STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Theorie en praktijk.
Er wordt in onzen verlichten tijd veel gesproken en geschreven over de cultuur.
Vooral hebben de Vrijzinnigen en de Sociaal Democraten er den mond en de pen vol van.
Wil de moderne mensch van de rijke cultuur genieten, dan — zoo zeggen liberalen en socialisten — moet hij streven naar hoogere beschaving en betere opvoeding, waarvoor onderwijs en ontwikkeling in niet geringe mate het hunne kunnen toebrengen.
Terwille van de cultuur moeten al de middelen worden aangegrepen, die den geest van den mensch; kunnen veredelen en verrijken en behoort liefde en belangstelling te worden aangekweekt of vermeerderd voor de kunst en voor de wetenschap.
Wanneer men dit alles zoo hoort beredeneeren en bespreken, staat men er verbaasd van dat deze aanbidders van de cultuur, ondanks al hunne mooie beschouwingen, als het gaat om het eeren en hoog houden van het Christelijk beginsel in het cultuurleven, plotseling al de schoone theorieën van beschaving en opvoeding opbergen en het volk juist stijven in het uitleven van de laagste hartstochten.
In stede, dat men zich van die zijde aansluit bij hen, die ons volk waarschuwen tegen b.v. het bezoeken van dansgelegenheden en van bioscopen, die voor het geestelijk en zedelijk leven, vooral van de jeugd, zoo verderfelijk zijn, zijn het in het bijzonder de Vrijzinnigen en de Sociaal Democraten, die in deze dingen geen bezwaar zien en zelfs de maatregelen afkeuren, die van Overheidswege genomen worden om het gevaar, dat ons volk bedreigt, te keeren.
Een nieuw staaltje van de mentaliteit van deze menschen vindt men in het protest, dat in de vrijzinnige pers vernomen wordt over het optreden van den burgemeester van de Groningsche gemeente Winsum, die aan de Vereeniging voor Volksvermaken ter plaatse geen toestemming wilde verleenen tot het houden van een harddraverij en kermis op Zondag.
Men zou zoo zeggen, dat menschen, die ijveren voor de cultuur en die in de veredeling van den geest van het volk een hoog ideaal zien, tegen harddraverijen en kermissen, die vooral op Zondagen met zoovele uitspattingen gepaard gaan, ernstige bedenkingen zouden hebben. Van hen zou mogen worden verwacht, dat zij het zouden toejuichen wanneer deze minderwaardige vermakelijkheden werden verboden.
Doch zoo denken de Vrijzinnigen en de Socialisten in den Winsumschen Gemeenteraad er niet over. Zij gaan 'daar hand in hand tezamen om den Antirevolutionairen burgemeester te bestoken en hem aan het verstand te brengen, dat men van dit optreden der fijnen niets moet hebben.
Dan wordt aan cultuur geen aandacht meer geschonken.
Het is de bekende geestesgesteldheid van Vrijzinnigen en Sociaal Democraten. Wanneer zij maar even kunnen bevroeden dat het gaat om het behoud van het Christelijk levensbeginsel bij ons volk, dan is alles in de weer om zich daartegen te verzetten.
Niet geslaagd.
De heer J. J. Hamstra te Zwaagwesteinde (Fr.) heeft een geschriftje van enkele bladzijden druks in de wereld gezonden onder den titel van : „Waarom Staatkundig Gereformeerd ? "
De inhoud dezer paar bladzijden is echter zoo weinig beteekenend, dat hij ons geen aanleiding geeft om er iets over te schrijven.
Eveneens zullen wij laten rusten, wat ds. A. Gruppen, Chr. Geref. predikant te Zwaagwesteinde, tegen het geschriftje opmerkt in „Het Friesch Dagblad".
Wel willen wij iets zeggen over een paar kantteekeningen, welke „De Banier" op het schrijven van den Zwaagwesteindschen predikant maakt.
Het gaat daarbij over de vraag, of het een juist beginsel is, dat de Overheid geroepen is om hare onderdanen volgens de Wet der Tien Geboden te regeeren, zooals de Staatkundig Gereformeerden dit wenschen.
De moeilijkheid komt dan o.a. bij het tiende gebod : „Gij zult niet begeeren".
Ds. Van Gruppen is nu van meening — en terecht — dat de Overheid geen hartekenster is, dat zij daarom het tiende gebod niet kan handhaven en bij overtreding ook niet kan straffen.
Nu zegt „De Banier" aan het adres van den predikant, dat er voor de Overheid toch genoeg te doen overblijft met betrekking tot het tiende gebod.
Daarvoor wijst het blad b.v. op de openbare bioscoopvoorstellingen, waardoor de booze begeerten van jong en oud worden opgewekt ; verder op het tentoonstellen van allerlei zinnenprikkelende en booze begeerten opwekkende lectuur, om dan uit te roepen, dat de Overheid krachtens het tiende gebod wel degelijk een roeping heeft.
Nu zijn wij ook geen bewonderaars van openbare bioscoopvoorstellingen en ook tegenstanders van zinnenprikkelende lectuur. Met „De Banier" zijn wij het geheel eens, dat de Overheid ten opzichte van dit kwaad een taak heeft te verrichten, doch naar ons oordeel niet op grond van het tiende gebod.
Want de booze begeerten komen niet alleen op in de openbare bioscoopzalen en voor de ramen van den boekwinkel, maar evengoed komt het kwade begeeren te voorschijn voor de etalage van den juwelier, voor de ruiten van het modemagazijn, van den banketbakker en van welke zaken al niet meer.
Wil „De Banier" dan maar zoo, zonder meer, alle deze zaken sluiten ?
Het blad is in het kiezen van zijne voorbeelden niet gelukkig geweest.
Daarom zullen andere bewijzen moeten worden aangevoerd om duidelijk te maken dat de Overheid ook ten opzichte van het tiende gebod een taak heeft te verrichten.
Wij hopen dan van „De Banier" te kunnen leeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's