De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Jezus volgen.

8 minuten leestijd

Lukas 9 vers 57—62. Matth. 8 vers 18—22.

Na de genezing van den knecht van den hoofdman van Kapernaüm en die van de schoonmoeder van Petrus, geeft Jezus bevel naar de andere zijde over te varen. Nu nadert een schriftgeleerde tot Hem en zegt : „Meester, ik zal U volgen, waar Gij ook henengaat". Met geestdrift zouden wij hem welkom heeten in den discipelkring! Hij wil toch achter Jezus aan komen. Echter komt het er op aan, hoe Jezus gevolgd wordt. De mensch toch ziet aan wat voor oogen is. Jezus echter ziet het hart aan. Hij gevoelt, hoe deze belijdenis vrucht is van vleeschelijke opgewondenheid. Vandaar Zijn antwoord : „De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten ; maar de Zoon des menschen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge".
Een hard antwoord schijnbaar. Van nature is deze schriftgeleerde zich er niet van bewust, wat het zeggen wil Jezus te volgen. Jezus volgen tóch beteekent alles schade achten om Zijnentwil, de wereld vaarwel zeggen, een weg gaan tegen vleesch en bloed in. Jezus weet, hoe spoedig deze opgewondenheid zal wijken, waar hij meende in een aardsch Messiasrijk eene aanzienlijke plaats in te nemen. Vandaar die schijnbaar harde woorden : De vossen hebben holen, de vogelen nesten ; doch voor Jezus is er geene plaats.
Mij te volgen, wil Jezus zeggen, is u zelve te verloochenen, door lijden tot heerlijkheid te komen, door den dood ten leven in te gaan. Wij kennen het antwoord van hem niet, maar vermoeden, dat hij als de rijke jongeling den eisch des Heeren te zwaar vond. Het komt toch op het ware volgen aan. Geschiedt zulks niet uit het ware beginsel, door de werking van 's Heeren Geest, dan stelt de Heere Jezus Christus den mensch voor den onverbiddelijken eisch en het zware gewicht van Hem te volgen. Opvoeding, een natuurlijke gevoeligheid, eene ernstige krankheid moge deze keuze voor een oogenblik naar voren brengen, zoolang er geen oprecht geloof aanwezig is, zal de mensch de verleiding der wereld en des vleesches niet kunnen weerstaan. De Heilige Geest is daartoe onmisbaar. Dan leert de mensch zijn zondaarsstaat kennen, gaat hij met zijn eigen-ik den dood in, is hij zwak en onmachtig om Jezus te volgen en is het alsdan de bede van zijn hart : „trek mij, wij zullen U naloopen". Volgen is niet genoeg. Die achter Jezus wil komen, neme zijn kruis op en volge Hem.
Wat is het lot van den discipel des Heeren ? Dit, dat hij niet alleen op den berg der verheerlijking den Heere zien mag met het oog des geloofs, maar hij moet ook door Gethsémané naar Golgotha ; al de vijandschap en haat der wereld, de miskenning en laster der menschen moet hij gewillig dragen. Eigen genot opgeven, eigen wil verzaken, zietdaar het volgen van Jezus. En daartoe is de mensch uit en van zich zelve onbekwaam. Dit volgen kan alleen eene vrucht wezen van Gods genade. De man, die vol enthousiasme Jezus wilde volgen, gaat op de woorden van Jezus heen.
Nu nadert er een, tot wien Jezus zegt : „volg Mij". Met eene sterke roeping wordt hij geroepen om den Heere te volgen. Als deze echter alleen uitwendig wordt gehoord en geen gevolg is der bekeering tot God, niet het werk des Heiligen Geestes, niet een gevolg van de genade Gods aan het hart, is het gevolg, dat men als Demas de tegenwoordige wereld weer lief krijgt, dat men wordt een brave, vrome Christen in eigen oog. Gelukkig, als de Heere komt met Zijne onweerstandelijke inwendige roeping. Dan toch volgt de mensch, zelfs in de zwaarste beproevingen. Deze mensch wil oprecht Jezus volgen ; doch hij denkt aan zijn vader, die gestorven is. Daarom vraagt hij den Heere eerst zijn vader te mogen begraven. Hij noemt Jezus Heere en daarna doet hij eerbiedig zijn verzoek. Jezus echter eischt van de Zijnen eene onvoorwaardelijke overgave. Het is toch niet voldoende, dat hij uit de doodsslaap is wakker geroepen. Ook deze goddelijke daad is noodig, dat hij losgemaakt worde van al, wat hem op aarde dierbaar was. In zijne vraag toch komt openbaar, hoe vast hij nog gebonden was door aardsche banden. Voor ons is zijne vraag alleszins billijk. Maar Jezus wil eene onverbiddelijke overgave. Daarom herhaalt Jezus Zijne roeping : „volg Mij, en laat de dooden hunne dooden begraven". In deze woorden ligt geen verbod om onze geliefde dooden te begraven ; ook mogen deze woorden niet letterlijk worden opgevat. Jezus wil dezen man en ook ons alleen maar zeggen, dat Zijne discipelen alles moeten verlaten om Zijnentwil, niet hunne krachten verspillen aan iets vergankelijks, zelfs vader en moeder hebben zij te verlaten. Wie Jezus oprecht volgen wil, moet alles loslaten. Zulks vermag alleen Gods genade. Vleesch en bloed vermogen zulks nimmer. De Heiland zag voor hem het groote gevaar, als hij heenging, dat hij zijne pinnen weer vast in de aarde zou slaan. Daarom de herhaalde eisch : ,,volg Mij". En nu is het zeker en waar, dat de mensch, die zich zelve bekeert, al beter en beter wordt ; maar die door God bekeerd wordt, hoe langer hoe slechter in eigen oog, en wordt hoe langer hoe meer in alles van Hem afhankelijk.
Aan dezen discipel beveelt nu Jezus : „doch gij, ga henen en verkondig het Koninkrijk Gods". Heerlijk bevel, om Gods Woord te verkondigen, te getuigen van de rijke genade Gods in Christus. Hij moet een getuige zijn van Jezus Christus. Wie echter is daartoe bekwaam, waar zelfs van kinderliefde moet worden afgezien ? De Heere roept den zondaar Hem te volgen ; maar niet zonder hem kracht tot volgen te geven. En dan mag de levensweg moeilijk zijn, de Heere zal de Zijnen niet verlaten, noch begeven. Hij zal hen naar Zijn raad leiden en eenmaal opnemen in Zijne heerlijkheid. Die Jezus oprecht volgen mag, zal gedurig op Hem zien en alles loslaten.
Nu nadert echter nog een derde tot Jezus met de woorden : „Heere, ik zal U volgen ; maar laat mij eerst toe, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn". „Niemand", zegt daarop Jezus, „die zijne hand aan den ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods".
Welk een onderscheid is er toch tusschen den uitwendigen en inwendigen volgeling van den Heere Jezus Christus. Die Hem oprecht kennen, smeeken dagelijks, dat Hij hen trekke ; dan zullen zij Hem naloopen. Die Hem echter niet van harte volgen, slaan wel bij oogenblikken de hand aan den ploeg, maar hun eigen-ik staat hen in den weg en gedurig zien zij als de vrouw van Lot naar achteren. In het hart, waarin de genade Gods is uitgestort, is het onmogelijk om achteruit te zien. Dan moet men vooruit zien, al is dat niet gemakkelijk, zijn de krachten zwak en is de wereld buiten en in hem vol verleiding. Al zijn dan als bij Jacob alle dingen tegen ons, zonder om te zien gaat men voort, de hand aan den ploeg geslagen.
„Volg Mij". Doet gij zulks? Of zijt gij nog een vreemdeling in de dingen van het Koninkrijk Gods, of klinkt het misschien van uwe lippen : ik zal U volgen, en zulks in eigen kracht, in een eigen gekozen weg, waarop gij meent te kunnen doen, hetgeen gij wilt ? Wees dan gewaarschuwd in deze woorden : tot de Wet en tot de Getuigenis, zoo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad hebben". Den waarachtigen vrede mist gij dan nog. De eisch is : „volg Mij". Eerst moet echter nog dit of dat gedaan worden, alvorens gij wilt volgen. Geef dan op de noodiging des Heeren nog heden acht. Mocht , gij nog eens van harte Hem leeren volgen en het met Petrus oprecht betuigen : „Heere, Gij weet, dat ik U liefheb". Dan zult gij met dezen zelfden apostel het moeten betuigen : „ga uit van mij, want ik ben een zondig mensoh". Want vreeselijk zal in de eeuwigheid uwe ontgoocheling zijn, wanneer gij in eigen gekozen wegen zijt blijven voortwandelen.
Doch wanneer gij oprecht moogt volgen, wilt gij nog zoo vaak uw eigen weg gaan en niet dien, welken de Heere wil. Leer daarom dagelijks meer en meer alles los te laten van u zelven, allen eigen wil op te geven en den Heere te volgen door bezaaide en onbezaaide wegen. Moeilijk is dan vaak wel uw weg, alles komt er bij oogenblikken tegen op ; maar telkens zal de bede oprijzen naar omhoog, dat gij niet van Hem moogt afloopen. Die 't hier op aarde moest uitroepen : ,,de vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten ; maar de Zoon des Menschen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge". Telkens klinkt u het wachtwoord van den discipel des Heeren toe : „volg Mij". En al schijnt niet altoos de zon, de Heere is met u en beveelt u het Koninkrijk Gods te verkondigen in uw huis, in de gemeente, in uw werk.
Zalig zij, die Jezus van harte mogen volgen ; want eenmaal zullen zij mogen ingaan in Zijne heerlijkheid en volkomen het Lam volgen, hetwelk voor hen is geslacht.
Vlaardingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's