De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schriftverklaring

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schriftverklaring

Romeinen 9 vers 1-5.

7 minuten leestijd

Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mede getuigenis gevende door den Heiligen Geest) dat het mij een groote droefheid, en mijn hart een gedurige smart is. Want ik zou zelf wel wenschen verbannen te zijn van Christus voor mijne broederen, die .mijne maagschap zijn naar het vleesch, welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving, en de dienst Gods en de beloftenissen ; welker zijn de vaderen, en uit welke Christus is, zooveel het vleesch aangaat, dewelke is God boven allen te prijzen in eeuwigheid. Amen.

Als ge u nog het slot van het vorige hoofdstuk herinnert, waarin de apostel jubelt over geloofsverzekerdheid en ge leest dan den aanhef van dit negende hoofdstuk, zoo bemerkt ge onmiddellijk, dat de toonaard aanmerkelijk gezakt is. Toch is het maar schijn, als men zou meenen dat er niet het minste verband tusschen Romeinen 9—11 en de eerste acht hoofdstukken zou wezen.
Denk nog eens aan het thema uit Romeinen 1 vers 16 : „Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet ; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den 'Griek".
„Eerst den Jood en ook den Griek", zoo luidde het. En toch, wat waren er betrekkelijk weinigen uit het zaad van Jacob, die door het geloof Christus hadden omhelsd.
Op zijn zendingsreizen had de apostel telkens contact gezocht met de Joden in hunne synagogen. Maar ziet, na korter of langer tijd brak de vijandschap tegen het Evangelie los. De Joden wilden niet weten van Jezus. Hij was en Hij bleef voor verreweg de meesten de valsche Messias.
Wie geen vreemdeling is in het boek van de Handelingen der Apostelen, weet hoe ontzettend veel de apostel heeft moeten lijden van de zijde van zijn vroegere geloofsgenooten.
Toch was er geen haat in zijn hart tegen Israël, gelijk velen wellicht hebben vermoed. In het eerste vers van het negende hoofdstuk komt de apostel het tegendeel te verzekeren.
„Ik zeg de waarheid, in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mede getuigenis gevende door den Heiligen Geest)".
Het treft elk lezer, dat de apostel als het ware aarzelt om onmiddellijk te openbaren dat het de verharding van Israël is, die hem zulk een smart veroorzaakt. Deze stellige betuiging, ja, deze plechtige eed, zou hij niet hebben afgelegd, als hij van de kwade vermoedens zich niet was bewust geweest. Hij wil er ook de lezers van doordringen, dat hij de zuivere waarheid spreekt.
Daarom zegt hij : Ik zeg'de waarheid in Christus. Wie immers zoo dicht bij Jezus leeft, als de apostel in de vorige verzen schreef, kan met de leugen geen gemeenschap hebben. Zegt niet Johannes : Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet. Welaan, de nauwe vereeniging met Christus zijn Heiland, zij er borg voor dat hij de waarheid spreekt. De Heilige Geest is er zeker van dat zijn consciëntie een zuiver getuigenis geeft.
En na God alzoo te hebben aangeroepen als getuige, gaat hij er toe over om zijn groote droefheid te betuigen. Ja, het was zijn hart een gedurige smart, dat Israël zich bleef verharden tegen de roepstemmen des Evangelies.
Wat bezat de apostel Paulus toch een teer gemoed. Wat voelde hij diep mee met zijne medereizigers naar de eeuwigheid.
We mogen ons wel aan Paulus spiegelen, lezers. En we mogen bij de overdenking van zijn gedurige smart het ons wel afvragen of er ook in ons hart zulk een medelijden is met allen, die voorthollen op den breeden weg, die ten verderve leidt. Is er al een opmerken van de zonden, die worden bedreven door de wandelaars van den breeden weg, hoe weinig een opmerken met diepe droefheid.
Want, o als wij het zien met droefheid, dan zullen we ook niet nalaten om met tranen te vermanen degenen die de eeuwige rampzaligheid tegemoet snellen.
O, die onsterfelijke Kaïnsgeest : „Ben ik mijns broeders hoeder ?"
Geldt dit allen, die met ons voortreizen, het geldt in het bijzonder het oude Bondsvolk Israël. Helaas, wat weinig medegevoel met het verharde Israël. We kunnen er ons menigmaal o zoo goed in schikken dat er ook in ons vaderland tienduizenden Joden zijn, die van den Heere Jezus niet weten willen. En toch, het moest ook ons een gedurige smart wezen, opdat de pogingen, om ook den Jood nog te winnen voor den Heiland, mochten worden verbreed en verdiept.
In dit verband zouden we wel allen lezers willen toeroepen : Steunt toch het werk van de Zending onder Israël !
Maar hoort, hoe nameloos groot de liefde van Paulus tot Israël was. Hij zou zelf wel wenschen verbannen te zijn van Christus voor zijne broeders, die zijn maagschap zijn naar het vleesch.
Ik vind in den bijbel maar één plaats, waar een wensch wordt uitgesproken,, die op dezen gelijkt.
Ge denkt met mij aan Mozes, die den Heere bad om maar uitgedelgd te worden uit des Heeren boek, indien Israels zonden door Hem niet vergeven werden.
Krasse wensch ! Want 't grondwoord : anathema, is inderdaad het woord voor de vervloeking.
Maar nu hoor ik mijne lezers vragen : Paulus, zijt ge niet te ver gegaan in uwe wenschen ? Zoudt ge dan werkelijk in de diepte der vervloeking hebben willen neerdalen, indien gij daarmee de redding van uw verharde vroegere geloofsgenooten hadt kunnen bewerken ?
We weten u niet beter te antwoorden, dan met onze Vaderen in de kantteekening van den Statenbijbel.
De kantteekenaars zeggen : Indien dit mogelijk ware, of indien dit Gods wil ware.
Ze trekken dan een lijn van vergelijking met de bede van den Heere Jezus : Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van mij voorbijgaan, doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.
We moeten het dus zoó verstaan, dat Paulus het werkelijk zou wenschen, als er voor zulk een wensch plaats en ruimte ware.
O welk een diep medegevoel ! Wie zal hem evenaren ?
O vaders en moeders, die dit leest, gaat het heil uwer kinderen u ook zoo ter harte, dat ge zulk een wensch zoudt kunnen uitspreken ?
Welk een diepte van ontferming over zijne broeders, die zijn maagschap zijn naar het vleesch !
Wat waren ze eens bevoorrecht.
Israëlieten, zoo heeten ze, naar den naam die Jacob van den Heere ontving bij de worsteling te Pniël. De Heere had hen aangenomen tot Zijne kinderen. Ze waren Zijn volk en Hij was in theocratischen zin hun vader.
Met de heerlijkheid van de lichtende wolk woonde de Heere boven de ark in tabernakel en tempel.
Met de aartsvaders en met David richtte Hij Zijne verbonden op of vernieuwde ze.
Op den Sinaï gaf Hij aan dat volk Zijn wet. In den dienst Gods in den tempel liet Hij op velerlei wijze afschaduwen wie Christus voor hen zijn wilde.
En staat het boek der profetie niet vol van de heerlijkste Messiaansche profetieën, vol van de rijkste beloftenissen ?
Abraham, Izaak en Jacob waren hunne vaderen.
O als Paulus denkt aan de vele voorrechten van Israël, door God hun geschonlien, dan bloedt zijn hart als hij helaas iioet erkennen, dat Israël al deze voorrechten met voeten heeft getreden.
Maar aan het grootste voorrecht komt hij pas toe, als hij zegt, dat Christus, zooveel het vleesch aangaat, uit Israël is voortgekomen.
Jezus was een Israëliet, naar den vleesche. De Verlosser is uit Juda voortgesproten.
Maar daarbij blijft de apostel niet staan.
Tegenover het „naar het vleesch" verwacht ze een tegenstelling, b.v. naar den geest is Hij, enz. enz.
Welnu, die tegenstelling is er : dewelke is God boven allen te prijzen in eeuwigheid.
Wat is er alle eeuwen door over deze schoone doxologie gestreden. Het ging dan steeds om de vraag of het een verheerlijking van Christus is, of dat het door verandering van leesteekens, die in de oudste handschriften niet voorkomen, een lofspraak op den Vader zou wezen.
Zonder hierop nader in te gaan, kunnen we de lezers verzekeren, dat-wij het niet anders hebben kunnen inzien of de apostel komt hier Christus, die door den Jood verworpen werd, te prijzen boven alles als God. Voorwaar, hier mag Paulus wel met een Amen besluiten, eer hij verder gaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Schriftverklaring

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's