De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

PINKSTEREN

14 minuten leestijd

En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtiglijk bijeen. En daar geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, als van een geweldig gedreven wind, en vervulde het geheele huis daar zij zaten. En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spre. ken. Handel. 2 vers 1—4.

Ontwikkeling is langen tijd het tooverwoord geweest in breede kringen, daarmede werd een verklaring gegeven; naar men zeide, van heel den wereldgang.
Gij begrijpt, lezer, dat het niet in onze bedoeling kan liggen op het dwaze of verstandige van deze beschouwing thans uw aandacht te vestigen. Onze gedachten bewegen zich in een geheel andere richting. Op geestelijk gebied is zulk een gestadige rijzing, ontwikkeling — als ge het zoo noemen wilt — merkbaar. Beluistert slechts uw eigen sprake. We spreken over een Kerstnacht, van een Paaschmorgen, doch van een Pinksterdag. De zon staat dan op het hoogst.
Dit is één punt: de heilsopenbaring klimt steeds hooger, tot het hoogste punt is bereikt. Doch daar is meer. Bij deze gestage klimming van de Zon des heils is toch eene wonderlijke eenheid merkbaar.
Het eerste feest dat we vieren, 't Kerstfeest, is dat van den Vader. Hierop plegen we de eeuwig-onbegrepen liefde Gods in de zending Zijns Zoons te herdenken.
Het tweede, het Paaschfeest, is het feest van den Zoon, wanneer Hij als een held de sterke boeien des doods heeft verbroken, waarin de zonde de menschheid in haar geheel, en dus ook Gods volk, geklonken had. Zij werden op deze wijze door den Zoon hier Gode vrijgekocht.
En nu het derde, en dat is het slot. Wien behoort het toe, anders dan God den Heiligen Geest ? Hij heeft als woonplaats gekozen het midden van de Gemeente des Heeren op aarde. Hij zal hier blijven tot Hij haar eenmaal als eene toebereide bruid Christus en den Vader mag tegenvoeren.
Merkt ge het wel: de drieëenige Bondsgod heeft in ieder der drie deelen van het heilswerk eene eigene plaats en eigen kring. Alles gaat naar goddelijke orde.
Het Pinksterfeest sluit den goddelijker, cirkel toe.
Thans nog ééne opmerking. Heel dit werk, deze heilsraad is voor menschen. Rond hunne verlossing cirkelde alles toe, maar het gebeurt telkenmale dat hij zelf geheel op den achtergrond blijft.
Boven de kribbe zingen Engelen het: „Eere zij God".
Bij de geopende groeve hebben Engelen de wacht betrokken om het den jongeren kond te doen : „Zie, Hij is hier niet'".
Doch op den Pinksterdag blijven deze hemelbewoners buiten den gezichtskring ; hun hallels worden hier niet gehoord, omdat menschentongen worden aangeraakt door den Heiligen Geest. Discipelen verkondigen de groote werken Gods.
Mocht ook alzoo op dezen Pinksterdag door onze tong van de groote werken Gods worden gestameld. Dat er ook nog heden door dienzelfden Geest zondaren werden ontdekt, bekommerden vertroost, in één woord, 's Heeren Gemeente aangeraakt door kracht uit de hoogte.
We weten het, de werking Gods is en blijft vrij machtig. Daar is , geen enkele plaats, waar de Geest zich binden laat, maar bidden wèl. Hij wil woning maken, naar het eigen Woord des Heeren, bij een volk dat in diepe afhankelijkheid met een verbroken hart nederbuigt voor den Troon. Als de tempel Gods omvat houdt eene biddende schare, die op niets anders wacht dan op de komst van den Heiligen Geest, die op niets anders pleit dan op de zoenverdienste van den Zoon, die op niets anders leunt dan op de trouwbelofte des Vaders.
Schikken we ons alzoo bij de overdenking van de aloude Pinkstergeschiedenis.
Handelingen 2 en daarvan de eerste vier verzen mogen gerangschikt worden onder de meest bekende gedeelten van heel het Woord. Moeilijk voorwaar zal het vallen degenen te bevredigen, die opgingen, gedreven alleen door den lust om iets nieuws te hooren. Daar zijn er onder ons die het vijftig maal en nog vaker beluisteren mochten.
Waar schuilt nu het geheim, dat de schare altijd weer heentrekt naar de heilige wanden van Gods tempel ? Waar anders dan in de waarheid zelve. Waar anders dan in de geheime stuwkracht van den Geest Gods.
Of er dan niet velen opgaan uit gewoonte of om heel andere redenen? Wie zou het ontkennen ? Zeker, wanneer we 't recht verstonden en de heilgeheimen peilden, die. ons in de bediening des Woords worden ontsloten, daar zou een andere warmte, een gloed, eene bezieling gespeurd worden.
We nemen slechts één woord om het te bewijzen. Op den Pinksterdag wordt gesproken over het Pinksterwonder — een heel gewone uitdrukking, nietwaar? Maar vat ge het nu ? Waar bestaat nu dat wonderlijke dan in ? Hebt ge u in dezen wel eens rekenschap gegeven ?
Ge aarzelt, ge zijt zoo spoedig met uw antwoord niet gereed ; Kom, laat mij u dan de hand der hulpe eens biên.
Toen de zonde op deze aarde hare intrede deed en Gods werken verstoorde, was het een wonder dat de Heere die wereld niet liet wegzinken onder hare eigene schuld. Een nog grooter wonder was dit, dat de hemel zich ontsloot om den Eengeborene des Vaders neder te laten op die vloek-en doem-en doodsschuldige wereld. Dat heilig Kindeke zal Zijne tente opslaan te midden van die gevallen menschheid.
Maar het allergrootste wonder, ja, het wonder bij uitnemendheid, is wel dit, dat de Heilige Geest — dat allerheiligste Wezen — indaalt in de harten van die allerschuldigste schepselen. Neen, als ge daarvoor ooit een oog ontvangt, worden uwe lippen te eng en in jubellied ontlast zich uw hart:
Dit werk is door Gods Alvermogen,
Door 's Heeren hand alleen geschied ;
Het is een wonder in onz' oogen,
We zien het, maar doorgronden 't niet.
We willen dit Pinksterwonder, mocht het zijn aan de hand van den Geest Zelven, van naderbij beschouwen.
Het eerste wat we bij den kring der jongeren opmerken is, dat zij wachtende zijn op iets wat te gebeuren staat.
Van den Olijfberg af worden ze tezaamgehouden, tezaamgebonden door die ééne belofte van den Heiland : „Gij zult met den Heliigen Geest gedoopt worden niet lange na deze dagen". „De kracht des Heiligen Geestes zal over u komen".
En waar zulks zou plaats grijpen, was hun eveneens aangezegd: „blijft in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte".
Dus blijven en wachten enkel omdat de Heere het beloofd had. De belofte Gods lag er en nu konden zij stille zijn.
Schikken we eens heel nauw tezamen, opdat wij dit wachten, dit stille zijn, dit toeven en beiden van den Heere eens van zeer nabij beschouwen, 't Is en wordt zoo zelden goed verstaan. Op natuurlijk terrein gaat het veel beter. Daar zal niemand de dwaasheid begaan om zoo maar een leger de grenzen over te zenden. Daar wordt eerst gewacht op de komst van den gene­raal. Vóór deze het commando geeft zal geen der ondergeschikten zich in beweging zetten; immers hij weet: hoe goed bedoeld, het zou uitloopen op zijn verderf.
Wachten is eene moeilijke kunst, ja-geen is moeilijker. Weet ge waar ze alleen geleerd wordt: in de leerschool des Heiligen Geestes, anders doolt ge of ter eener of ter anderer zijde. Immers wat ligt meer voor de hand, dan wat zich telkens bij de discipelen laat nawijzen en inzonderheid zich bij Petrus voordoet: dadelijk ingrijpen ; van geen wachten weten.
Zou niet hier de verklaring schuilen van veel werk dat nu bij de handen afbreekt, ook van menschen, die het goed meenden. Daar is geen wachting, geen beiden, geen stille zijn aan voorafgegaan.
Ach, lezers, zoo God de eerste niet is, zoo zal het niet beklijven. Het schoonste werk is spoedig in eene ruïne herschapen.
Maar hier staat ook iets tegenover. Daar is zooveel wat zich in het kleed steekt van afhankelijkheid, en toch zoo in-trotsch blijkt; zoo menigeen, die wachten voorwendt en die schrikken zou als Hij kwam ; die opziet in schijn naar den Troon, doch in werkelijkheid niets liever wil dan zich met het stof vereenen.
Wachten, stille zijn, toeven, den Heere beiden, is een moeilijke kunst. We zeiden het reeds : ze wordt niet anders geleerd dan in de school des Heiligen Geestes. Ge merkt het onmiddellijk aan heel de omgeving: daar is een atmosfeer des gebeds, een drang om zich zelf te verliezen, een overtuigd zijn dat van den Heere alles moet afdalen. Het bizondere van elk der jongeren gaat schuil. Het wordt als 't ware zoó naar beneden gedrukt, dat het niet tot uiting kan komen. Het booze en verkeerde wordt in beslag genomen.
Vandaar ook dit eendrachtig tezamen zijn. Dit is de vrucht van afhankelijk, biddend samenschuilen. Niet omgekeerd, zooals men vaak hoort aanprijzen : we moeten elkander liefhebben, en dan vragen om de komst des Heiligen Geestes.
Och neen, dit is niet dan schijn. Weet ge hoe het bij de discipelen was ? Evenals bij ons. Daar leefde deze vraag : „Wie van ons is de meeste ? " Ieder voor zich wil 't hoogste zijn. 't Is treurig, maar waar ; daar blijft een machtig iemand wonen die, volgens zijn natuur, voor niemand buigt dan voor zichzelf. Vandaar dat het telkens botst. O, schrikkelijk als daarvoor de oogen niet openspringen, als daartegen het gebed niet oprijst. Maar ook hoe heerlijk, als in werkelijkheid knie naast knie zich buige voor één Koning, als het gebed gedreven wordt door één Geest, den Geest des Heeren; als de ondergrond van het leven is een roepen tgt^dj^n. Troon om genade.
Wachtende op den Geest.
Dit is meer dan zingen : Waar liefde woont, gebiedt de Heere den zegen. Zeker, de mensch zou het misschien willen wagen bij uiterlijke vormen, hij zou het wagen bij enkel schijn, maar hier kan hij niet. De eigen-liefde wordt aan banden gelegd als zij komt te staan tegenover de liefde van Christus.
Dit is de eeriige voorwaarde. Discipelen die wachten op ééne belofte, die loopen in het licht van één Woord, die opzien tot één Koning, kunnen saam vereenigd zijn in ééne liefde.
Gaat ons gebed daarnaar veel uit?
Onderzoekt u eens. Met welke drogreden bedriegen we vaak onszelvén. Als het maar geen openbare strijd is, zijn we niet zelden al tevreden. Maar ach, daarom is het niet begonnen. Dit schudt nog weinig vruchten af. Ze zijn zoo hol en ledig. Als ééne zonde pijnigt en één kruis wordt omvat en de hulpe van één Geest wordt ingeroepen, dan wordt de broederband gevoeld.
Wachtende op den Geest zijn ze eendrachtig tezamen, en als de tijd daar is — als het Pinksterfeest vervuld werd — wordt de hemel ontsloten.
Wat laat zich hieruit nawijzen ? Dit: de belofte wordt ingewisseld, maar niet eerder dan op Gods tijd.
Het Pinksterfeest was het feest van den 50sten dag. Dan mocht naar goddelijk bestel de sikkel geslagen worden in het rijpe koren. Dat was een schaduwbeeld van wat in werkelijkheid zou plaats grijpen op den geestelijken akker. Nu zouden ze vallen, de rijpe aren, in grooten getale ; ze zouden binnengehaald worden de volle schoven. Op dezen dag zouden de eerstelingen worden geteld, 3000 tezaam.
De Geest des Heeren wordt nedergelaten uit den Hooge.
Wie dit doet ? Niet de discipelen. Niet, dat hun gebed dit vermag. Ja, hierop leggen we den nadruk, want de oorzaak, de bewegende oorzaak ligt elders. Herinner u slechts dit woord van den Heiland : „Ik zal den Vader bidden en Hij zal u een anderen Trooster zenden".
't Is op Zijne voorbede, gelooft dit vrij. Toen de Apostelschaar zich tezaam boog, wegsmeltende in eenheid van voelen en begeeren, toen hunne gebeden vleugelen aanschoten, toen het één roepen werd : „Och, of Gij de hemelen scheurdet en nederkwaamt", hadden op ditzelfde moment zich de doorboorde handen opgeheven tot den Troon, vragende : Vader zend nu, 't is thans de welaangename tijd, de dag der zaligheid.
De Trooster — zoo had de Heere gezegd — dien Ik zenden zal.
Maar ook: de Trooster, om Wien de jongeren bidden zullen.
Daar is een onzichtbare koorde, die doorloopt tot achter den voorhang. Wat Christus draagt rond Zijn Middelaarshart, houdt ook de handpalmen van de bidders omklemd.
Wachtende op den Geest, eendrachtig te zamen volhardende in bidden en smeeken, wordt het wonder aan hen vervuld. De Heere zendt wat Hij beloofd heeft.
Opeens, zonder een enkele voorbereiding, geschiedde plotseling vanuit den hemel een geluid.
Haastelijk.
Wie denkt bij dit ééne woord niet onmiddellijk hieraan, wat de Heere Zelf eens tot Zijne jongeren sprak : Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen ? Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal.
Hier hebt ge hetzelfde woord.
Haastelijk. Er is bij den Heere geen uitstellen als het tijd is. Bant deze gedachte verre, alsof hier ook maar de minste willekeur denkbaar kan zijn. Er is bij den Heere een onbedwingbare lust om wèl te doen aan al Zijn kinderen. De Heere doet niets liever dan Zijn volk zegenen. Hij weet wanneer het tijd is, dan komt Hij. Geen oogenblik later.
Haastelijk geschiedde vanuit den hemel een geluid, dat veel had van een geweldigen gedreven wind.
Ik stel me voor, dat de winden zijn weggescholen bij de nadering van dezen Geest.
Ik stel me voor, dat in de gansche natuur eene stilte heeft geheerscht als nimmer te voren.
't Was enkel een geluid.
Wij zullen aan deze teekenen onze aandacht bizonder wijden. Immers als de Geest des Heeren zoo uittreedt is het er om begonnen om opgemerkt te worden door Zijn Kerk op aarde, 't Is als het ware een roepen : zet uwe ooren wijd open en hoort; laat uwe oogen zien en opmerken.
Hier in den Tempel, in een van de bijgebouwen, waar de jongeren tezamen zijn, komt Hij hoorbaar binnen. Ieder van hen kan Hem speuren.
Is dit voor het oor; ook het oog zal het zijne hebben.
Van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen.
Welk een machtige teekenen kiest toch de Geest. De wind waait en niemand weet vanwaar hij komt en niemand weet waarheen hij gaat. De wind drijft de vuile dampen van de aarde en zuivert de atmosfeer boven.
Denkt u den wind weg, en alles staat stil om te versterven. Is dit niet juist weergegeven ? Wie zal zeggen het begint van beginnen van Gods Geest, en wie zal aangeven de grens, waar Hij Zich keert ?
Is er ooit een levenwekker en zondenzuiveraar geweest als Hij ? Als Hij waait, wie zal het keeren ? Als Hij werkt, wie zal Hem tegenhouden ?
Met het vuur gaat het evenzoo.
Zijn werking gaat nog verder. Neemt 't in welken vorm ge wilt. Daar hebt ge den bliksem van den hemel; 't is een kracht om te doen sidderen en te verbreken, maar tevens om te zuiveren.
Daar hebt ge het vuur op uw haardstede : een element om te verbranden, maar tevens om te verwarmen.
Daar hebt ge het licht op uw luchter. Het spreidt als op zijn lichtvleugelen overal vreugde ; de donkerheid moet wegvluchten. Brengt ze nu over, deze trekken, en ge zult ons toegeven : zoo is de werking van den Geest. Wat de bliksem doet in de natuur, doet Hij in het hart. Zuiverend treedt Hij naar voren. Wat het vuur doet op den haard, doet Hij in het binnenste : Hij draagt gloed en warmte naar binnen. Wat het licht, doet op den luchter, is Zijn werk op heel het levenspad van Gods kinderen. Hij brengt licht en gloed waar het donker was en de kilte heerschte.
Van verdeelde tongen lees ik. Zou dit niet henenwijzen in de eerste plaats hierheen, dat ge dadelijk aan één geheel moet denken ?
Bij den wind is dit voor de hand liggend. Deze is een geheel. Nu wordt dit verdeeld. Op elk hoofd één vurige tong. Wat één Geest was, werd aan allen persoonlijk, een ieder naar zijn eigen bedeeling, toegedeeld.
Het zat op een ieder van hen. Allen werden gelijkelijk aangeraakt. En nu is dit 't eigenaardige : zij zagen het van zich zelven niet; de vurige tong op hun hoofd werd enkel door de broederen aanschouwd, maar door hen zelf ervaren.
Zou het nog zoo niet zijn ?
Wanneer de Geest werkt, merkt'ge het zelf, maar ge ziet het eerst bij anderen.
De Geest des Heeren zat op een iegelijk van hen en vervulde hun heele zijn. Het ledige hart werd vol gemaakt; de zwijgende lippen beginnen te spreken.
Is dit niet het wonder, waarin God wordt verheerlijkt ?
Geve de Heere ons tezamen ook iets te proeven van Zijn rijke en rijkmakende Pinkstergaven.
Worde de bede van den Psalmist bij ons gevonden: Och schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest, Mocht die mij op mijn paan ten leidsman strekken, 'k Hield dan Uw wet, dan leefd' ik onbevreesd; Dan. zou geen schaamt' mijn aangezicht bedekken. Wanneer ik steeds opmerkend waar geweest Hoe Uw geboon mij tot Uw liefde wekken.

Utr.

J. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's