KERKELIJKE RONDSCHOUW
HET BROODVRAAGSTUK EN DE KERK
't Broodvraagstuk is aan de orde. Ieder komt er mee in aanraking, vaders en moeders, ook de kinderen. Rijken en armen hebben er mee te maken, arbeiders en werkgevers, 't Is nationaal en internationaal. Het nijpt en het gaat méér nog nijpen. En wij zeggen niet, dat de menschen niet mogen beraadslagen en geen vergaderingen mogen houden, geen conferenties moeten beleggen. Want 't is onze plicht om dat te doen. Wij zijn redelijke, zedelijke schepselen. We moeten ons op wegen en middelen bezinnen. We moeten doen wat onze hand vindt om te doen.
Maar waar we toch even op willen wijzen is dit, dat de Heiland het broodvraagstuk ook aan de orde heeft gesteld. En in navolging van Gods Woord doet onze aloude Catechismus het ook. Zouden we er niet onze aandacht aan schenken, aan 't geen de Catechismus in Zondag 50 ons leert ?
Moet de Kerk in de prediking de sociale kwestie, het broodvraagstuk, ook niet in de bediening des Woords in het midden van de gemeente behandelen ? Waarom verwaarloozen we deze dingen veel te vaak ? Denken we soms dat het niet geestelijk genoeg is, als we hierover samen spreken ?
De Heiland heeft het ons toch wel anders geleerd ! En elk gezin zit met deze aangelegenheid. Alle jonge menschen worstelen er mee. De patroons zoo goed als de knechts. Nationaal en internationaal. En dan heeft de Kerk zoo'n mooie gelegenheid om Gods Woord te brengen en het licht der Waarheid ook over dit vraagstuk te laten schijnen.
We willen niet in den breede op deze kwestie nu ingaan.
Maar de Heiland wil, dat we elken dag aan het brood van ons gezin zullen denken, aan ons levensonderhoud, aan al 't geen wij en onze kinderen noodig hebben.
Dat de patroon elken dag zich zal beraden over zijn levensbehoeften en levensonderhoud en ook de werkman. Want de Heiland heeft ons geleerd, dat we elken dag met onzen Vader, die in de hemelen is, moeten spreken over „ons dagelijksch brood". En dat we eiken dag moeten vragen, moeten bidden om ons dagelijksch levensonderhoud. Dat we dagelijks moeten vragen aan den Heere : „Geef ons".
Dat kan ons verbazen, als we er ernstig over denken.
Wij menschen, die altijd weer zinnen op wegen en middelen om ons brood te verdienen, om zelf te werken voor ons levensonderhoud ; en die tegenwoordig voor al onuitputtelijk zijn in het uitdenken van iets nieuws, om aan ons brood, om aan ons levensonderhoud te komen — dat wij elken dag voor 'sHeeren aangezicht moeten ingaan met gevouwen handen, om te vragen, om te bidden, om te smeeken van onzen Vader in den hemel: Heere, geef Gij ons heden ons dagelijksch brood.
Neen, dat beteekent niet, dat onze handen niet moeten werken. Want de vogels zelfs moeten vliegen om hun voedsel te vergaderen en de plant moet haar wortels uitslaan om het voedsel op te zuigen en op te trekken uit den aardbodem. En de mensch moet werken in het zweet zijns aanschijns om z'n brood te verdienen. Maar — die werkende handen, die rappe, vlugge, ijverige handen, die zoo druk in de weer kunnen zijn, moeten gevouwen, biddende handen zijn, gevouwen om eerbiedig te vragen, om te smeeken van God om van Hem het brood, eiken dag het dagelijksch brood te mogen ontvangen. Om te vragen, dat de Heere het ons geven zal.
En als de Heiland dan verwijst naar de leliën des velds, dan bedoelt Hij geenszins te zeggen dat de Heere des hemels en der aarde karig is in het geven. Integendeel, wat God werkt en wat de Heere geeft, gaat alle menschenwerk en menschensieraad verre te boven. En daarom mag de geloovige voor zichzelf etn voor zijn gezin ook vragen, bidden, smeeken elken dag om het dagelijksch brood ; dat wil zeggen : om alles wat voor het levensonderhoud van het gezin noodig is, wetende, dat Gods kinderen de leliën des velds verre te boven gaan!
Wanneer wij zóó samen temidden van het maatschappelijk leven, waarin God ons saam als „maats" van elkander (maatschappij) geplaatst heeft, elken dag eens met gevouwen handen mochten ingaan voor Gods aangezicht, zou dat ons niet een heel stuk verder kunnen brengen wat betreft de sociale kwestie, wat aangaat het broodvraagstuk?
Laten we niet zoo verkeerd geestelijk zijn, om het ongeestelijk te achten over het broodvraagstuk te spreken. Laat ons niet zoo ongeestelijk zijn, dat wij er over spreken zonder gevouwen handen. Laat ons van den Heiland mogen leeren — Die toch Zijn discipelen ook in dezen onderwezen heeft en nog onderwijzen wil — om eiken dag in ons gebed te brengen: „Onze Vader, die in de hemelen zijt — geef ons heden ons dagelijksch brood".
En dan moeten we bidden : „Ons dagelijksch brood". Niet maar moet ieder voor zichzelf alleen bidden en vragen: geef mij „mijn" dagelijksch brood. Dan zou de werkman bidden : geef mij „mijn" dagelijksch brood. En de patroon zou bidden : geef mij „mijn" dagelijksch brood. En de arme zou om zichzelf alleen denken en de rijke zou alleen voor zichzelf vragen. Dat slaat alles uit elkaar en zet naast en los en tegenover elkaar! Maar dat mag juist niet!! Want we zijn elkanders leden, we hooren bij elkaar, ieder in z'n orde, zooals de Heere dat naar Zijn goddelijke wijsheid beschikt, ieder onzer met Zijne hand onze plaats ons wijzend.
Daarom is het tafelgebed ook zoo noodig in al onze gezinnen, het gezinsgebed, waar bij de vader als priester liefst voor moet gaan om gemeenschappelijk Gods aangezicht te zoeken. In onze gezinnen moet saam gebeden worden. Niet, dat we van het tafelgebed kunnen zeggen dat het altijd even hoog staat. Gewoonte, sleur, kan ook hier veel kwaads doen, 't zij we het stille tafelgebed hebben, 't zij de vader als priester in huis 't gezinsgebed uitspreekt. Hoe vormelijk, zelfs profaan kan 't soms, kan het helaas ! dikwijls zijn.
Maar in het licht van hetgeen God ons leert in Zijn Woord, in het licht van het „Onze Vader" ook gezien, is het toch iets kostbaars en verhevens, als een gezin zich, midden in het werkleven en de huiselijke omgeving, grooten en kleinen saam, zet tot het gebruiken van voedsel, maar dan als voor Gods aangezicht ingaande met dankzegging en gebed. Dan staat God daar als de Gever van alle gaven, ook de Gever van die stoffelijke, aardsche dingen, en dan komt er over eten en drinken een hemelsche glans te liggen en de Heere wordt er bij grootgemaakt en wij ontvangen er zegening door, groot en klein saam.
Deze alledaagsche dingen mogen niet alledaagsch-wereldsch worden, maar moeten eiken dag gewijd en geheiligd worden onder de aanroeping van Gods Naam.
Mocht zóó het broodvraagstuk ook in onzen bangen tijd meer en meer voor Gods aangezicht worden gebracht en de sociale kwestie meer en meer onder aanroeping van 's Heeren Naam worden behandeld.
En de Kerk heeft hier, vooral nu, een roeping van God ontvangen, welke zij niet mag verwaarloozen ?
Is zij in deze getrouw ?
Zijn wij getrouw ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 mei 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's