het gewone leven, maar hier had hij een sociale preek. Dat de dominé óók een werkman was, al betrof zijn arbeid dan een ander gebied, had hij nooit zóó opgevat. Voor hem waren het altijd menschen geweest, die zoo wat niets deden dan een heele week op een preek broeden, en dan hier en daar ook nog eens een bezoekje afleggen en gedurende de wintermaanden eenige weken godsdienstonderwijs geven aan de jeugd, maar dat óók al niet veel om het lijf Ihad. Ten minste, dat was zijn ervaring uit de kinderjaren, zoodat hij ook maar heel weinig Schriftkennis had opgedaan. Dominé was gewoonlijk zelf veel te blij dat hij er maar weer af was. Doch nu gaf dominé Randwijk hem een heel anderen kijk op zijn werk. Deze man was in de week ook niet ledig, werkte van den morgen tot den avond, stond voor allen klaar, zooals nu weer voor hem, was daarbij altijd even voorkomend en vriendelijk, deed zooveel mogelijk wat men van hem vroeg, al was het ook in den nacht, en vroeg voor dat alles nooit vergoeding. Al was 't nóg zooveel gevergd. 't Hoorde er immers bij" — meenden de menschen, en daar werd de dominé toch ook voor betaald.
Thans was het, alsof Symen een ander licht opging. Wat is een dominees-leven 'n heel ander leven dan dat van een ander mensch, en wat komen er aan een pastorie toch heel andere boodschappen dan aan een particulier huis. Tenminste wanneer hij, als ds. Randwijk, een herder voor de schapen is, die ze weidt en leidt om zoo in alle hun behoeften te voorzien.
,,Maar als u zóó het werk beschouw;, dan hebt u het druk, dominé", zei Symen.
„'t Heb ik ook, maar dat is een zegen voor den mensch. Wanneer dan de arbeidsdag is gedaald en de levenszon ter kimme neigt, mag hij ook terugzien op een welbesteed leven, dat niet na zal laten een lichtspoor te zijn voor anderen. Maar om op 't onderwerp terug te komen, Barends, je wilt hebben dat ik bij mijnheer Franzen een goed woordje voor je doen zal, terwijl gij van uw kant daartegenover uw volle werkkracht wilt geven ? "
„Ja, dominé".
„Afgesproken. Je hoort er dan wel nader van".
„Tin-ge-lin-ge-ling !"
Weer wat anders. Haastig greep Symen naar zijn pet om den volgenden bezoeker plaats te ruimen.
„Ben ik ook wat in de schuld, dominé ? vroeg hij nog.
,,Anders niet, dan Syke van mij te groeten en haar te zeggen dat naar ik hoop, de zwaarste tijden achter haar liggen" — zei dominé lachend.
„'k Hoop het ook, dominé, & jij 't zal niet aan mij mankeeren".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's