STAAT EN MAATSCHAPPIJ
GODSLASTERING STRAFBAAR.
Bij Koninklijke Boodschap van 25 April 1931 heeft de Minister van Justitie een wetsontwerp ingdiend tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met voorzieningen, betreffende bepaalde voor godsdienstige gevoelens krenkende uitingen.
Deze voorzieningen stellen strafbaar in de eerste plaats : „hij, die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrifte of afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat". En in de tweede plaats : „hij, die op een van den openbaren weg zichtbare plaats woorden of afbeeldingen stelt of gesteld houdt, die als smalende godslasteringen, voor godsdienstige gevoelens krenkend zijn".
Bij deze begrenzing van het terrein en voorts door het vloeken buiten de strafbepalingen te houden, is vast komen te staan dat het door den lageren wetgever, b.v. den Gemeenteraad, betreden terrein van het vloekverbod, aan dien lageren wetgever blijft voorbehouden.
In de toelichting, welke bij het ontwerp van wet gevoegd is geworden, zegt de Minister, dat de strijd om den godsdienst in den laatsten tijd vormen heeft aangenomen, die den wetgever niet onverschillig kunnen laten.
Vandaar de indiening van het wetsontontwerp.
Er doen zich uitingen voor — aldus de Minister — waarbij ter bestrijding van het Godsgeloof de vorm wordt gekozen van een in woord en beeld hoonen en smaden van — of smalen op God.
Dergelijke uitingen vragen de aandacht van den Wetgever.
Lieten deze uitingen den Wetgever onaandoenlijk, dan zouden zij de geestelijke vrijheid, die een van de hoogste nationale goederen van ons volk is, tot bandeloosheid maken, een bandeloosheid, die juist in het belang der vrijheid met kracht behoort te worden tegengegaan.
Maar bovendien zou door een onverschillig toezien op de smalende Godslastering de majesteit van het Goddelijke Wezen worden aangetast.
Nederland is geen Atheïstische Staat. Dat blijkt wel hieruit, dat in ons Staatsleven, ondanks de godsdienstvrijheid in den ruimsten zin God openlijk erkenning vindt. Wij zien dit ook in het gezag, dat bij Gods gratie wordt uitgeoefend, en merken dit eveneens op in het feit, dat de Overheid ten waarborg van zijne rechtsbedeeling in den eed de onderdanen telkens stelt in de tegenwoordigheid Gods.
Wij verblijden er ons over, dat de Minister van Justitie, reeds zoo spoedig, na hetgeen van Communistische zijde in haar blad De Tribune is aangedurfd geworden, aan zijne toezegging om de Godslastering strafbaar te stellen, heeft gevolg gegeven en het ontwerp van wet bij de Staten-Generaal heeft ingediend, ook al zouden wij liever gezien hebben, dat de Minister een stap verder had gedaan, door het kwaad als .zoodanig, onder het oog te zien.
Echter Minister Donner heeft ook te rekenen met wat bij de beide Kamers valt te bereiken.
En dit in aanmerking nemende, kunnen wij dankbaar zijn, dat de Minister zich niet heeft laten terugschrikken door de critiek die reeds vóór de indiening van het ontwerp van wet werd vernomen, maar de zaak krachtig heeft aangepakt.
Het woord is thans in tweede instantie aan de Tweede Kamer.
CRITIEK OP Mr. DONNER's VOORSTEL.
Dat het ontwerp van den Minister van Justitie, zoo maar zonder meer met ingenomenheid zou worden begroet — Dageraadsmannen en Communisten uitgezonderd — was, na al wat in de pers reeds over de voornemens van den Minister werd te berde gebracht, wel te verwachten.
Doch dat het voorstel om de publieke Godslastering in Nederland strafbaar te stellen, zelfs het geheele linksche kamp in beroering zou brengen, is in niet geringe mate teleurstellend.
De vrijzinnigen verzetten zich tegen het ontwerp van wet, omdat, naar zij zeggen, bij aanneming van het ontwerp de geestelijke vrijheid van ons volk in het gedrang zal komen.
Zij vinden wat Minister Donner in de toelichting van hét wetsontwerp zeide : dat het ontwerp ook geboren werd uit de zucht om onze godsdienstvrijheid zoo hecht mogelijk te maken, wel heel mooi en zij loven niet minder 's Ministers uitspraak : „Geen goed kan op den duur blijvend bestaan, welks misbruik ongeboet blijft toegelaten", maar toch nemen naar het oordeel van het liberale Vaderland de geruststellende woorden van mr. Donner de vrees der vrijzinnigen niet weg, dat de godsdienstvrijheid, die hier te lande door de politiek van Thorbecke meer dan 80 jaar bestaat, niet in de verdrukking zal komen.
Daarom behoort de aanvulling van het Wetboek van Strafrecht — de Nieuwe Rotterdamsche Courant zegt dit Het Vaderland na — niet te worden aangenomen.
Van dienzelfden kant is men ook van meening, dat in een land als het onze, waarin de godsdienstvrijheid gelukkig in haar besten vorm bestaat, en de Staat als zoodanig noch ongodsdienstig, noch godsdienstig, maar godsdienstloos is, dat in zulk een land geen maatregelen tegen Godslasteringen behoeven te worden getroffen.
Het is het oude liberale beginsel, dat hier wordt gesteld.
En zooals de Vrijzinnigen over het voorstel-Donner denken, zoo laten ook de Sociaal-Democraten zich er over uit.
Deze gaan — wat zich laat indenken — zelfs nog een stapje verder.
Zij toch achten den maatregel van de leeszaalbesturen, die De Tribune van de leestafel hebben verwijderd en tenslotte het blad geheel hebben geweerd om de Godslasterlijke taal, die daarin voorkwam, niet alleen afkeurenswaard maar ook dwaasheid.
De Overheid heeft de Dageraadsmannen en de Communisten in het voeren van hun propaganda geheel vrij te laten.
Elke bemoeienis van de Overheid tegen deze propaganda is uit den booze.
Daartegen behoort geheel het Nederlandsche volk zich te verzetten.
Het is echter opmerkelijk, dat b.v. in Duitschland de Sociaal-Democratische voormannen over het kwaad geheel anders denken.
De Duitsche Socialistische Minister Severing schreef onlangs :
„Ook de organisaties van vrijdenkers hebben het recht op vrijheid van meening en het uiten van hun meening. Deze vrijheid heeft echter haar grenzen, waar zij de gevoelens van andersdenkenden beleedigt. De grove beschimping van kerkelijk gezinde kringen, het neerhalen van bestaande inrichtingen, worden door ons scherp veroordeeld en kunnen niet meer worden geduld. Ik heb den rijksminister van binnenlandsche zaken (Wirth) voorgesteld een conferentie van de ministers van binnenlandsche zaken van de onderscheiden (Duitsche) landen bijeen te roepen om deze kwestie te bespreken en hier een grendel voor te schuiven. Indien de bestaande bepalingen en wetten daartoe niet voldoende zijn, moeten nieuwe worden gemaakt, opdat aan de kwetsing der gevoelens van breede kringen des volks een einde wordt gemaakt".
Men ziet dat Minister Severing in Duitschland als socialist er precies eender over denkt als Minister Donner bij ons.
Nu trachten de Sociaal-Democraten hier te lande er zich wel uit te redden, door te verklaren, dat de toestanden in Duitschland geheel anders zijn dan in Nederland. Maar dit is natuurlijk niet anders.dan een uitvlucht.
De uitvlucht wijst ér intusschen op, dat naast de Vrijzinnigen ook de Sociaal-Democraten, die in hun gelederen heel wat Dageraadsmannen hebben, zich krachtig zullen verzetten tegen het ontwerp van wet, wanneer dit zoo aanstonds in de Tweede Kamer in behandeling komt.
Met deze groepen zullen ook de Staatkundig Gereformeerden in bond optrekken. Dezen hebben het nu reeds uitgesproken, dat zij het wetsontwerp niet willen, omdat het hun niet ver genoeg gaat.
De discussies in de Tweede Kamer kunnen belangrijk worden.
Kerkverbrokkeling is een werk van den satan.
Het kerkelijk besef begint hoe langer hoe meer te verdwijnen in ons vaderland. Het ontbindingsproces gaat voort. De erve onzer Vaderen heeft al wat van zijn levenssappen naar elders zien wegvloeien. Als paddestoelen rijzen de kerken uit den grond. Zelfs onder kinderen Gods begint het kerkelijk besef zoek te raken. Onder kinderen Gods, zeg ik. Want ge kunt maar niet zonder meer de gangmakers van al deze kerkformaties met de kinderen Gods vereenzelvigen. Bij velen van die menschen zit het pausje spelen er achter. Anders is het voor schrijver dezes niet te begrijpen.
Schrijver dezes kent een gemeente, waar in de Hervormde Kerk een goed Bondspredikant staat; voorts is er een Gereformeerde en ook nog een Christelijk Gereformeerde Kerk. Dus zoo voor elk wat wils, nietwaar ?
Maar nu zijn we er nog niet. Die menschen, die altijd de Chr. Geref. Kerk als een planting Gods verheerlijkten, zijn voor de helft weer uitgetreden. Als een man uit den hemel werd ds. Fraanje begroet. Men bouwde voor hem een nieuw kerkje. Het liep nog geen twee jaar, of een zekere mijnheer Rustige verwekte groote onrust onder de broederen. Het meerendeel liep over naar dezen nieuwen prediker. Ds. Fraanje zag zich weer op den achtergrond gedrongen.
Nu zoudt ge misschien denken het eindstation te hebben bereikt. Maar neen, ds. L. Boone, van de Oud-Ledeboeriaansche gemeente van St. Philipsland, is nu weer uitgenoodigd en heeft reeds enkele kinderen gedoopt van ouders, die bij de groep van ds. Fraanje geen plaats meer konden vinden.
Waar moet dat heen met zulk een intreurig onkerkelijk gedoe ? Wat moet de wereld daarvan denken, als telkenmale maar weer wordt vertrapt wat eerst voor goddelijk werd uitgegeven ?
Is er dan bij de zoogenaamde leiders, die deze beweging ontketenen, niet meer de minste zelfcontrole ? Beseft men dan niet, dat men langs dezen weg de zaak van Gods Koninkrijk maakt tot een aanfluiting ? Het schijnt wel van niet. En dat door al zulke formaties de eigengerechtigheid in dergelijke separatistische kringen ten toppunt stijgt, moet u evenmin verwonderen. En voor de jeugd is het eenvoudig fataal.
Schrijver dezes kent zoons en dochters van zulke menschen, die eenvoudig onverschillig zijn geworden. Ze moeten natuurlijk van die nieuwe kerkjes niets hebben. Ge kunt er een jong mensch niet gemakkelijk toe krijgen om nog de Psalmen van Datheen te zingen. Het gevolg is dan ook dat juist in die kringen onder de jeugd de onverschilligheid nog meer toeneemt dan in die kringen, waar van der jeugd af aan nog wat kerkelijk besef is aangekweekt.
En als we al dat armzalig gedoe nu in hooger licht bezien, dan kunnen we niet anders zeggen of Satan heeft in alles zijn hand. Van den kant der wereld hebt ge niet anders dan verbreking te verwachten. Dat doet hij als Satan. Maar hij komt ook van den binnenkant de Kerk te verbreken. Doch dan doet hij het in de gedaante van een engel des lichts. Gods volk en vele bijloopers zijn op sommige plaatsen zelf bezig om de Kerk te helpen verbreken.
Met dat al komen we hoe langer hoe verder van de oplossing van het kerkelijk vraagstuk. Oplossing van het kerkelijk vraagstuk is toch voor de meeste groepen slechts de vraag, hoe ze zich naar hare beginselen in hare eigene organisatie het beste zullen ontwikkelen en ontplooien, zonder zich om anderen te bekommeren.
De oplossing van het kerkelijk vraagstuk ligt echter voor schrijver dezes anders. Het gaat om de vraag, hoe het ware lichaam van Christus in deze landen zal komen tot één machtige levensopenbaring, als één kudde onder den grooten Herder der schapen, Christus Jezus.
We zijn er thans ver vandaan !
Het brokkelt overal af. Satan breekt van buiten af, maar laat ook door zelf verblinding Gods kinderen mede helpen om het van den binnenkant te laten ondergraven.
O, dat de oogen er voor geopend werden, opdat Gods ware volk er zich onder mocht verootmoedigen.
WAT GE TE ZIEN KRIJGT ALS DE STELLINGEN VAN DE POLITIEKE GEBOUWEN DER STAATKUNDIG GEREFORMEERDEN WORDEN AF GEBROKEN.
Op vele plaatsen in den lande verrijst een politiek getimmerte van de Staatkundig Gereformeerden. Och, dat is nog al gemakkelijk te begrijpen. Als men eenvoudige lieden komt voor te stellen, hoe in Nederland op Gods dag treinen loopen en hoe bioscopen en theaters als paddestoelen uit den grond verrijzen, en dat er zooveel Roomschen zijn in ons land, dan is 't o zoo gemakkelijk om hiervan Antirevolutionairen en Christelijk Historischen de schuld te geven. „We hebben al zoo menigmaal een Christelijke regeering aan 't roer gehad", zoo merkt men dan op, „maar wat is nu door al die zoogenaamde Christelijke regeeringen gedaan tegen al deze ongerechtigheden ? " „Immers niets, en daarom is het tijd dat er meerdere Staatkundig Gereformeerden in de Tweede Kamer komen". „Wilt ge mannen, die voor de eere Gods zullen opkomen, stemt dan ds. Kersten en ds. Zandt".
Als we ons wilden opwerpen als propagandamaker voor de Staatkundig Gereformeerden, zouden we wel zulk een rede in elkaar weten te draaien, die bij het volk insloeg. Ons volk wordt inderdaad verontwaardigd als het hoort, dat tegen al deze gruwelen niets gedaan wordt, en onwetenden zouden gemakkelijk zijn over te halen om te gelooven dat de schuld enkel bij Antirevolutionairen en Chr. Historischen gelegen is.
Toch is deze voorstelling van zaken o zoo misleidend en bedriegelijk. Feit is en blijft, dat alles zoo zou blijven, gelijk het tot op den huldigen dag is, óok al zouden alle Antirevolutionairen en Chr. Historischen vandaag nog Staatkundig Gereformeerd worden.
Dat weten ds. Kersten en ds. Zandt ook wel. Ze richten wel vragen aan de verschillende Ministers, maar voorstellen doen ze evenmin. Ze weten heel goed, dat er een meerderheid noodig is om een voorstel tot wet te maken.
Nu hebben we bij de bestrijding van de Zondagsheiliging van de Roomschen weinig steun te verwachten. In de Roomsche gedeelten van ons land geeft de bevolking zich over aan allerlei ontspanning, waarbij veelal de kapelaans als „geestelijke" adviseurs tegenwoordig zijn.
Van Rome in dit opzicht geen heil. Maar al zouden dan ook ten huidigen dage alle Antirevolutionairen en Christelijk Historischen en Staatkundig Gereformeerden met elkaar samenstemmen, dan werd er nog geen enkel voorstel tot wet verheven. Men kwam nog tot geen 30 stemmen. Al de linkschen, en het Roomsche smaldeel stemmen immers altijd tegen, als het op deze punten aankomt.
Dat weten de Staatkundig Gereformeerden ook wel. Daarom doen ze evenmin positieve voorstellen als wij.
Maar nu komt pas het onaangename. Nu werpen die Staatkundig Gereformeerden zich op tot de eenigen, die opkomen voor den Naam en voor de eere Gods.
Schrijver dezes heeft een tijdje „De Banier" gelezen, doch zulk een misleidende voorstelling vervulde hem met zulk een weerzin, dat hij besloot om het blad niet meer in te zien.
Ik zou aan de Redactie van het blad willen toeroepen : Als ge wilt ijveren in waarheid voor de eere Gods, ga uw gang, met alle macht en kracht, maar houdt dan toch als 't u blieft op om verdacht te maken hen, die het dichtst bij u staan. Meent niet, dat er alleen in uw kamp een smart is over Zondagsontheiliging en bioscopen en theaters, maar weet, dat er ook onder velen, die niet tot uw partij behooren, een begeerte leeft dat meer met Gods Woord mocht worden gerekend.
De geheele politieke beweging van ds. Kersten is ook niet zonder bedenkelijke beteekenis voor onze Kerk.
Als ge uw oogen den kost geeft, dan ziet ge overal Oud-Gereformeerde kerkjes stichten. Eerst kwam men er om een politieke rede te houden, maar langzamerhand dagen allerlei sprekers op, die een „woordje" hopen te spreken.
Dat is het wat we bedoelden met de vraag boven dit artikel. Als de politieke stellages wegvallen, dan ziet ge een Kerk van de Gereformeerde Gemeenten. Ds. Kersten heeft met zijn actie een dubbele bedoeling. Misschien staat zelfs de kerkelijke wel voorop. Om aan de vraag naar predikanten te kunnen voldoen, richtte hij in Rotterdam een school op, waar hij kans ziet om bij zijn drukken arbeid in enkele jaren ook nog dominees af te leveren, die onmiddellijk zelfs in de groote steden van ons land aftrek vinden.
En dat alles gaat ten koste van de Hervormde Kerk. De Gereformeerde Kerken hebben hiervan minder te lijden. Er gaapt tusschen hunne beginselen en die van ds. Kersten een te diepe klove. Maar juist onder onze menschen zijn er te winnen. Als men dan ook nagaat, hoeveel bloed aan onze Kerk wordt afgetapt, dan moeten we elkaar toch wel toeroepen : Gij allen, die de erve onzer Vaderen nog liefhebt, let op uw zaak !
Met de politiek der Staatkundig Gereformeerden bereiken we niets. De actie, die er achter zit, breekt veeleer onze Hervormde Kerk af.
Weg met alle misleidende, verdachtmakende voorstelling. Liever beleden voor het aangezichte Gods, dat allen, die nog begeeren op te komen voor de eere Gods, al lang in de minderheid verkeeren, en dat de tijd daar is dat het 't beste zal wezen om in zijn isolement zijn kracht te zoeken.
WAT MOETEN WE DOEN ?
Ik kan mij indenken, dat velen moedeloos worden in den strijd tegen de Synodale Organisatie. Allerlei middelen zijn gedurende meer dan een eeuw beproefd om het kerkelijk vraagstuk op te lossen. Dr. A. Kuyper heeft gemeend door afscheiding de zaak te kunnen redden. De uitkomst heeft geleerd, dat hij het echter niet verder heeft gebracht dan dat het hem gelukt is om een deel van het Gereformeerde volk achter zich te krijgen en die apart te organiseeren, maar het kerkelijk vraagstuk is daardoor niet opgelost, doch veeleer bemoeilijkt. Indien allen, die de belijdenis onzer Vaderen lief hebben, nog waren binnen de muren der Kerk, zou de toestand geheel anders zijn. We zouden een aanzienlijke macht kunnen ontplooien. Helaas ! Wie zal de gescheiden groepen nog ooit onder één vaan binnen de muren van de erve der Vaderen vereenigen kunnen ?
Er zijn leden van onzen Bond, die met verwondering zitten te wachten op de groote daden van den Gereformeerden Bond om onze Kerk vrij te maken van onder het Synodale juk. Eilieve, alsof dat zoó maar ging. Een weg, die al zeer gemakkelijk is, staat daartoe altijd open. Ge stuurt het aan op een nieuwe afscheiding. Er zijn ook in onzen tijd honderden grieven, die men elk oogenblik kan aangrijpen — gelijk ook door dr. Kuyper gedaan is — en het conflict is geboren en binnen weinige maanden staat ge met een nieuwe groep buiten de Kerk.
Ach, heeft de geschiedenis van de afscheidingen in de vorige eeuw nu ons al niet genoeg geleerd ? En zelfs de groepen, die uittraden, vertrouwen elkander niet. Tusschen Oud-Gereformeerden, Christelijk Gereformeerden, Gereformeerden en Hersteld-Gereformeerden gapen diepe kloven.
Al wat massaal uittreedt, komt opnieuw apart te staan. Of denkt ge dat ons volk zich in de Gereformeerde Kerken zou thuis gevoelen ? Immers neen ! En daarom geen afscheidingsplannen, hoe men ook lastert, dat we met de afscheidingsbacil besmet zijn. Wat er ook gebeuren moge, er zal altijd een groep van mannen overblijven in de erve onzer Vaderen, die niet verlaten durven wat door God niet verlaten is.
Maar wat dan ? hoor ik u vragen. Moeten we dan maar lijdelijk afwachten ? Hebben we dan niet te doen wat onze hand vindt om te doen ? Vindt ge het niet droevig, dat er tientallen gemeenten roepen om een Gereformeerd predikant, die al maanden of jaren wachten ? Indien we meer candidaten hadden, zouden er zeker nog meerdere gemeenten zulke prediking vragen. Nu denken vele gemeenten, dat ze toch geen kans hebben.
Alle krachten moeten worden ingespannen om meerdere gelden te verzamelen voor Leerstoelfonds en Studiefonds. Tot de uiterste krachtsinspanning is het nog niet gekomen. Er kan nog meer latente kracht worden ontplooid. Er loopen er nog rond, die er de gaven toe bezitten. Mocht God ze er toe roepen !|
Alléén van meerdere verbreiding der Waarheid is zege te verwachten.
Maar wat is er te doen om verandering te krijgen in de Synodale Organisatie ? Voorshands niet zooveel. Het zit op het oogenblik tamelijk vast. Wie over de centen heeft te beschikken, heeft het meeste te zeggen. Door den aanslag van den Raad van Beheer heeft men de Kerk geknecht. Men heeft den tijd laten voorbijgaan om zich massaal in onze kringen tegen dit onrechtmatig reglement te verzetten. Onze predikanten hebben van dien Raad van Beheer weinig profijt. In de meeste gemeenten van onzen Bond is de aanslag toch veel hooger dan de 40% die door den Raad van Beheer wordt uitgekeerd.
Vele Modernen en Ethischen, die echter een minimum tractement hadden van ƒ2500.—, ontvingen wél de 40% daarboven. Niet, dat we dit uit menschelijk oogpunt hun niet zouden gunnen. Alleen, wij staan op het standpunt dat elke groep maar voor zijne eigene dienaren moet zorgen. En dan staan onze Bondsgemeenten toch zeker niet achteraan. Zeker, men wijst er op, dat het in de dagen van de mobilisatie er hier en daar treurig gesteld was, ook in sommige Bondspastories. Ik erken, dat er een crisis moest worden doorgemaakt. De Raad van Beheer moge in sommig opzicht goed gewerkt hebben, feit blijft toch maar, dat in tientallen Bondsgemeenten tractementen aan de dienaren des Woords worden uitgekeerd, die ver uitgaan boven datgene waartoe de Raad van Beheer hen verplicht.
Schrijver dezes zou er nog steeds veel voor gevoelen om het onrechtmatige in 't Reglement op de Predikantstractementen te bestrijden. Indien wij niet oppassen, wordt straks ook het diaconale werk geheel en al gecentraliseerd, wat tengevolge zal hebben dat onze Diaconieën weer heel wat van hun macht zullen moeten inboeten. Ik zou dan ook nu reeds dit advies willen geven om er ons met hand en tand tegen te verzetten : Men zij op zijn hoede als een tweede aanslag wordt gepleegd op de rechten van de plaatselijke gemeente.
Maar er is nog meer te doen. Sommige voorstellen, b.v. de Groote Synode, degradeering van de Walen, wijziging van de proponentsformule enz., hadden nog wel eens een meerderheid in de besturen kunnen vinden, als de zaak van te voren beter georganiseerd ware geworden. In dezen zijn we aangewezen op de samenwerking met de Confessioneelen. Bij alle verschil van meening op ander terrein, in genoemde gevallen zijn Gereformeerde Bonders en Confessioneelen het roerend eens.
Welaan, laat men dan bij al de verdere verschilpunten samenwerking zoeken bij de bestrijding van de huidige Synodale Organisatie. Er valt onder den zegen des Heeren nog veel te bereiken. Ik ken een Classis, waar zeker de meerderheid te behalen was bij stemmingen voor leden van Classicaal-en Provinciaal Kerkbestuur. Door laksheid van Gereformeerden of Confessioneelen, of door onderlinge verwijdering is er natuurlijk niets gebeurd. Maar wat wèl het geval is : de Ethischen zitten natuurlijk weer op het kussen. Zij lachen om de verdeeldheid van Gereformeerde Bonders en Confessioneelen.
Wil men uit drijverij of partijschap van de zijde van Gereformeerde Bonders of Confessioneelen deze samenwerking niet, welaan, spreek het dan maar uit dat er verder niets is te doen.
Of meent men werkelijk, dat het aan ongeveer 200 Gereformeerde Bonders zal gelukken om de besturen om te zetten ?
We moeten de kwestie daarom onder de oogen zien en bedenken, dat er op het oogenblik geen andere oplossing meer mogelijk is.
Laat er over het geheele land een actie worden gevoerd. Confessioneelen en Gereformeerden moeten, met vasthouding van alle verdere verschillen, gemeenschappelijke voorstellen indienen om er de Walen uit te werpen enz. enz. Hoe wreed dat middel ook zijn moge, alle homoeopathisch verdunde orthodoxen, die toch altijd maar met de Modernen meestemmen, moeten zoo mogelijk worden gewipt om ze plaats te doen maken voor Confessioneelen of Gereformeerden.
Nu zegt men misschien : Is dat alles ?
Lezers, ik zou het u wel willen toeroepen : Veracht toch den dag der kleine dingen niet !
Anderen zeggen misschien : Alles maar eigen werk. Ik geef u onmiddellijk toe, dat al wat wij in eigen kracht zullen beginnen, zal verstoord worden door Hem, die gezegd heeft: Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijnen heiligen arm zal het geschieden, spreekt de Heere.
Maar ik weet ook, dat de Heere een gruwel heeft van alle valsche lijdelijkheid, waardoor men het water maar laat loopen over den akker.
In den weg der middelen kunnen de zwakste middelen en pogingen van menschenhand door den Heere gezegend worden.
Verder is noodig, dat ons volk in zijne breede lagen worde bekend gemaakt met den stand van zaken. Het is maar niet genoeg om een weekpredikatie te houden en daarbij een collecte te houden voor Leerstoelfonds en Studiefonds. Laat men met voorzichtigheid, met ernst, den volke de droeve toestanden moge voor oogen stellen, opdat het getal van hen moge vermeerderen, die vooraan staan in de rij van hen, die zich vanwege de zonden onzer Kerk voor God zullen verootmoedigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 mei 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's