De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

23 minuten leestijd

Niet aardig.
Dat er van de Confessioneelen op onze Herdenkings-Vergadering, in Utrecht gehouden, zouden afvliegen, om, zoo mogelijk een schaduw over dit mooie, heerlijke samenzijn te werpen — hadden we niet verwacht.
Maar ja, vliegensvlug verschijnt er een „Ingezonden" in de „Gereformeerde Kerk", het orgaan van de Confessioneelen, geschreven door E. Immeker te Wezep (Gld.) iemand die al jaren als een maniak den Gereformeerden Bond bestrijdt en de Gereformeerde Bonders narijdt — altijd nog verbitterd dat Wezep niet meer „Confessioneel" is maar „Gereformeerde Bond" is geworden — en warempel geeft de hoofdredacteur, dr. Kromsigt van Rinsumageest een breed onderschrift, of eigenlijk beter gezegd een „Ingezonden" bij het „Ingezonden".
Wij gaan op den inhoud niet in.
Natuurlijk niet.
Alleen willen we hier toch even zeggen dat we het buitengewoon betreuren, dat men zoo dom is, om zóó te schrijven.
Ook kon „het Hervormd Zondagsblad" van Friesland zich blijkbaar niet bedwingen om minder lieflijke dingen te schrijven per keerende post
Eigenlijk klein.
Neen — aardig is het niet !
Ook niet verstandig.

Te koop wegens afbraak.
Waar het huis precies staat, weten we niet Maar 't is te Amsterdam. Daar zijn enkele jaren geleden, met veel ophef, twee moderne Hervormde predikanten gestationeerd. Het heette in de wereld der Vrijzinnig Hervormden in Nederland een „eerezaak". Men zou de Hervormde Kerk te Amsterdam redden, 't Ging daar zoo treurig. En nu zouden twee vrijzinnige Hervormde dominees naar de hoofdstad gaan om de ongelukkige Kerk van Amsterdam weer op de been te helpen. Eerst door particulier te werken. Dan zou de belangstelling— vooral ook onder de Liberalen en Socialisten — voor de Hervormde Kerk groeien en toenemen. Dan zou men bij de stembus de overwinning behalen. Dan zou men.......
Maar dat is niet meegevallen. Natuurlijk publiceert en zegt men niet alles. Maar het is niet meegevallen. Ook al bleven de fanfares niet uit En toen is eerst de eene dominé, die er nauwelijks was en als „de rechte man op de rechte plaats" was aangekondigd, er van door gegaan door een beroep naar een landelijk dorp aan te nemen, en nu gaat zoowaar — ,,het Handelsblad" publiceerde het als extra-tijding met portret — de andere dominé ook weg naar Drachten.
Dat is voor Amsterdam een strop. Nu is het reddeloos verloren met de Hervormde Kerk.
De „eerezaak" van de Vrijzinnig Hervormden in Nederland komt er op die manier wel heel kaal af!
En omdat het nu in Amsterdam „Kerkeraad" geworden is en het „Kiescollege" voor tien jaar zeker uitgeschakeld, bestaan er plannen om de heele zaak maar van de hand te doen.
Men was zoo mooi op gang anders. Want in het Kiescollege bracht men reeds één stem uit (die er bij ongeluk, door een wonderen samenloop van omstandigheden bij de stembus, in gekomen was) en ziet, nu is die ééne* stem óók weg.
Afloop der wateren.

Rumoer in eigen kring.
De Vrijzinnig Hervormden zijn vreedzame menschen ; en ze hebben den mond er dadelijk vol van als er bij de rechtzinnigen verdeeldheid en herrie is. Dan klagen ze daarover dag en nacht en betreuren, dat onder die orthodoxen de verdeeldheid zoo groot is. Met de toepassing : dat het met die orthodoxen niets gedaan is en dat de Hervormde Kerk er niets van te wachten heeft.
Maar ook onder vreedzame lieden, die als broeders en zusters één zijn, is er wel eens een vuiltje aan de lucht. Dan staat barometer op veranderlijk en de voorteekenen zijn er van boos weer.
Zoo is het nu onder de Vrijzinnig Hervormden in Nederland, die anders de beste menschen van de wereld zijn ; vriendelijk, beleefd, verdraagzaam en wat er zoo al meer bij hoort.
Men moét de Vrijzinnig Hervormde Pers nu maar lezen.
Men moet de artikelen in „Kerk en Volk", 't hoofdorgaan, maar eens nagaan.
Dat orgaan groeide zóó hard, dat de ton waarin de boom geplant is (wie zet er nu een boom, een wezenlijken boom in een ton I!) openbarst en uit elkaar spat. Aan den kop van het blad staat het ingegraveerd en wordt het aanschouwelijk in teekening voorgesteld. „Men hoort het groeien !"
Maar ach, arme ! De redactie scheldt nu elkaar uit, dat het zoo'n aard heeft. En op de meest onhebbelijke manier heeft de een er den ander uitgewipt. Men moet ds. Meijer, den hoofdredacteur, maar hooren ! Men moet ds. Van Wijhe maar beluisteren. Ze hebben het nog eens even waargenomen, om hun gemoed te luchten. En nu gaan ze heen. En een ander zal de plaats innemen. Maar vele veranderingen zullen daarmee vergezeld gaan. Geen kleine beroering is er in de kringen van de Vrijzinnig Hervormden. En gehoord de scheldpartij, zal de vrede vooreerst nog niet geteekend worden.
V/e zullen maar eens een poosje rustig toeschouwer zijn.

Zoo zijn onze manieren.
In het orgaan van de Vrijzinnig Hervormden, „Kerk en Volk", schreef een paar weken geleden een vader, dat hij zijn zoon van de catechisatie van den vrijzinnig Hervormden dominé had genomen en dat hij nu maar naar de Remonstranten was gegaan. En de oorzaak ? De moderne Hervormde dominé had zoo schandalig spottend over een bijbelverhaal gesproken op de catechisatie en dat bijbelverhaal belachelijk gemaakt. Die moderne dominé geloofde niet alleen niets van dat bijbelverhaal, maar had z'n hart eens opgehaald om den onzin van het bijbelverhaal in het licht te stellen. Iets, waarin moderne dominees blijkbaar goede vorderingen gemaakt hebben. Althans sommigen. En nu had de vader van den catechisant er genoeg van en nam den leerling weg en ging over naar de Remonstranten.
Zoo gooit men z'n eigen glazen in.
Maar ach, men kan ook eigenlijk niet anders. Daar staat nu b.v. deze week een „stichtelijk artikel" in „Kerk en Volk" ('n soort „Schriftoverdenking") handelend over de „wonderbare spijziging". En dan begint ds. Van Leeuwen, van Winschoten, zijn „meditatie" met deze woorden : ,,Telkens als ik het verhaal van de „wonderbare Spijziging" lees, verheug ik mij er over, dat ik geen letterknecht ben. Want nu behoef ik mijn verstand, mij door God geschonken tot onderzoeken en nadenken, geen geweld aan te doen door het te dwingen om aan te nemen, wat niét aangenomen kan worden". En dan gaat het verhaal, in naam van het goddelijk verstand, overboord ! Het verhaal wordt dan „een ongewone dichterlijke wijze van" enz. De letterknecht spreekt hier van een „onbegrepen wonder", maar de met goddelijk verstand begaafde moderne dominé spreekt hier van ; en dan komen er allerlei fraaiïgheden. Als men zich zóó — in naam van het goddelijk verstand nog wel — tegenover al de verhalen van den Bijbel stelt, dan wordt het alles on-historisch gedoe, alles legende, symbool, inkleeding enz. Dan is de ontvangenis van den Heiligen Geest, de geboorte van Jezus, Zijn woord en Zijn werk, Zijn dood, begrafenis, opstanding, hemelvaart ; de uitstorting van den Heiligen Geest, de wederkomst ten oordeel, de opstanding des vleesches, de zondeval, de erfschuld en erfsmet, de rechtvaardigmaking om den wille van des Heilands kruis-en zoenverdiensten enz. enz. dan is alles on-historisch, legende, symbool.
En er is dan waarlijk nog al, eens oorzaak om bij al dit on-historisch gedoe van Adam, Noach, Abraham, Mozes, Jozua, Samuel, David, Elia, Jesaja, Ezechiël, Daniël, Jezus, Petrus, Lucas, Paulus, Johannes op Patmos enz. enz: , onbarmhartig van leer te trekken. Ook soms wel om toor­nig uit te vallen of ook wel sarcastisch te spotten.
Zoo zijn onze manieren !
De besten zeggen dan heel deftig : het is alles een verzameling van sagen, mythen en legenden, zeer belangwekkend voor de liefhebbers, maar van geen wezenlijke waarde voor ons, Christenen !
Maar dat zijn dan ook de besten en de deftigsten.
Die er ook niet op tegen zouden zijn, wanneer de heilige letterkunde van Indiërs, Egyptenaren en Perzen in den Bijbel werd opgenomen, het zoo goed belangrijk zijnde voor de liefhebbers als de heilige letterkunde van de Joden.
Maar dat zijn dan de besten en de deftigsten en de geleerdsten.
De mindere goden houden meer van een grapje en spotten wel eens graag, b.v. met de ark van Noaoh. Zooals die dominé, op wien de vader van den catechisant zoo boos was.

Wij weten.
Men is zoo parmantig geweest — en onder de Ethischen zijn vele van die parmantige, manhaftige personen geweest — om met ds. Cramer, van Den Haag (1906) te zeggen : „dat wij van geen enkel woord en van geen enkele daad van Jezus met volkomen zekerheid kunnen zeggen : „Zóó heeft Jezus gesproken, dat heeft Hij gedaan" (dr. Cramer, „Bijbel" en „Kritiek", 2de druk, bladz. 87, 94).
Of dat nu „ethisch" oftewel „sceptisch" is, zullen we maar laten rusten.
Maar Lucas dacht er toch blijkbaar anders over. Die schrijft in zijn Evangelieverhaal : „Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben, gelijk ons overgeleverd hebben die van den beginne zelve aanschouwers en dienaars des woords zijn geweest ; zoo heeft het ook mij goedgedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theófilus, opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt" (Lucas 1 vers 1—4).
vol­ Bij Lucas is het : zekerheid komen zekerheid
God had gezorgd voor opschrijving van de dingen, die geschied waren De kronieken en oorkonden en verhalen van degenen die zelve aanschouwers waren geweest en dienaren des Woords, zijn óók van den Heere. En dan leidt de Heilige Geest Lucas om dat alles naarstig te onderzoeken en dan ook zelf een ordelijk verhaal op te stellen, opdat wij zouden kennen de zekerheid der dingen, waarin wij onderwezen zijn ! Zie ook : 1 Joh. 1 vers 1—4.
„Wij weten" — mag de Kerk van Christus zeggen, door het Woord en door den Geest. Daarvoor heeft de Heere gezorgd, voor Zijn Kerk, die door alle eeuwen heen een Woord-Kerk is en zijn moet.
En dan „weten" wij „opdat", zoo zegt Johannes, „uwe blijdschap vervuld zij". (1 Joh. 1 vers 1—4)..

Het gaat om Jezus Christus.
Die zoo „ethisch" en „sceptisch" (twijfelzuchtig en aan alles wat het Woord betreft twijfelend te zeggen : ,,wij zijn van geen enkel woord en van geen enkele daad van Jezus volkomen zeker" (ds. Cramer — nu prof. Cramer), moeten, ethisch of niet, wel bedenken, dat Christus altijd in den weg der Schriften komt. Het Woord moet gepredikt worden. En onze Catechismus zegt zoo naar waarheid, dat Christus bezig is ,,door Zijn Geest en Woord Zijn Kerk te vergaderen". In den weg van het Woord kwam Christus tot de Emmaüsgangers. Toen zij 't Woord, Mozes en de Profeten, niet recht kenden en niet recht zagen, toen zagen zij in Christus, den lijdenden en stervenden Verlosser, niet den Messias. Maar toen de Heiland de deuren van het Woord opende en hen in het Woord rondgeleid had, toen deed de Geest hun harten branden en opende hun oogen en zij zagen Christus.
Zoo moet Christus ook openbaar worden in den weg van het Woord, door het Evangelie der Schriften, aan de Negers, Batakkers, Papoea's, Toradja's, Heidenen, Joden en Mohammedanen, ook aan ons en aan onze kinderen. In den weg van het Woord.
„Predikt het Woord" heeft Jezus gezegd. En Paulus zegt : ze zullen niet kunnen gelooven als hun niet gepredikt wordt. En van de prediking zegt hij : dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.
Hand. 13 vertelt ons, dat het Woord Gods gepredikt werd : „En op den volgenden sabbat kwam bijna de geheele stad te zamen om het Woord Gods te hooren." „En het Woord des Heeren werd door het geheele land uitgebreid." Neen, God gaat niet in den weg van allerlei menschelijke verzinsels, maar in den weg van het Woord tot de wereld. „God dan de tijden der onwetendheid overgezien .hebbende, verkondigt nu allen menschen alom dat zij zich bekeeren". (Hand. 17 vers 30). Daartoe laat Hij het Woord prediken.
Zooals de Emmaüsgangers, zooals de Moorman, zooals Lydia tot het geloof, tot het licht, tot Christus werden gebracht in den weg van de prediking des Woords, 't welk de H. Geest komt gebruiken en zegenen tot zaligheid, zóó moeten onze zendelingen, zoo moeten onze Dienaren des Woords onder de heidenen, de Joden, de Mohammedanen uitgaan, om het Woord te prediken. Zoo moet ook hier, in het midden van een christenland, het Woord gepredikt worden. De Bijbel moet op den kansel liggen. De Bijbel in de catechisatiekamer. De Bijbel in de school. De Kerk moet Woord-Kerk zijn, niets anders wetende dan Gods getuigenis. De School moet School met den Bijbel zijn, om de jeugd naar den eisch des wegs te onderwijzen, bij het licht van Gods Waarheid.
En zoo moeten we niet zeggen, dat we niet weten wat het Woord is ; want dan werpen we hoogmoedig van hart en dwaas van verstand, wég : wat God ons gegeven heeft. En dan staan we Christus in den weg. Die tot de wereld wil komen in den weg der Schriften. En zou dat heel vreeselijk zijn ?
We moeten hebben het Woord des Heeren, dat blijft in der eeuwigheid. En dat Woord zweeft niet in de lucht. Dat Woord is niet iets abstracts. Petrus zegt : „En dit is het Woord dat onder u verkondigd is." (1 Petrus 1 vers 25).
De Heiland ging ook niet met de Emmaüsgangers praten en zeggen : we weten van Mozes en de Proleten eigenlijk geen enkel woord met zekerheid. De Heiland leefde bij de Schriften en predikte Zichzelf, zooals Hij Zichzelf in de Schriften zag, en zóó schilderde Hij Zichzelf hun voor oogen, opdat ze gelooven zouden en met blijdschap vervuld worden.
Dat bedoelt ook Johannes, wanneer hij in z'n eersten brief schrijft : „Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens — hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met Zijnen Zoon Jezus Christus. En deze dingen schrijven wij u, opdat uwe blijdschap vervuld zij" (1 Joh. 1 vers J—4).
Hier ligt de schakel om met den Vader en met den Zoon verbonden te worden, om met blijdsohap vervuld te worden.
En de schakel loopt door het Woord.
Als een zendeling niét weet wat het Woord is — wat doet hij dan als prediker van het Evangelie onder de heidenen ?
Als een dominé niet weet wat het Woord is — wat doet hij dan op den kansel ?
Denkt hij dan waarlijk dat hij zóó knap en zóó interessant is, dat hij wel komen kan en mag met wat hij zelf heeft uitgedacht of goedgevonden ?
Petrus zegt het anders ! Die zegt : het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid. En dit is het Woord dat onder u verkondigd is." En hij weet van „wedergeboren worden uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord Gods."
Alle vleesch is als gras en alle heerlijkheid des menschen is als eene bloem van het gras. Het gras is verdord en zijne bloem is afgevallen ; maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid. En dit is het Woord dat onder u verkondigd is.
Die ons dat Woord, dat onder ons verkondigd is, willen ontnemen, ontnemen ons Christus en berooven ons van de gemeenschap met den Vader en den Zoon, en van onze blijdschap.
Zelf is men dan zóó wijs in eigen oog, dat men met Cartesius zegt : „ik onderwerp mij niet aan het gezag van anderen, ik ben alleen mijzelven tot gezag" (Rauwenhoff. Gesch. v. h. Protestantisme II, blz. 125—126).
Maar wij moeten dienaren van Jezus Christus hebben, die „blijven in 't geen zij geleerd hebben en waarvan hun verzekering gedaan is, wetende van wien zij het geleerd hebben — blijvende bij de heilige Schriften, waarin zij van kinds af onderwezen zijn, die hen wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof hetwelk in Jezus Christus is." (1 Tim. 3 vers 14, 15).
We moeten hebben Dienaren des Woords, van kinds af in de heilige Schriften onderwezen — belijdende : „Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is." (1. Tim. 3 vers 16).
Dienaren des Woords, in de heilige Schriften onderwezen, om met het Woord des Heeren uit te gaan „opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust". (1 Tim. 3 vers 17).
Dan krijgen we oprecht geloof hetwelk in Jezus Christus is.
Dan krijgen we ook toegepast Christendom in de practijk der Godzaligheid ; geloovigen, die „tot alle goed werk volmaakt toegerust zijn".
En dat Woord wil men ons nu aldoor maar ontnemen, omdat men zelf zoo gaarne aan 't woord wil komen, en eigen wijsheid wil uitkramen.
Wij blijven liever bij 't Woord, dat ook onder ons verkondigd wordt. „Want al | wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop hebben zouden", Rom. 15 vers 4.

„De Heraut" over „De Hervormde Kerk".
Onder het sprekende opschrift : „Een Valsche Kerk"? schrijft prof. dr. H. H. Kuyper in „De Heraut" het volgende artikeltje, waaraan wij hier gaarne een plaats inruimen, 't Is toch wel typeerend, dat zoo'n vraag (zie hieronder) ten opzichte van de Hervormde Kerk in 1931 nog gedaan wordt. Het antwoord waardeeren we, in verband met die vraag, ten zeerste.
Het artikel luidt dan in z'n geheel :
Een onzer lezers vraagt ons, of uit het feit, dat de inrichting der Hervormde Kerk collegialistisch is, niet volgt, dat we deze Kerk dus niet meer als Christelijke Kerk kunnen erkennen.
De praemissen, waarvan onze lezer bij deze vraag uitgaat, zijn op zichzelf volkomen juist. Hij merkt op, dat in het Kerkelijk Handboekje, door prof. Biesterveld en prof. dr. H. H. Kuyper uitgegeven, een beschouwing voorkomt over de verschillende stelsels van Kerkregeering en daar wordt opgemerkt, dat onder deze verschillende stelsels het collegialistische het eenige is, waarin het karakter der Christelijke Kerk werd prijsgegeven en de Kerk als zichtbaar instituut verlaagd wordt tot eene gewone menschelijke vereeniging, waarin de wil der meerderheid beslist. Nu is, zoo gaat hij verder voort, uw ernstige bezwaar tegen de Hervormde Kerk, dat de bestuursinrichting door Koning Willem I haar opgelegd, collegialistisch is. Maar daaruit volgt dan ook, als ge consequent wilt zijn, zoo eindigt hij, dat de Hervormde Kerk door dit collegialistisch stelsel te aanvaarden of te dulden, haar karakter van Christelijke Kerk verloren heeft en een gewone menschelijke vereeniging geworden is.
Schijnbaar is tegen deze gevolgtrekking niets in te brengen. Uit de beide praemissen schijnt deze conclusie logisch te volgen. Toch is deze conclusie niet juist: Zooals 't wel meer gaat met zulke logische conclusies, ze zijn in abstracto wel waar, maar in de practijk komen ze niet uit, omdat de werkelijkheid veel te ingewikkelder problemen en toestanden oplevert, die met de zuivere logica spotten.
Op het vraagstuk zelf in den breede in te gaan, zou te veel plaatsruimte vorderen, en dit behoeft ook niet, waar we vroeger in een breede artikelenreeks dit vraagstuk reeds behandeld hebben. Blijkbaar is dit onzen lezer ontgaan. Mogen we daarom ditmaal met een korte aanduiding volstaan, om aan te geven, waar de fout dezer redeneering ligt.
Al is de bestuursinrichting der Hervormde Kerk collegialistisch, toch mag die bestuursinrichting niet met de Hervormde Kerk vereenzelvigd worden. De collegialistische bestuursinrichting is door Koning Willem I aan de bestaande Gereformeerde Kerken opgelegd, maar deze plaatselijke Kerken hebben daarmede niet ineens het karakter van een Christelijke Kerk verloren. Een plaatselijke Kerk, waar het Evangelie nog gepredikt wordt en de Sacramenten nog naar Christus' instelling bediend worden, is geen schijnkerk, ook al kleven haar vele gebreken aan. Het collegialistisch Kerkregiment, dat aan de Gereformeerde Kerken is opgelegd, niet uit haar zelf voortgekomen, is een booze macht, die zeker ontzaglijke schade aan de Kerk heeft toegebracht. Maar deze booze macht heeft het wezen der plaatselijke Kerken nog niet, althans niet overal, vernietigd. In zekeren zin geldt hier hetzelfde als wat Calvijn van de Roomsche Kerk opmerkte. De pauselijke hiërarchie, die zich van Christus' Kerk had meester gemaakt, was een antichristelijke macht. Maar door Gods genade waren ook in de Roomsche Kerk nog overblijfselen gebleven van de ware Christelijke Kerk. Daarom kan de Doop dezer Kerk nog als Christelijke Doop erkend worden. Hoeveel te meer geldt dit dus van de Hervormde Kerk, waarin trots al de deformatie van haar Kerkinrichting, toch nog tal van plaatselijke gemeenten gevonden worden, waaraan niemand het karakter van een Christelijke Kerk ontzeggen kan.
Zooals we boven reeds zeiden : we zijn dankbaar, dat prof. Kuyper zóó heeft willen antwoorden, in betrekking tot de Hervormde Kerk.
En wij onderstrepen dan hier gaarne vooral ook dezen zin: „ die bestuursinrichting mag niet met de Hervormde Kerk vereenzelvigd worden".
De Organisatie is de Kerk niet.
En de plaatselijke Kerken, waar het Woord nog bediend wordt en de Sacramenten van den Heiligen Doop en van het Heilig Avondmaal zijn, door Gods groote goedheid en wondere trouw, niet weinige.
Och, dat men in 1886 de kerkelijke machine, die vast stond, niet met geweld had geforceerd !
Wie weet, wie weet wat heilzame gevolgen dat gehad zou hebben voor de Kerk onzer Vaderen, die als 's Heeren Kerk nog altijd staat in het midden des volks !

Een andere toon.
In „De Heraut" (hetzelfde nummer waaruit we het artikel : „Een valsche Kerk" ? overnamen), lezen we een artikel van prof. Grosheide over „Gereformeerd Schoolverband". Daarin wórdt ook een artikel verwerkt van de hand van den heer B. van der Kolk, hoofd van een Hervormde School in Amersfoort, geschreven in ,,De School met den Bijbel". En in dat laatste artikel wordt gehandeld over de onderlinge verhouding tusschen Hervormden en kerkelijk-Gereformeerden op schoolgebied.
De heer Van der Kolk vindt, dat de kerkelijk-Gereformeerden wel iets toeschietelijker mochten zijn tegenover de Hervormden ; waarbij hij o.a. denkt aan de groote Schoolorganisaties, met name Christelijk Nationaal Schoolonderwijs en Schoolraad.
Dat geeft prof. Grosheide aanleiding om te schrijven : de kwestie is niet zoo eenvoudig. Want dat Hervormd zegt niets. Dan kan men nog modern, ethisch, gereformeerd zijn. En men zal ons Gereformeerden, niet euvel duiden, dat we er weinig lust in hebben aan onze kinderen op ethische wijze de Bijbelsche Geschiedenis te laten onderrichten. En het vechten om als Gereformeerden de meerderheid in het bestuur te houden, heeft dan ook een heel anderen grond, dan de schrijver meent.
De hoofdzaak is — zoo zegt prof. Grosheide — het karakter van het onderwijs. Dat willen we Gereformeerd hebben en dat laten we ons niet ontrooven. Daarom willen we ook in onze Schoolbesturen een Gereformeerde meerderheid behouden. En daarom verblijden we ons over het bestaan en het werk van Gereformeerd Schoolverband.
Wij willen prof. Grosheide zoover mogelijk tegemoet komen.
Dat men als kerkelijk-Gereformeerde het onderwijs Gereformeerd wil hebben — dat verstaan we.
Dat onder „Hervormd" verschillend type is — stemmen we toe. "
Maar dat er duizenden onder de Hervormden zijn die minstens zoo Gereformeerd zijn en minstens zoo voor Gereformeerd onderwijs ijveren, als de kerkelijk-Gereformeerden, dat vergeet men niet zelden.
Men doet vaak, alsof met Hervormd niet te werken is, behalve hoogstens met een paar hooge uitzonderingen. En dat is mis gezien. Men toont elk oogenblik de werkelijke toestanden in de Hervormde Kerk absoluut niet te kennen. Men draaft altijd maar door op het bekende stokpaardje, dat Hervormd niets zegt. Wat dan in de practijk dikwijls is : de Hervormden kunnen we niet gebruiken.
En om nu maar even te blijven bij de zaak, waarover prof. Grosheide het hier heeft : Gereformeerd Schoolverband.
In de practijk zijn er twee groote Schoolorganisaties, waar Hervormden en kerkelijk-Gereformeerden min of meer samenwerken. En dat is de Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs en Gereformeerd Schoolverband.
Waarom is nu eigenlijk Gereformeerd Schoolverband ?
Omdat men waken wil voor het „Gereformeerd" karakter van het Christelijk Onderwijs, van onze Scholen met den Bijbel.
Maar Christelijk Nationaal Schoolonderwijs dan ? Is dat niet te vertrouwen ? Daar is samenwerking tusschen Hervormden, kerkelijk-Gereformeerden van de Gereformeerde Kerken en Christelijk Gereformeerden. Daar zit ds. Ferwerda, van Amsterdam, als tweede voorzitter naast ds. Van Grieken, van Rotterdam, als eerste voorzitter ; daar zit ds. C. Heemskerk, van Dordt, naast ds. Douma, van Amsterdam ; daar zit ds. Goslinga, van Utrecht, naast ds. Jongeneel, van Groningen ; daar zit mr. Schut, van Amsterdam, naast mr. de Waal Malefijt, van Arnhem. En de Hoofd-Commissie van Christelijk Nationaal — de oude en oudste Schoolvereeniging, van Feringa, mr. Groen van Prinsterer, Woltjer, Van Schelven enz. enz. — heeft een corps inspecteurs, waar mannen als Gras en Visser naast Strikwerda en Meima werken, om saam over heel het land onze Confessioneele Scholen, waar de Bijbel als Gods Woord ten grondslag ligt aan alle onderwijs, in overeenstemming met de meest fundamenteele waarheden van onze Confessie, welke met name genoemd zijn, te dienen.
Waarom kunnen nu alle Scholen met den Bijbel van Noord en Zuid, van Oost en West niet bij die Vereeniging zijn aangesloten, om saam onze organisatie — óók de eigen inspectie — zoo solied en stevig mogelijk te maken tot zegen voor ons Christelijk Nationaal Onderwijs?
En om nog een ander ding te noemen : voor 't na-examen geloofsleer geeft Christelijk Nationaal Schoolonderwijs sinds jaren en jaren een „aanteekening" op het diploma-Schoolraad. Die geloofsleer wordt geëxamineerd door mannen als ds. Vonkenberg, ds. Van Grieken, ds. Sikkel, ds. Goslinga, ds. Jongeneel, ds. Timmer enz. enz. enz. En dan zitten er vlak naast aan een ander tafeltje mannen van Gereformeerd Schoolverband, die precies hetzelfde vragen voor geloofsleer en ook een aantekening geven op het diploma-Schoolraad.
Is dat nu werkelijk noodig ? Is dat voor de zaak van ons Christelijk Nationaal Onderwijs bevorderlijk ?
Wij zouden deze dingen niet zeggen hier, indien ons het artikel van prof. Grosheide niet een weinig had geprikkeld, waar gezegd wordt, dat men niet kan samenwerken dikwijls met Hervormden, omdat men zoo bezorgd is voor het Christelijk Onderwijs, voor het karakter van dat onderwijs, met name voor het Gereformeerd karakter.
Wij meenen, dat er ook nog wel eens andere oorzaken zijn.
En dat zet dan natuurlijk kwaad bloed.
Wat konden we meer invloed uitoefenen ten goede, indien we elkaar op verschillend terrein meer royaal zochten.
Vooral waar er gelukkig niet slechts vijf, of tien, of vijftien, maar wel honderd en duizend Hervormden zijn, die nog iets meer zijn dan niets.
Met te zeggen : ,,Hervormd zegt niets" kan en mag men er zich niet afmaken. Van vele Hervormden kan men wel iets meer krijgen dan „niets". En dan moeten we ook als gelijkwaardigen samen opdeelen en samen kunnen werken. Op vast accoord.
Te midden van den nood der tijden mag op een en ander wel ernstig gelet worden.
Dat we hier niet „voor eigen parochie preeken", met name niet voor de Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs, waarvan we de eer hebben voorzitter te zijn, zal men, naar we hopen, wel van ons willen aannemen.
Want als men ons daarvan zou verdenken, zouden we wenschen, dat we maar niets gezegd hadden.
't Gaat ons om heel iets anders.
Hartelijk hopen we, dat men dat voelen zal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's